ECLI:NL:RBDHA:2026:19777
Rechtbank Den Haag · 2026-07-10 · Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Asiel; Beroep gegrond; geloofwaardigheidsbeoordeling; Poro gemeenschap; Liberia; de minister heeft het besluit onzorgvuldig voorbereid, omdat het referentiekader als minderjarige niet kenbaar is meegewogen; onvoldoende gemotiveerde ongerijmdheden.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL25.47570 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer], eiser, (gemachtigde: mr. A.M.J.M. Louwerse) en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. C.R. Stoute). Samenvatting 1.1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De rechtbank oordeelt dat de minister het referentiekader van eiser als minderjarige niet kenbaar heeft meegewogen, zodat het besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand is gekomen. Ook heeft de minister het bestreden besluit op een aantal punten onvoldoende gemotiveerd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft de minister gevraagd om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Hij stelt van Liberiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 2006. De minister heeft met het bestreden besluit van 25 september 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 29 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, L. Ankersmit als tolk en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eisers vader is in 2014 overleden. Daarna kreeg eisers moeder een relatie met een andere man. Eiser, zijn moeder en deze stiefvader woonden vanaf 2015 samen in het huis van eisers moeder in [plaats 1], Liberia. De stiefvader was een hooggeplaatst lid van het Poro-genootschap. Dat is een geheim genootschap voor mannen. De stiefvader wilde dat eiser zijn positie in het Poro-genootschap op termijn zou overnemen. Toen de stiefvader net in het huis van eisers moeder woonde, heeft hij eiser apart genomen en verteld over het Poro-genootschap. Eiser sprak in die tijd veel met zijn oom [naam 1], de broer van zijn moeder. Oom [naam 1] vertelde eiser dat zijn stiefvader slecht voor hem was. Eiser woonde vanaf 2016 bij tante [naam 2] en oom [naam 3] in [plaats 2], Liberia, zogenaamd om daar naar school te gaan maar in werkelijkheid om te ontsnappen aan de stiefvader. In 2021 heeft de stiefvader eiser en zijn broer naar het huis van hun moeder gelokt. Meerdere mensen omsingelden het huis toen. De stiefvader wilde eiser en zijn broer inwijden in het Poro-genootschap. Oom [naam 1] was er ook bij en riep tegen eiser en zijn broer dat ze snel weg moesten gaan. Eiser en zijn broer zijn toen ontsnapt en gevlucht. Daarbij heeft eisers broer een pan kokend water gegooid over iemand die de deur bewaakte, en per ongeluk ook over eiser. Eiser kan niet terug naar Liberia omdat hij vreest dat hij dan gedwongen lid wordt gemaakt van het Poro-genootschap of wordt bestraft omdat hij gevlucht is. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen: de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser; de problemen van eiser met het Poro-genootschap. 4.1. De minister stelt zich op het standpunt dat de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn, maar de problemen met het Poro-genootschap niet. De minister vindt de verklaringen van eiser daarover niet samenhangend en aannemelijk. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat zijn stiefvader lid was van het Poro-genootschap. Eiser baseert zijn verklaringen alleen maar op vermoedens van hemzelf en van oom [naam 1]. Het is onduidelijk hoe oom [naam 1] weet dat de stiefvader lid is van het Poro-genootschap. De stiefvader heeft eiser ook niet verteld dat hij zelf lid is. Daarnaast is het ongerijmd dat de stiefvader de oudere broer van eiser niet eerder heeft willen inwijden dan eiser. Bovendien heeft de stiefvader eiser niet tegengehouden toen eiser bij tante [naam 2] en oom [naam 3] in een andere plaats ging wonen. Tot slot heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat leden van het Poro-genootschap het huis van eisers moeder hebben omsingeld en eiser daar lid hebben willen maken. De minister heeft daarom de asielaanvraag afgewezen. Het toetsingskader 5. De rechtbank stelt voorop dat het aan eiser is om zijn asielrelaas aannemelijk te maken. Dat kan met documenten of met geloofwaardig geachte verklaringen. De verklaringen van eiser worden geloofwaardig geacht als is voldaan aan vijf voorwaarden (a-e). De minister werpt eiser alleen tegen dat zijn verklaringen niet voldoen aan voorwaarde c. Voorwaarde c is dat de verklaringen van eiser samenhangend en aannemelijk zijn. 5.1. De minister beoordeelt vervolgens of de geloofwaardig bevonden elementen van het asielrelaas voldoende zwaarwegend zijn om eiser aan te merken als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Als eiser geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag, beoordeelt de minister of eiser gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade, waaronder in de vorm van folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Heeft de minister het referentiekader van eiser kenbaar meegewogen? 