← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:20055

Rechtbank Den Haag · 2026-06-17 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL26.4530
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
11.344 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Asiel. Somalië. Verblijfsvergunning Griekenland. Identiteit kan niet met zekerheid worden vastgesteld. Problemen met Al-Shabaab niet geloofwaardig. Beroep ongegrond.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.4530 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. F. Lavell), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. A. Sloots). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de in stand kan blijven. De rechtbank oordeelt dat het beroep ongegrond is. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 3. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 20 januari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. 4. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 5. Op 27 mei 2026 heeft eiser verzocht om aanhouding. De rechtbank heeft dit verzoek afgewezen. 6. De rechtbank heeft het beroep op 27 mei 2026, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening hangende dit beroep , op zitting behandeld. Hieraan heeft deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eiser en de gemachtigde van eiser zijn – met bericht voorafgaand aan de zitting – niet verschenen. Beoordeling door de rechtbank Verzoek om aanhouding 7. De gemachtigde van eiser heeft op de dag van de zitting de rechtbank verzocht om aanhouding. De gemachtigde heeft in het verzoek gesteld dat hij door onvoorziene omstandigheden in het buitenland verblijft, en de rechtbank verzocht om een nieuwe zitting in te plannen, gezien de belangen van eiser. Hoewel de rechtbank inziet dat eiser belang kan hebben bij een zitting, heeft de gemachtigde van eiser het verzoek niet voorzien van een onderbouwing en nadere uitleg waarom hij niet bij machte was om op zitting te verschijnen. Ook is onduidelijk welke onvoorziene omstandigheden maken dat de gemachtigde niet eerder dan kort voor de zitting om aanhouding kon verzoeken. De rechtbank heeft het aanhoudingsverzoek daarom afgewezen. Het asielrelaas 8. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Hij heeft de Somalische nationaliteit en stelt dat hij is geboren op [geboortedatum] 2006. Eiser heeft verklaard dat hij is ontvoerd door Al-Shabaab. Tijdens het halen van water is hij ontsnapt. Eiser is daarna gevlucht naar zijn oom in Mogadishu. Omdat zijn oom hem had verteld dat hij niet veilig was in Mogadishu, is eiser gevlucht. Vanuit Mogadishu is eiser vertrokken naar Griekenland, waar hij een vluchtelingenstatus heeft verkregen. Eiser vreest bij terugkeer naar Somalië voor rekrutering door de Al-Shabaab. Het bestreden besluit 9. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende twee relevante elementen: identiteit, nationaliteit en herkomst; en problemen met Al-Shabaab. 10. Ten aanzien van het eerste asielmotief heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat eisers nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn, maar zijn identiteit niet. Ook het tweede asielmotief vindt de minister niet geloofwaardig. Eiser heeft zijn identiteit en de problemen met Al-Shabaab niet onderbouwd met objectieve documenten. De minister heeft vervolgens aan de hand van de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) beoordeeld of de asielmotieven alsnog geloofwaardig zijn. Volgens de minister is dat niet het geval. De verklaringen van eiser over zijn identiteit vormen volgens de minister geen samenhangend en aannemelijk geheel, omdat eiser in Griekenland heeft verklaard dat zijn geboortedatum [geboortedatum] 2005 is, terwijl hij in Nederland een geboortedatum van [geboortedatum] 2006 heeft opgegeven. Daarnaast heeft eiser summier, vaag en wisselend verklaard over de door hem gestelde problemen met Al-Shabaab. De minister concludeert daarom dat de verklaringen van eiser over de problemen met Al-Shabaab geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. 11. De minister stelt verder dat uit de verklaringen van eiser niet blijkt dat hij een gegronde vrees heeft voor vervolging, en dat zijn afkomst uit Somalië op zichzelf onvoldoende is. Bovendien is er volgens de minister geen sprake van een risico dat eiser slachtoffer wordt van willekeurig geweld. Zo zijn de problemen met Al-Shabaab als ongeloofwaardig beschouwd, en is eiser afkomstig uit Goobweyn, een gebied waar Al-Shabaab actief is, maar dat niet onder hun controle staat. 12. Gelet op het voorgaande komt eiser volgens de minister niet in aanmerking voor een asielvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a of b, van de Vw. Eisers asielaanvraag is als kennelijk ongegrond afgewezen op grond van artikel 30b van de Vw, omdat eiser de minister heeft misleid over zijn identiteit en zijn verklaringen kennelijk inconsequent en tegenstrijdig zijn. Eiser moet Nederland onmiddellijk verlaten. Omdat eiser beschikt over een verblijfsvergunning in Griekenland, heeft de minister geen inreisverbod opgelegd. Geloofwaardigheidsbeoordeling 13. De rechtbank stelt vast dat eiser in zijn inleidend beroepschrift heeft aangevoerd dat de minister ten onrechte stelt dat het asielrelaas, dat aan de Griekse verblijfsvergunning ten grondslag ligt, op enkele punten afwijkt van zijn asielrelaas in de Nederlandse procedure. Eiser had nog geen toegang tot de relevante stukken uit het Griekse dossier en kon dit daarom niet goed bespreken met zijn gemachtigde. Volgens eiser doen deze verschillen bovendien geen afbreuk aan de kern van zijn belangrijkste asielmotief: de rekrutering door Al-Shabaab. Daarnaast heeft eiser verzocht om een nadere termijn voor het aanvoeren van beroepsgronden, maar de rechtbank heeft geen aanvullende beroepsgronden meer ontvangen. 