← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:20029

Rechtbank Den Haag · 2026-07-16 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL25.42736, NL25.42738 en NL25.42740
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
20.178 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Beroep – asiel – kennelijk ongegrond – geloofwaardigheidsbeoordeling – vrees – belang van het kind.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummers: NL25.42736, NL25.42738 en NL25.42740 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser [eiseres 1] , eiseres 1 [eiseres 2] , eiseres 2 hierna samen: eisers V-nummers: [V-nummer 1] , [V-nummer 2] en [V-nummer 3] (gemachtigde: mr. K.S. Kort), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. S.J.R.R. Brock). Procesverloop Bij de besluiten van 28 augustus 2025 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de asielaanvragen van eisers afgewezen als kennelijk ongegrond. Eisers hebben afzonderlijk beroepen ingesteld tegen de bestreden besluiten. De rechtbank heeft de beroepen op 4 juni 2026 gezamenlijk op zitting behandeld. Eisers zijn hierbij verschenen, bijgestaan door hun gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen Eisers zijn respectievelijk geboren op [geboortedag 1] 1993, [geboortedag 2] 1989 en [geboortedag 3] 2008 en hebben de Colombiaanse nationaliteit. Eiseres 1 is de moeder van eiseres 2. Eiser is de partner van eiseres 1 en de stiefvader van eiseres 2. Eisers hebben op 29 november 2023 asielaanvragen ingediend. Hieraan hebben zij het volgende ten grondslag gelegd. Eiser is een sociaal leider in zijn omgeving. Hij heeft op 20 en 27 augustus 2023 twee pamfletten ontvangen vanuit een bende genaamd Los Costenos. Zij eisten geld en dreigden anders zowel eiser als zijn familie te vermoorden. Eisers hebben hiervan aangifte gedaan en zijn naar [plaats] verhuisd, waar zij verbleven bij de moeder van eiseres 1. Eiseres 2 werd hierna op het schoolplein aangesproken door een man op een motor. Zij heeft deze man per ongeluk het nieuwe adres van eisers verteld, waarna op 7 oktober 2023 opnieuw een man op een motor naar het adres van eisers is gekomen. Hij zou het op eiser hebben gemunt en zijn pistool hebben gepakt, toen opeens de politie de straat in kwam. Op dat moment hebben eisers besloten Colombia te verlaten. Eisers vrezen bij terugkeer naar Colombia voor de Los Costenos. Bij de bestreden besluiten heeft verweerder de asielaanvragen van eisers afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers geloofwaardig. Verweerder acht het echter niet geloofwaardig dat eiser een sociaal leider is. Eiser voldoet niet aan de term 'sociaal leider' en de door hem overgelegde stukken onderbouwen zijn gestelde rol niet. Ook komen eisers verklaringen niet overeen met de definitie van een sociaal leider en kan hij ook niet onderbouwen dat hij een politiek leider is. Eisers hebben hun asielaanvragen niet onverwijld ingediend en daarvoor geen goede verklaring gegeven. Dat eiser problemen heeft met de Los Costenos acht verweerder ook niet geloofwaardig. Niet valt volgens verweerder in te zien dat eiser na de aanslag op zijn leven op hetzelfde adres van zijn schoonmoeder is gebleven, indien hij eerder na de ontvangst van een pamflet reeds zijn woning heeft verlaten. Ook valt niet in te zien dat eiser op hetzelfde adres verblijft nadat zijn stiefdochter had verteld dat iemand hem zoekt. De inhoud van de aangiftes en verklaringen van eiser en zijn partner over de problemen met de Los Costenos komen niet overeen. De vrees van eisers dat zij bij terugkeer naar Colombia worden vermoord door de Los Costenos is gelet op het voorgaande dan ook niet aannemelijk gemaakt. Verweerder verwijst in de bestreden besluiten van eiseressen naar de ongeloofwaardig geachte problemen met Los Costenos in het bestreden besluit van eiser. Aan eiseres 2 wordt, ondanks het door haar overgelegde document van de Jeugd GGZ, geen uitstel van vertrek verleend. Uit