ECLI:NL:RBDHA:2026:19811
Rechtbank Den Haag · 2026-07-10 · Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Beroep gegrond. De rechtbank constateert dat de minister in het bestreden besluit weliswaar concludeert dat eiser geen verblijfsvergunning krijgt op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, omdat de geloofwaardig geachte asielmotieven niet te herleiden zijn tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag. De minister heeft echter nagelaten om dit in het bestreden besluit te motiveren. De minister heeft namelijk niet inzichtelijk gemaakt waarom de door eiser gestelde feiten en omstandigheden niet leiden tot verlening van de vluchtelingenstatus.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL25.40510 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser (gemachtigde: mr. A.M. Veld), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. P.J. Halbesma). Procesverloop 1. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 1 augustus 2025 deze aanvraag in de verlengde asielprocedure ingewilligd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet . 1.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 1.2. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 24 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, L. Nuur als tolk en de gemachtigde van de minister. 2. Op 22 mei 2026 heeft de rechtbank het onderzoek heropend en de minister verzocht te reageren op de omstandigheid dat de Eerste Kamer de Wet invoering Tweestatusstelsel op 21 april 2026 heeft aangenomen. Op 5 juni 2026 heeft de minister hierop gereageerd. Namens eiser is op 15 juni 2026 gereageerd. Vervolgens heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Beoordeling door de rechtbank Wat is het standpunt van de minister in het bestreden besluit? 3. Eiser is geboren op [geboortedatum] 2008 en heeft de Somalische nationaliteit. In het bestreden besluit stelt de minister zich op het standpunt dat de verklaringen over de identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig zijn. De minister vindt eisers verklaringen over zijn problemen met Al Shabaab ongeloofwaardig. De asielaanvraag van eiser is ingewilligd op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. Eiser krijgt geen verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, omdat de geloofwaardig geachte asielmotieven niet te herleiden zijn tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag. Uit eisers verklaringen blijkt niet dat hij een gegronde vrees voor vervolging heeft. Dat eiser uit Somalië komt is op zichzelf niet genoeg om een vluchteling te zijn. Verder stelt de minister dat eisers vrees voor discriminatie bij terugkeer naar Somalië onvoldoende zwaarwegend is. Het is uit eisers verklaringen niet gebleken dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal niveau kan functioneren in Somalië. Eiser heeft kunnen werken, had toegang tot de medische zorg en kon eten en drinken kopen in Somalië. Hieruit blijkt dat hij niet beperkt werd door zijn stamafkomst. Eiser is afkomstig uit Shibis, Mogadishu. Dit is geen gebied dat onder controle staat van Al Shabaab. Dat betekent echter niet dat Al Shabaab geheel afwezig is. Nu eiser de recente aanwezigheid van Al Shabaab op geen enkele wijze heeft onderbouwd met bronnen, valt hij niet onder het beleid van systematische blootstelling. Tot slot stelt de minister zich op het standpunt dat eiser niet onderbouwd heeft met bronnen waaruit blijkt dat hij een reëel risico loopt het slachtoffer te worden van ernstige schade op grond van artikel 15, onder c van de Kwalificatierichtlijn. Heeft eiser procesbelang bij zijn beroep? 4. De minister stelt zich in het verweerschrift en op zitting op het standpunt dat eiser geen procesbelang heeft bij de beoordeling van het beroep en dat het beroep om die reden niet-ontvankelijk verklaard moet worden. Uit vaste rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) volgt dat de vreemdeling, indien hij reeds over een verblijfsvergunning asiel beschikt, tegen dat oordeel van de minister dat geen vergunning wordt verleend als verdragsvluchteling op de a-grond, kan opkomen bij het besluit tot intrekking of de weigering tot verlenging van de aan hem verleende verblijfsvergunning. De Afdeling heeft op 25 maart 2022 bevestigd dat een wijziging van de verleningsgrond van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet leidt tot een gunstigere positie. Ook kan het procesbelang niet worden ontleend aan een toekomstige onzekere gebeurtenis, zoals de uitkomst van een wetgevings- procedure. De minister verwijst naar de uitspraken van de Afdeling van 21 november 2025 . Daarom kan het procesbelang niet worden ontleend aan het aanhangige wetsvoorstel Tweestatusstelsel. In de brief van 5 juni 2026 heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat eiser vanaf 12 juni 2026 procesbelang zal hebben bij de beoordeling van de vraag of terecht de vluchtelingstatus is onthouden. 