14. Naar het oordeel van de rechtbank kunnen de beroepsgronden uit het inleidend beroepschrift niet leiden tot vernietiging van het bestreden besluit. Het standpunt van eiser dat de minister ten onrechte stelt dat het asielrelaas waarop de Griekse verblijfsvergunning is gebaseerd, op enkele punten afwijkt van zijn asielrelaas in de Nederlandse procedure, kan de rechtbank namelijk niet volgen. De rechtbank motiveert dit als volgt. 15. De rechtbank overweegt allereerst dat de minister zich in het bestreden besluit op het standpunt heeft kunnen stellen dat de identiteit van eiser niet met zekerheid kan worden vastgesteld, omdat de verklaringen van eiser over zijn geboortedatum geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Eiser heeft immers in Nederland verklaard dat hij op [geboortedatum] 2006 is geboren, terwijl hij in Griekenland heeft verklaard dat zijn geboortedatum [geboortedatum] 2005 is. Omdat eiser in Griekenland zelf heeft verklaard dat hij op [geboortedatum] 2005 is geboren, volgt de minister eiser niet in zijn stelling dat de Griekse autoriteiten zijn leeftijd verkeerd hebben vastgesteld. Hiermee is de minister in het bestreden besluit voldoende gemotiveerd ingegaan op de zienswijze van eiser. Omdat eiser in beroep niet heeft aangegeven waarom de motivering van de minister op dit punt tekortschiet, heeft de minister deze tegenwerping ten grondslag mogen leggen aan het bestreden besluit. 16. De rechtbank overweegt verder dat de minister zich ook ten aanzien van de problemen met Al-Shabaab op het standpunt heeft kunnen stellen dat de verklaringen van eiser mede gelet op het Griekse dossier geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen, en dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. De minister heeft in dit verband terecht erop gewezen dat uit het Griekse dossier – anders dan uit de verklaringen van eiser tijdens de gehoren in de Nederlandse procedure – blijkt dat eiser heeft verklaard dat hij is ontvoerd, zeven dagen is vastgehouden, is ontsnapt na een schietincident en daarna de rivier is overgestoken om zijn moeder te bereiken. Zo merkt de rechtbank op dat eiser in Nederland heeft verklaard dat hij tijdens het halen van water is ontsnapt door weg te rennen en daarna is verdwaald. Via omstanders, een vrouw en haar man, is hij vervolgens naar het familiehuis gebracht waar zijn moeder was. Anders dan eiser stelt, overweegt de rechtbank dat deze verschillen afbreuk doen aan de kern van zijn asielmotief. In zoverre heeft de minister dan ook kunnen tegenwerpen dat eiser kennelijk tegenstrijdig heeft verklaard over zijn asielmotief. 17. Verder heeft de minister aan eiser tegengeworpen dat hij kennelijk tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over de problemen met Al-Shabaab, doordat hij tijdens het politieverhoor heeft verklaard nog nooit door hen te zijn benaderd, terwijl hij in het nader gehoor heeft verklaard wél benaderd te zijn. Volgens de minister heeft eiser hiervoor geen afdoende verklaring gegeven. Daarnaast heeft de minister tegengeworpen dat eiser summier en vaag heeft verklaard over het moment van bedreiging en de ontvoering, dat zijn verklaring over rekrutering is gebaseerd op vermoedens, en dat hij wisselende verklaringen heeft afgelegd over wat Al-Shabaab tegen hem heeft gezegd en over het moment waarop hij water moest halen. Deze tegenwerpingen heeft eiser in beroep niet bestreden. 18. Dat eiser aanvankelijk geen toegang had tot het Griekse dossier en dit niet goed kon bespreken met zijn gemachtigde, leidt niet tot een ander oordeel. In beroep heeft eiser namelijk niet concreet toegelicht op welke punten de geloofwaardigheidsbeoordeling tekortschiet. De hiervoor onder rechtsoverweging 17 besproken tegenwerpingen zijn niet betwist en kunnen het besluit dragen. Bovendien heeft eiser bij het bestreden besluit alsnog toegang gekregen tot het Griekse dossier, waardoor hij de gelegenheid heeft gehad het dossier met zijn gemachtigde te bespreken en hierover beroepsgronden aan te voeren. Dit heeft eiser echter niet gedaan. Het gestelde zorgvuldigheidsgebrek dat eiser niet eerder toegang had tot het Griekse dossier, vormt dan ook geen grond voor vernietiging van het bestreden besluit. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 19. De minister heeft de aanvraag kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. B. Fijnheer, rechter, in aanwezigheid van mr. F.J. Attema, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op 17 juni 2026. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Zaak 26.4531