dit overgelegde document volgt niet dat zij momenteel onder medische behandeling staat in Nederland. Eisers zijn het niet eens met de bestreden besluiten en voeren daartoe het volgende aan. Anders dan verweerder stelt, heeft eiser in de zienswijze voldoende gemotiveerd waarom de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals bedoeld in de Werkinstructie 2024/6 (hierna: WI 2024/6) in strijd is met artikel 4 van de Definitierichtlijn. Verweerder is niet overgegaan tot een integrale geloofwaardigheidsbeoordeling, nu onduidelijk is gebleven op welke wijze de verklaringen en overgelegde documenten van eiser in onderlinge samenhang zijn bezien. Ook zijn de in de WI 2024/6 geformuleerde cumulatieve voorwaarden uit artikel 31, zesde lid, van de Vw in strijd met de Definitierichtlijn en is niet gebleken op welk wijze de overige onderdelen van artikel 31, zesde lid, van de Vw en het voordeel van de twijfel zijn betrokken in de geloofwaardigheidsbeoordeling. Verweerder heeft ten onrechte aan eisers tegengeworpen dat een maand na aankomst indienen van de asielaanvragen in Nederland twijfel oproept over de oprechtheid van de asielaanvragen en de ernst van de gestelde problemen. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd waarom eiser niet voldoet aan de definitie van een sociaal leider en stelt ten onrechte dat eisers verklaringen hieromtrent geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Niet is gebleken dat verweerder alle door eiser overgelegde verklaringen en documenten over de Los Costenos in onderlinge samenhang heeft beoordeeld. Verweerder gaat er ten onrechte aan voorbij dat ook eiseressen slachtoffers zijn van de bedreigingen van Los Costenos. Dat eiser het primaire doelwit is, maakt niet dat eiseressen geen vrees hebben voor een terugkeer naar Colombia. Het bestreden besluit van eiseres 2 bevat een motiveringsgebrek door ten aanzien van de vrees voor Los Costenos te verwijzen naar het besluit van eiser. Verweerder heeft ten onrechte niet gereageerd op het standpunt van eiseres 2 in de zienswijze dat ook haar vertrek uit Colombia een indicatie oplevert van de ernst van de bedreigingen. Verweerder heeft niet gemotiveerd op welke wijze rekening is gehouden met de belangen van de kinderen. Eisers verwijzen hiermee ook naar de belangen van het éénjarige dochtertje van eiser en eiseres 1, [persoon] . Verweerder legt ten onrechte de bewijslast van het belang van het kind bij eiseres 2 en niet is gebleken dat het belang van de kinderen als eerste overweging is betrokken. Daarbij kan een terugkeer naar Colombia nadelige gevolgen hebben voor de gezondheid van eiseres 2. De rechtbank oordeelt als volgt. Werkinstructie 2024/6 (WI 2024/6) 5. Verweerder heeft in het bestreden van eiser besluit voldoende uiteengezet op welke wijze alle overgelegde verklaringen en documenten in samenhang zijn bezien, alsmede op welke wijze de integrale geloofwaardigheidsbeoordeling van verweerder heeft plaatsgevonden. Het is niet onredelijk dat verweerder eerst beoordeelt of eiser objectieve documenten heeft ingediend ter staving van zijn asielaanvraag. Verweerder heeft in dit kader kunnen constateren dat eiser zijn asielrelaas niet met objectieve stukken heeft onderbouwd, zoals bedoeld in stap 2a van de WI 2024/6. Daarbij heeft verweerder kunnen betrekken dat aan steunbetuigingen, subjectieve verklaringen of alternatieve geloofwaardigheidsbeoordelingen van derde partijen door verweerder slechts beperkte waarde wordt toegekend, omdat deze niet op geloofwaardigheid kunnen worden beoordeeld. Verweerder heeft hierna niet zonder meer het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig geacht, maar heeft doorgetoetst aan eisers verklaringen zoals bedoeld in stap 2b van de WI 2024/6. Verweerder dient volgens stap 2b rekening te houden met de omstandigheid dat van de vreemdeling doorgaans niet verwacht kan worden dat hij zijn relaas volledig met bewijsmateriaal staaft. Ook volgen uit het besluit