5. De rechtbank ziet zich daarom eerst voor de vraag gesteld of eiser procesbelang heeft bij de beoordeling van zijn beroep. Een belanghebbende kan bij de daartoe bevoegde rechter tegen een besluit opkomen, indien hij of zij daarbij een belang heeft. Daarvan is sprake wanneer het instellen van het rechtsmiddel ertoe kan leiden dat de belanghebbende in een gunstigere positie zou kunnen komen. 5.1. De rechtbank stelt allereerst vast dat de Eerste Kamer de Wet invoering Tweestatusstelsel op 21 april 2026 heeft aangenomen en dat de wet op 12 juni 2026 in werking is getreden. De uitkomst van de wetgevingsprocedure is dan ook geen onzekere toekomstige gebeurtenis meer. De rechtbank stelt vervolgens vast dat de consequentie van de Wet invoering Tweestatusstelsel is, dat er andere rechten en voorwaarden kunnen worden toegekend aan subsidiair beschermden dan aan personen met de vluchtelingenstatus. Met een wijziging van de verleningsgrond van de verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd kan eiser dus in een gunstigere positie komen. Eiser heeft, gelet op het voorgaande, procesbelang en de rechtbank behandelt het beroep daarom inhoudelijk. Heeft de minister voldoende gemotiveerd of eiser wordt aangemerkt als verdragsvluchteling? Het betoog van eiser 6. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en stelt dat hij dient te worden aangemerkt als een verdragsvluchteling. Eiser vreest bij terugkeer opnieuw gediscrimineerd te worden. Mensen van andere clans kwamen niet in de winkel waar eiser werkte. Eiser moest naar een andere school (een kamer), omdat hij geen toegang had tot onderwijs. Ook ten aanzien van de medische hulp waren er grote belemmeringen. Zijn vader heeft ook geen bescherming gekregen van de autoriteiten toen hij hierom had verzocht. Het oordeel van de rechtbank 7. De rechtbank constateert dat de minister in het bestreden besluit weliswaar concludeert dat eiser geen verblijfsvergunning krijgt op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw, omdat de geloofwaardig geachte asielmotieven niet te herleiden zijn tot één van de gronden van het Vluchtelingenverdrag . De minister heeft echter nagelaten om dit in het bestreden besluit te motiveren. De minister heeft namelijk niet inzichtelijk gemaakt waarom de door eiser gestelde feiten en omstandigheden niet leiden tot verlening van de vluchtelingenstatus. Bovendien heeft de minister niet gemotiveerd waarom de minister eisers verklaringen over zijn problemen met Al-Shabaab ongeloofwaardig vindt. Dit levert een motiveringsgebrek op. De minister dient te onderzoeken of eiser kan worden aangemerkt als verdragsvluchteling. Wanneer de minister van mening is dat de vluchtelingenstatus niet wordt verleend, zal de minister in een (voornemen en) nieuw besluit deugdelijk moeten motiveren waarom deze afgewezen wordt. Temeer nu de beide statussen in de Wet invoering Tweestatusstelsel geen gelijke rechten kennen. De beroepsgrond slaagt. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep zal gegrond worden verklaard omdat het bestreden besluit in strijd is met het motiveringsbeginsel. De rechtbank zal daarom het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing te nemen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen. 8.1. De rechtbank bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. Alvorens de minister een nieuw besluit neemt dient de minister een voornemen van dit besluit aan eiser kenbaar te maken en eiser de gelegenheid te bieden hierover een zienswijze in te dienen. 8.2. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit van 1 augustus 2025; - draagt de minister op een voornemen en nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak; - veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.W.M. Bunt, rechter, in aanwezigheid van mr. T.C. Kasper-Kleve, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Vreemdelingenwet 2000 ECLI:NL:RVS:2022:906. ECLI:NL:RVS:2025:5592. Kamerstukken II 2024–2025, 36 703, nr. 3, p 4 (MvT). Zoals bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000. Met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht.