← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:20087

Rechtbank Den Haag · 2026-07-14 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL26.36915 en NL26.36844
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
6.972 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Grensdetentie, art. 6, derde lid, LHBTI, ongegrond.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummers: NL26.36915 en NL26.36844 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 14 juli 2026 in de zaken tussen [eiser 1], v-nummer: [nummer 1], eiser 1 [eiser 2], v-nummer: [nummer 2], eiser 2 eisers (gemachtigde: mr. A. Saakjan) en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. E. Özel). Procesverloop Bij afzonderlijke besluiten van 1 juli 2026 (de bestreden besluiten) is aan eisers met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000) een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw 2000 van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgevingen worden gelijkgesteld met door eisers ingestelde beroepen. Deze beroepen moeten tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. De rechtbank heeft de beroepen op 10 juli 2026 gelijktijdig op zitting behandeld. Eisers zijn verschenen. De gemachtigde van eisers is, met bericht van verhindering, niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw 2000 dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw 2000 het beroep gegrond. 2. Op grond van artikel 5.1a van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken. Zijn de maatregelen van bewaring op de juiste wijze ondertekend? 3. Eisers betogen dat de aan hen opgelegde maatregelen van bewaring niet op de juiste wijze zijn ondertekend. Zowel het model M18A als het model M19B zijn niet voorzien van een fysieke handtekening. 3.1. De rechtbank is van oordeel dat de maatregelen van bewaring op de juiste wijze zijn ondertekend. De rechtbank heeft kunnen verifiëren dat de maatregelen door een bevoegde ambtenaar digitaal zijn ondertekend. De rechtbank ziet geen aanleiding om te oordelen dat de maatregelen voorzien hadden moeten zijn van een fysieke of natte handtekening, aangezien dit niet volgt uit de wet of uit vaste rechtspraak. Deze beroepsgrond slaagt niet. Had de minister moeten volstaan met een lichter middel dan de vrijheidsontneming op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000? 4. Eisers voeren aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel dan de vrijheidsontnemende maatregel. Voor eisers geldt dat sprake is van bijzondere, individuele omstandigheden. Eisers vormen een LHBTI-koppel waardoor zij niet in een gesloten omgeving kunnen verblijven waar ze samen zijn met mannen uit landen waar LHBTI’s niet getolereerd worden. In de tuin van Schiphol zijn eisers in het Engels uitgescholden toen zij elkaar omhelsden. Ook hebben andere gedetineerden die op strafrechtelijke titel worden vastgehouden in de nabijheid van de luchtplaats waar eisers tijdens de bewaring verblijven agressieve gebaren en woorden geuit naar eisers. Bovendien hebben eisers medische klachten die zich verzetten tegen de inbewaringstelling. 4.1. De rechtbank is van oordeel dat de minister niet heeft hoeven volstaan met een lichter middel dan de vrijheidsontneming op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw 2000 van eisers. Op de zitting heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers in de gehoren voorafgaand aan de vrijheidsontneming hebben aangegeven dat het feit dat zij homoseksueel zijn op zichzelf niet maakt dat ze niet in bewaring gesteld kunnen worden. Daarnaast hebben eisers op zitting aangegeven dat de onheuse bejegening niet afkomstig is van andere vreemdelingen aan wie een vrijheidsontnemende maatregel is opgelegd, maar van gedetineerden die op strafrechtelijke titel op een andere, van eisers afgescheiden afdeling verblijven. Ook hebben eisers op de zitting aangegeven dat zij terecht kunnen bij de beveiligers en dat zij bij hen kunnen klagen over de bedreigingen. Gelet hierop is niet gebleken dat eisers vanwege hun geaardheid geen of onvoldoende bescherming kunnen krijgen tijdens hun verblijf in het detentiecentrum of dat er bijzondere individuele omstandigheden zijn die de vrijheidsontnemende maatregel onevenredig bezwarend maken. 4.2. Ten aanzien van de medische omstandigheden oordeelt de rechtbank uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State blijkt dat de medische zorg in het detentiecentrum vergelijkbaar is met de medische zorg in de vrije maatschappij. Niet is gebleken dat deze zorg niet toereikend is voor eisers. Indien nodig kunnen eisers zich richten tot de arts in het detentiecentrum. De enkele stelling van eisers dat niet voortvarend wordt gereageerd op hun medische verzoeken, is onvoldoende om daarover nu anders te oordelen. Dat eiser 2 zijn allergie-medicatie nog niet heeft ontvangen is vervelend, maar eiser 2 heeft ook aangegeven momenteel geen klachten te ervaren zodat hieraan geen doorslaggevende betekenis toekomt. Bovendien heeft de gemachtigde van de minister op de zitting toegezegd hier aandacht voor te zullen vragen bij het detentiecentrum. Verder heeft eiser 1 weliswaar verklaard dat hij niet goed tegen kleine ruimtes kan, maar dat standpunt is verder niet geconcretiseerd. De rechtbank concludeert dan ook dat de medische omstandigheden van eisers geen aanleiding vormen om hen een lichter middel op te leggen of het opleggen van de maatregel onevenredig bezwarend te achten. Deze beroepsgrond slaagt niet. Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel? 5. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de ambtenaar en eiser verstrekte gegevens verder geen grond om te komen tot het oordeel dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de vrijheidsontnemende maatregel op enig moment onrechtmatig is geweest. Conclusie en gevolgen 6. De beroepen zijn ongegrond. Daarom worden ook de verzoeken om schadevergoeding afgewezen. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart de beroepen ongegrond; - wijst de verzoeken om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Duifhuizen, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E. Brokke, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. ABRvS 15 november 2023, ECLI:NL:RVS:2023:4219. Vergelijk HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 ( Adrar ) en HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 ( C, B en X ).