van eiser geen aanknopingspunten voor de conclusie dat verweerder het asielrelaas op voorhand ongeloofwaardig vindt wegens het gebrek aan objectieve documenten. Uit het bestreden besluit van eiser volgt dat verweerder de geloofwaardigheid van de verklaringen heeft beoordeeld en deze verklaringen ongeloofwaardig vindt, omdat ze geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De rechtbank volgt eiser niet in zijn standpunt dat door verweerder slechts enkele tegenstrijdigheden zijn tegengeworpen, zonder inachtneming van de algehele geloofwaardigheid van eisers verklaringen. Uit het bovenstaande volgt genoegzaam dat verweerder de geloofwaardigheid van eisers asielrelaas integraal heeft beoordeeld. Ook voorts is niet gebleken dat verweerder andere door eiser overgelegde stukken nadrukkelijk buiten beschouwing heeft gelaten. De geloofwaardigheidsbeoordeling is gebaseerd op de voorwaarden vermeld in artikel 4, vijfde lid, van de Definitierichtlijn, die zijn geïmplementeerd in artikel 31, zesde lid, van de Vw. De rechtbank ziet daarom geen aanleiding voor het oordeel dat de toepassing van de geloofwaardigheidsbeoordeling zoals neergelegd in WI 2024/6 zonder meer leidt tot strijdigheid met het Unierecht. 6. Anders dan eiser aanvoert was verweerder niet gehouden om te motiveren of eiser het voordeel van de twijfel moest worden gegund, aangezien dit pas aan de orde is indien wordt voldaan aan alle voorwaarden van artikel 31, zesde lid, van de Vw. Artikel 31, zesde lid, onder d, van de Vw 7. Verweerder heeft zich op het standpunt kunnen stellen dat eisers niet voldoen aan de voorwaarde van artikel 31, zesde lid, onder d, van de Vw, nu zij niet zo spoedig mogelijk hun asielaanvragen hebben ingediend en daarvoor geen goede reden hebben gegeven. Verweerder heeft hiertoe kunnen overwegen dat het in lijn der verwachting ligt dat eisers zo spoedig mogelijk na hun aankomst in Nederland hun verzoek om internationale bescherming kenbaar maken. Verweerder motiveert ter zitting dat een termijn van 48 uur hiertoe redelijk wordt geacht. Eisers hebben echter ruim drie weken gewacht met het indienen van hun asielverzoek en verbleven in de tussentijd bij een familielid in Nederland. Verweerder concludeert terecht dat uit dit handelen geen noodzaak tot bescherming is af te leiden. Verweerder heeft hierbij kunnen betrekken dat indien de situatie in Colombia voor eiser van levensbedreigende aard zou zijn, mag worden verwacht dat hij direct bescherming inroept en de situatie niet nog bijna een maand afwacht. Voor zover eiser aanvoert dat zijn dochter [persoon] bij aankomst in Nederland ziek was en dat eiseres 2 bij aankomst in Nederland in een depressie zat, heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat dit niet is aan te merken als verschoonbare redenen. Verweerder heeft hierbij kunnen betrekken dat uit de verklaringen van eiseres 2 volgt dat [persoon] na één week beter was en dat eiser en zijn gezin ook na het aanmelden bij de autoriteiten hadden kunnen uitzieken en de steun van de familie hadden kunnen ontvangen. Sociaal leider 8. De rechtbank stelt allereerst vast dat niet door partijen wordt betwist wat de definitie is van een sociaal leider. Verweerder heeft in het bestreden besluit van eiser voldoende gemotiveerd waarom hij niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij een rol als sociaal leider toebedeeld heeft gekregen. Anders dan eiser aanvoert, heeft verweerder hiertoe alle overgelegde documenten en verklaringen integraal betrokken bij de beoordeling van dit asielmotief. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat de erkenning als sociaal leider komt van de naaste omgeving en niet door slechts het bekleden van een functie binnen een organisatie. Verweerder stelt daarom niet ten onrechte dat van eiser mag worden verwacht dat hij kan onderbouwen op welke wijze hij als sociaal leider wordt aangemerkt en dat eiser hierin niet is geslaagd. Eiser heeft in zijn verklaringen benoemd welke werkzaamheden hij heeft verricht die volgens hem maken dat hij als een sociaal leider moet worden gezien. Verweerder heeft daarover terecht overwogen dat deze werkzaamheden niet voldoen aan de beschrijving van een sociaal leider. Verder heeft verweerder hierbij het door eiser overgelegde verslag van de [stichting] betrokken en het standpunt kunnen innemen dat verweerder ook daarmee niet heeft kunnen aantonen dat hij daadwerkelijk een (sociaal) leider is. Verweerder heeft hierover kunnen overwegen dat dit verslag wordt aangemerkt als een verslag dat is opgesteld door een derde en dat aan dit document beperkte waarde wordt toegekend, omdat de echtheid van verklaringen van derden niet kan worden onderzocht. Ook heeft verweerder kunnen betrekken dat uit het verslag niet blijkt wat eiser aan werkzaamheden deed en dat eiser zelf heeft verklaard medeoprichter te zijn, maar in het verslag wordt genoemd als sub-directeur. Verweerder stelt terecht dat uit het verslag van de stichting niet blijkt wat specifiek eisers aandeel is geweest als sub-directeur bij de stichting en wat maakt dat hij daarom als sociaal leider moet worden beschouwd. Los Costenos 9. Anders dan eiser aanvoert, blijkt uit het voornemen en het bestreden besluit genoegzaam dat verweerder alle informatie ten aanzien van de asielaanvraag van eiser in onderlinge samenhang heeft beoordeeld. Verweerder heeft zich voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat niet valt in te zien dat eiser na de gestelde aanslag op zijn leven bij het huis van zijn schoonmoeder, nog meerdere dagen op dit adres heeft verbleven. Dit heeft verweerder bevreemdend kunnen vinden. Daarbij heeft verweerder kunnen tegenwerpen dat eiser hiervoor geen goede verklaring heeft gegeven, terwijl zij eerder hun eigen woning binnen 25 minuten hebben verlaten na het ontvangen van een pamflet gericht aan eiser. Ook heeft verweerder kunnen meewegen dat uit eisers verklaringen blijkt dat zij een sociaal vangnet hebben in Colombia waarbij zij om hulp of onderdak zouden kunnen vragen. Ook heeft verweerder voldoende gemotiveerd dat niet valt in te zien dat eiseres 2, na op de hoogte te zijn gesteld van de pamfletten gericht aan eiser, de verhuizing van het gezin en het gegeven ultimatum, informatie deelt dan wel bevestigt aan een onbekende man die haar vraagt waar eiser woont. Verweerder heeft het gedrag van eiseres 2 in deze context onnavolgbaar kunnen vinden. Verweerder stelt verder niet ten onrechte dat het bevreemdende gedrag op zichzelf niet maakt dat het asielmotief ongeloofwaardig wordt geacht, maar dat het niet positief meeweegt in de geloofwaardigheidsbeoordeling. 10. Voor zover eisers ter zitting het standpunt innemen dat de EUAA oppert om terughoudend om te gaan met verklaringen van een kind ten opzichte van de verklaringen van diens ouders en dat de door eiseres 2 gedeelde informatie over de verblijfplaats van eiser ten onrechte wordt tegengeworpen, heeft verweerder niet ten onrechte overwogen dat eiseres 2 een eigen gehoor heeft gekregen en daarmee ook haar verklaringen mogen worden betrokken bij de algehele beoordeling van de geloofwaardigheid van de asielmotieven. De aangifte tegen Los Costenos Verweerder heeft voldoende gemotiveerd waarom de verklaringen van eiser en eiseres 1 over het verloop en de inhoud van de aangiftes tegen Los Costenos verwarring scheppen vanwege de verschillen in de verklaringen daarover en daarom afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van de aangifte. Verweerder heeft daartoe kunnen overwegen dat mag worden verwacht dat de woorden van eisers in de aangifte worden genoteerd zoals deze door hen zijn gezegd. Ook heeft verweerder voldoende gemotiveerd waarom niet wordt gevolgd dat de verbalisant, ondanks eisers verklaringen over Los Costenos, Los Costenos niet noemt in de aangifte terwijl de aangifte jegens hen is gericht. Verweerder heeft aan eiser kunnen tegenwerpen dat uit de kopie van de overgelegde