← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:20059

Rechtbank Den Haag · 2026-06-17 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL26.6283
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
15.390 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Asiel. Brazilië. Seksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen onvoldoende zwaarwegend. Niet gebleken dat de Braziliaanse autoriteiten in zijn geheel onwelwillend of niet in staat zijn om bescherming te bieden, of dat het bij voorbaat zinloos is om bescherming in te roepen. Discriminatie vanwege de hiv-besmetting kan niet worden aangemerkt als een daad van vervolging. Beroep ongegrond.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.6283 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. D.W.M. van Erp), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. J. Willems). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven . De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 3. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 30 januari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. 4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 5. De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening , op 27 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Eiser en de tolk hebben telefonisch deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 6. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1995 en heeft de Braziliaanse nationaliteit. Toen eiser 13 à 14 jaar oud was, heeft hij ontdekt dat hij op mannen valt. Op school is hij gepest en geïsoleerd omdat hij veel met meisjes omging en zich anders gedroeg dan de andere jongens. Ook heeft eiser problemen gehad met zijn ouders vanwege zijn seksuele gerichtheid. Twee jaar voor zijn vertrek heeft eiser zich verloofd met een vrouw om zijn familie tevreden te stellen. Omdat hij in Brazilië niet langer de schijn wilde ophouden, is hij gevlucht. Bij terugkeer vreest hij voor sociale uitsluiting en discriminatie vanwege zijn seksuele gerichtheid. Ook vreest hij dat hij door zijn hiv-besmetting nog meer discriminatie zal ervaren. Het bestreden besluit 7. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende drie relevante elementen: identiteit, nationaliteit en herkomst; seksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen; en vrees voor discriminatie vanwege hiv-besmetting. 8. De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De minister toetst de seksuele gerichtheid en de daarmee samenhangende problemen niet op geloofwaardigheid, en heeft de discriminatie in verband met hiv niet op geloofwaardigheid kunnen toetsen. Los van de vraag of deze asielmotieven al dan niet geloofwaardig zijn, zijn de problemen en discriminatie niet zwaarwegend genoeg om in aanmerking te komen voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid onder a en b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Daarnaast werpt de minister eiser tegen dat hij zich bij binnenkomst in Nederland, zonder gegronde reden niet zo snel mogelijk heeft aangemeld bij een ambtenaar belast met grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen en daar kenbaar heeft gemaakt dat hij internationale bescherming wenst. De minister heeft de asielaanvraag daarom afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vw in samenhang met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h van de Vw. 9. In Nederland heeft eiser de diagnose gekregen dat hij besmet is met hiv. Bij het bestreden besluit is eiser in bezit gesteld van een verblijfsvergunning regulier voor bepaalde tijd onder de beperking ‘medische behandeling’, geldig van 30 januari 2026 tot 30 juli 2026. Daarom heeft eiser nog recht om tot 30 juli 2026 in Nederland te verblijven en hoeft hij Nederland (nog) niet te verlaten. Beoordelingskader 10. De rechtbank stelt voorop dat de minister de asielaanvraag van eiser heeft beoordeeld aan de hand van de zogenoemde zwaarwegendheidstoets, zoals bedoeld in paragraaf C1/4.1, vijfde lid, van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc), waarbij de geloofwaardigheid van het tweede en derde asielmotief in het midden is gelaten dan wel niet op geloofwaardigheid kan worden getoetst. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) heeft in 2022 geoordeeld dat deze werkwijze van de minister niet onzorgvuldig is, mits alle verklaringen van de vreemdeling tot uitgangspunt worden genomen bij de zwaarwegendheidsbeoordeling. Voor de bestuursrechter betekent dit dat bij de toetsing moet worden uitgegaan van de geloofwaardigheid van de door de vreemdeling gestelde feiten en omstandigheden. Dit is noodzakelijk om de besluitvorming daadwerkelijk en effectief op rechtmatigheid te kunnen toetsen. Het oordeel van de rechtbank De wijze van uiting bij terugkeer naar Brazilië 11. Eiser stelt dat het uitgangspunt van de minister, dat hij zich bij terugkeer naar Brazilië op dezelfde wijze zal uiten als voorheen, berust op een vermoeden. De minister kon dit niet afleiden uit zijn verklaring tijdens het aanvullend gehoor (pagina 15). Daarom kan de conclusie dat zijn wijze van uiten geen aanleiding geeft tot vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag niet worden gehandhaafd. 12. De rechtbank stelt voorop dat het de verantwoordelijkheid is van de hoormedewerker om, vanuit zijn samenwerkingsplicht, eiser bij te sturen en te helpen wanneer iets onduidelijk blijft. De rechtbank leest in het rapport van het aanvullend gehoor terug dat de hoormedewerker open vragen heeft gesteld en de vragen op verschillende manieren heeft gesteld. Zo heeft de hoormedewerker aan eiser gevraagd hoe hij zich in Brazilië zou willen uiten over zijn seksuele gerichtheid in een ideale situatie. Eiser heeft daarop verklaard dat hij verwacht niet dezelfde vrijheid en reacties te ervaren. Omdat eiser de vraag niet goed leek te begrijpen, heeft de hoormedewerker een voorbeeld gegeven en gevraagd of eiser openlijk een relatie met een man zou willen aangaan. Eiser heeft daarop verklaard dat hij daarmee zou terugkeren naar de box waarin hij heeft geleefd — een situatie van angst. Daarnaast heeft hij aangegeven geen duidelijk antwoord op de vraag te kunnen geven en ziet hij zichzelf daar ook in de toekomst niet leven. Hoewel de rechtbank hier niet duidelijk terugleest dat eiser zich bij terugkeer naar Brazilië op dezelfde manier wil uiten als voorheen, blijkt uit zijn verklaringen ook niet hoe hij zich wel zou willen uiten bij terugkeer, ondanks dat de hoormedewerker hier voldoende zorgvuldig naar heeft gevraagd. Daarbij komt dat eiser ook bij zijn correcties en aanvullingen op het nader gehoor niet heeft toegelicht hoe hij zich bij terugkeer zou willen uiten. In zoverre is de rechtbank van oordeel dat de minister wel tot de conclusie heeft kunnen komen dat de zojuist besproken verklaringen van eiser over de manier waarop hij zich bij terugkeer zou willen uiten, geen aanleiding geven tot vervolging zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag. De beroepsgrond slaagt niet. Bescherming door hulporganisaties en de autoriteiten 13. Eiser stelt dat de minister niet is ingegaan op zijn verklaring tijdens het aanvullend gehoor (pagina 12), waarin hij aangeeft dat hulporganisaties geen effectieve bescherming kunnen bieden, aangezien Brazilië behoort tot de landen met de meeste LHBTI-moordslachtoffers. Volgens eiser is het zoeken van hulp daardoor zinloos. Daarnaast stelt eiser dat de minister heeft nagelaten te motiveren waarom eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat de Braziliaanse autoriteiten geen bescherming bieden aan de LHBTI-gemeenschap. Volgens eiser blijkt dit namelijk wel uit de door hem aangedragen informatie. Verder stelt eiser dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat er in algemene zin bescherming wordt geboden aan de LHBTI-gemeenschap. Volgens eiser is niet gebleken dat sprake is van bescherming die doeltreffend en niet-tijdelijk van aard is, terwijl de minister dit wel moet onderzoeken. De enkele verwijzing van de minister naar algemene informatie is niet voldoende. In dit verband verwijst eiser naar de uitspraak van rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, van 13 mei 2025. 14. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat ter beantwoording van de vraag of een vreemdeling in het land van herkomst bescherming kan krijgen eerst door de minister moet worden onderzocht of door de autoriteiten in het desbetreffende land in het algemeen bescherming wordt geboden. Daarbij dient hij informatie over de algemene situatie in een land van herkomst, in het bijzonder uit ambtsberichten van de minister van Buitenlandse Zaken en rapporten van internationale organisaties, te betrekken. Indien de minister die vraag bevestigend heeft beantwoord, is het vervolgens aan de vreemdeling aannemelijk te maken dat het vragen van bescherming voor hem gevaarlijk dan wel bij voorbaat zinloos moet worden geacht. Indien hij dat laatste niet aannemelijk maakt, kan slechts het tevergeefs door hem inroepen van de bescherming leiden tot de conclusie dat aannemelijk is gemaakt dat die autoriteiten niet bereid of in staat zijn bescherming te bieden. 15. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken dat de Braziliaanse autoriteiten in zijn geheel onwelwillend of niet in staat zijn om bescherming te bieden, of dat het voor eiser bij voorbaat zinloos is om bescherming in te roepen. De minister heeft hierbij kunnen betrekken dat eiser zich nooit tot de autoriteiten – of andere hulporganisaties – heeft gewend. Hoewel uit de door de minister aangehaalde landeninformatie en de door eiser overgelegde informatie blijkt dat Brazilië een van de landen is met het hoogste aantal geweldsincidenten tegen LHBTI en er sprake is van een toenemende mate van hate speech tegen LHBTI, is niet gebleken dat hulporganisaties of autoriteiten geen bescherming bieden. De rechtbank overweegt dat de minister in de besluitvorming voldoende heeft gemotiveerd dat daartoe in Brazilië de mogelijkheid bestaat. Zo wijst de minister erop dat eiser contact kan opnemen met gespecialiseerde instanties zoals de Federal Public Defender’s Office of de politie, waar bureaus zijn die zich richten op hate crimes , en geeft hij concrete voorbeelden van opsporing en vervolging. Daarnaast verwijst de minister naar een uitspraak van het Hooggerechtshof van 22 augustus 2023, waarin homofobe haatzaaiende uitlatingen juridisch gelijkgesteld zijn aan racistische uitlatingen en bestraft kunnen worden met gevangenisstraf. Anders dan eiser stelt, heeft de minister op grond hiervan terecht het standpunt ingenomen dat er sprake is van doeltreffende opsporing en gerechtelijke vervolging. Daarnaast leidt de stelling van eiser op de zitting, dat bescherming slechts achteraf wordt geboden nadat het kwaad al heeft plaatsgevonden, niet tot een ander oordeel. Uit het voorgaande blijkt immers dat er wel degelijk maatregelen zijn genomen om het geweld tegen LHBTI tegen te gaan. Eiser heeft dan ook niet aannemelijk gemaakt dat hij in Brazilië geen mogelijkheden heeft om zijn beklag te doen of bescherming te krijgen. De beroepsgrond slaagt niet. 16. Ook het beroep op de uitspraak van rechtbank Den Haag van 13 mei 2025 slaagt niet. In die uitspraak is overwogen dat uit landeninformatie blijkt dat voor de meeste burgers uit Sierra Leone maar beperkte toegang is tot justitie en dat corruptie veel zaken beïnvloed, zodat de onderhavige zaak niet vergelijkbaar is. Discriminatie vanwege de hiv-besmetting 17. Eiser voert verder aan dat zijn seksuele gerichtheid en hiv-besmetting samen een dusdanige beperking van zijn bestaansmogelijkheden vormen, dat de discriminatie voldoende zwaarwegend is om aan te kunnen merken als vervolging. Eiser moet in Brazilië voortdurend zijn identiteit verhullen om te kunnen overleven, wat kwalificeert als een ernstige beperking van zijn bestaansmogelijkheden. Daarnaast heeft de minister in het voornemen erkend dat niet kan worden uitgesloten dat eiser vanwege zijn hiv-besmetting te maken krijgt met een negatief sociaal stigma. 18. De rechtbank overweegt het volgende. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat discriminatie kan worden aangemerkt als een daad van vervolging, maar alleen als de vreemdeling door de discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn of haar bestaansmogelijkheden dat hij of zij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. Dit is nader uitgewerkt in paragraaf C2/3.2.6 van de Vc. De lat om op grond van discriminatie te worden aangemerkt als verdragsvluchteling ligt dus hoog. 19. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op goede gronden op het standpunt heeft gesteld dat de gestelde discriminatie niet kan worden aangemerkt als een daad van vervolging. Hoewel niet in geschil is dat mensen met hiv met discriminatie te maken kunnen krijgen, is niet aannemelijk gemaakt dat eiser door zijn hiv-besmetting dusdanig ernstige belemmeringen in zijn bestaansmogelijkheden heeft ervaren, dat het voor hem onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren en daarom als vluchteling moet worden aangemerkt. De minister wijst in dit verband terecht naar de verklaringen van eiser waaruit blijkt dat hij vrijwilligerswerk heeft gedaan als jeugdleider in de kerk, hij hoger onderwijs heeft gevolgd en heeft gewerkt als secretaris bij een bedrijf. Het door eiser aangehaalde onderzoek, waaruit blijkt dat meer dan 50% van de mensen met hiv te maken heeft gehad met discriminatie, leidt niet tot een ander oordeel. Uit die informatie kan evenmin worden afgeleid dat er in algemene zin sprake is van zodanig ernstige discriminatie van mensen met hiv dat dit leidt tot vluchtelingschap. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 20. De minister heeft de aanvraag kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. F.J. Attema, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 17 juni 2026. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. NL26.6284. ECLI:NL:RVS:2022:2333, r.o. 8.3 en 10.2. ECLI:NL:RVS:2022:2333, r.o. 8.2 en 10.3. Aanvullend gehoor pagina 14-15. Idem. ECLI:NL:RBDHA: 2025:8524, r.o. 6.5. ECLI:NL:RVS:2014:39. U.S. Department of State 2017 Country Reports on Human Rights Practices: Brazil en het rapport van Inter-American Commission on Human Rights: Situation of human rights in Brazil van 12 februari 2021. Observatório 2025 van Grupo Gay da Bahia. Zie pagina 5 van het bestreden besluit.