aangifte volgt dat deze op 23 oktober 2023 is ontvangen, en dat in dit document is opgenomen dat eiser op 31 oktober 2023 aangifte heeft gedaan. Verweerder stelt terecht dat dit niet overeen komt met de verklaringen van eiser waarin hij stelt op 2 september 2023 aangifte te hebben gedaan. De door eisers daarvoor gegeven verklaring heeft verweerder onvoldoende kunnen vinden om de tegenstrijdigheid weg te nemen. Ook heeft verweerder kunnen meewegen dat eisers tegenstrijdig hebben verklaard op de vraag of er aangifte is gedaan tegen de gestelde aanslag op eisers leven. Zo verklaart eiser dat deze aangifte zou zijn samengevoegd met het incident van 2 september 2023 en dat zijn verklaringen officieel zijn opgenomen en toegevoegd aan het dossier, terwijl eiseres 1 heeft verklaard dat tegen de aanslag op eisers leven nooit aangifte is gedaan. Verweerder stelt terecht dat op geen enkele manier uit de overgelegde aangifte blijkt dat de incidenten zouden zijn samengevoegd. Verweerder stelt zich gelet op het bovenstaande voldoende gemotiveerd op het standpunt dat de niet strokende verklaringen van eisers over de tijdlijn van de gebeurtenissen, afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van de aangifte. Ernstige bedreigingen eiseressen 11. Verweerder heeft zich in de bestreden besluiten van eiseressen voldoende gemotiveerd op het standpunt gesteld dat de bedreigingen van eiser door Los Costenos ongeloofwaardig worden geacht. Voor een toelichting van de ongeloofwaardigheid van deze problemen verwijst verweerder niet ten onrechte naar het besluit van eiser. Gelet op de samenhang in de zaken van eisers, volgt de rechtbank eiseressen niet in hun standpunt dat de verwijzing naar het bestreden besluit van eiser in dit geval leidt tot een motiveringsgebrek. Voorts stelt verweerder zich ter zitting niet ten onrechte op het standpunt dat wordt uitgegaan van de ongeloofwaardigheid van de door eiser gestelde problemen met de Los Costenos en dat daarmee ook de gestelde vrees van eiseressen voor Los Costenos niet wordt gevolgd. Ook is gesteld noch gebleken dat eiseressen persoonlijke problemen dan wel een persoonlijke vrees hebben aangevoerd die door verweerder onvoldoende is betrokken bij de beoordeling van hun asielaanvragen. Belang van de kinderen 12. Voor zover eiseressen aanvoeren dat verweerder de belangen van de kinderen onvoldoende heeft betrokken bij de beoordeling van de asielaanvragen van eisers, volgt de rechtbank dit niet. Eisers hebben onvoldoende gemotiveerd op welke wijze het gestelde belang van de kinderen om samen met de rest van het gezin te kunnen opgroeien zonder een risico te lopen op afpersing of bendegeweld, wordt geschonden middels de huidige beoordeling van verweerder. De rechtbank betrekt hierbij dat de door eisers gestelde problemen door verweerder niet ten onrechte ongeloofwaardig worden geacht en dat ook het risico op ernstige schade door verweerder niet wordt gevolgd. Conclusie 13. Verweerder heeft de asielaanvragen van eisers kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw, nu eisers zich zonder gegronde reden pas ruim drie weken na binnenkomst in Nederland hebben gemeld voor asiel. De beroepen zijn ongegrond. 13. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 16 juli 2026 door mr. E.F. Bethlehem, rechter, in aanwezigheid van mr. Y. Chakur, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl . Deze uitspraak is bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Op grond van artikel 31, eerste lid, Vw en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Richtlijn 2011/95. Eiser verwijst naar het Algemeen Ambtsbericht Colombia van 24 juni 2024. Zie hiervoor bijvoorbeeld de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 19 december 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:21853. De rechtbank verwijst onder meer naar de uitspraak van 25 juni 2025 en 8 september 2025 met de kenmerken ECLI:NL:RBDHA:2025:11149 en ECLI:NL:RBDHA:2025:16613.