6. Eiser voert aan dat de minister in het bestreden besluit het referentiekader van eiser niet (kenbaar) heeft meegewogen. De minister werpt eiser namelijk tegen dat hij niet samenhangend en aannemelijk heeft verklaard over gebeurtenissen die eiser als minderjarige heeft meegemaakt. Het is gebruikelijk dat volwassenen bepaalde zaken niet met kinderen delen. 6.1. De minister stelt zich op het standpunt dat hij tijdens het nader gehoor in het algemeen rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser als minderjarige, maar dat niet expliciet heeft benoemd. Toen eiser werd gehoord, was hij bovendien meerderjarig en had hij dus meer moeten verklaren. 6.2. De rechtbank oordeelt dat de minister niet kenbaar het referentiekader van eiser als minderjarige jongen heeft meegewogen, terwijl dat wel had gemoeten. Eiser was nog maar 8 à 9 jaar toen hij voor het eerst in de belangstelling van zijn stiefvader kwam te staan als toekomstig lid van het Poro-genootschap. Eiser was 14 à 15 jaar toen hij uit Liberia vluchtte. Eiser heeft er terecht op gewezen dat volwassenen minder of andere zaken bespreken met kinderen dan met andere volwassenen. Eiser hoeft dus minder te kunnen verklaren over de kennis en motieven van derden dan volwassenen. Dat eiser inmiddels meerderjarig is geworden, doet daar niet aan af. Eiser kan immers met terugwerkende kracht niet meer weten dan wat volwassenen destijds met hem als minderjarige hebben besproken. 6.2.1. De minister werpt eiser bijvoorbeeld tegen dat hij zijn verklaringen heeft gebaseerd op het vermoeden van oom [naam 1] dat de stiefvader lid is van het Poro-genootschap, zonder dat duidelijk is hoe oom [naam 1] dit kan weten. Deze verklaringen van eiser gaan over een periode waarin eiser minderjarig was. Eiser heeft verklaard dat oom [naam 1] hem toen niet heeft verteld dat hij zelf ook lid was van het Poro-genootschap. Dat heeft oom [naam 1] pas aan eiser verteld toen eiser meerderjarig was. De minister weegt dat niet mee. De minister werpt eiser ook tegen dat onduidelijk is waarom de stiefvader eiser niet heeft verteld dat hij lid is van het Poro-genootschap. Daarbij weegt de minister evenmin mee dat de stiefvader als volwassene minder of andere zaken zal hebben besproken met eiser als minderjarige dan wanneer eiser volwassen was geweest. De minister werpt eiser bovendien tegen dat niet is gebleken dat mensen van het Poro-genootschap het huis hebben omsingeld, maar weegt daarbij niet mee dat eiser als minderjarige niet (precies) hoefde te weten wie er lid zijn van het Poro-genootschap. 6.3. Omdat de minister het referentiekader van eiser niet kenbaar heeft meegewogen, is het besluit onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen. Dat betekent dat het beroep gegrond is en de minister een nieuw besluit moet nemen op de asielaanvraag. Met het oog op het nieuwe besluit dat de minister moet nemen, oordeelt de rechtbank hierna ook over de motivering van het bestreden besluit. Heeft de minister ongeloofwaardig mogen achten dat de stiefvader eiser gedwongen lid wilde maken van het Poro-genootschap? 7. Eiser voert aan dat hij aannemelijk heeft gemaakt dat zijn stiefvader hem gedwongen lid wilde maken van het Poro-genootschap. Zijn verklaringen zijn consistent en gedetailleerd. De minister heeft ook niet gemotiveerd dat er een andere reden voor de omsingeling van het huis was anders dan om eiser en zijn broer gedwongen lid te maken van het Poro-genootschap. Daarnaast heeft de minister ten onrechte een getuigenverklaring van oom [naam 1] van 10 september 2025 buiten beschouwing gelaten. Daarin heeft oom [naam 1] verklaard dat hij en eisers vader op jonge leeftijd gedwongen lid zijn gemaakt van het Poro-genootschap, dat het een slecht genootschap is en dat de stiefvader eiser ook lid wilde maken om zijn hoge positie over te nemen. Ook werpt de minister eiser ten onrechte verschillende ongerijmdheden tegen. 7.1. De minister voert aan dat eisers verklaringen slechts gebaseerd zijn op vermoedens van hemzelf en oom [naam 1]. De stiefvader heeft dit zelf niet aan eiser verteld en het is onduidelijk hoe oom [naam 1] wist dat de stiefvader lid was van het Poro-genootschap. Eiser heeft ook niet inzichtelijk gemaakt dat de stiefvader hem gedwongen lid wilde maken van het Poro-genootschap. Daarnaast is het ongerijmd dat de stiefvader niet eerst eisers oudere broer heeft willen inwijden en dat de stiefvader eiser bij tante [naam 2] en oom [naam 3] heeft laten wonen. Voorts blijkt niet dat mensen van het Poro-genootschap het huis van eisers moeder hebben omsingeld. 7.2. De rechtbank oordeelt dat de minister het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd. Zo heeft de minister de landeninformatie COI Query, Liberia, Poro secret society van de EUAA van 28 mei 2024 niet meegewogen, terwijl daaruit volgt dat er gevallen bekend zijn waarbij personen gedwongen lid zijn gemaakt van het Poro-genootschap. Ook heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom het vreemd is dat de stiefvader eiser wel wilde inwijden in het Poro-genootschap maar eisers oudere broer niet. Het is onduidelijk waarom de oudere broer eerder aan de beurt zou komen, zeker in het licht van de verklaring van eiser dat hijzelf wel een tijd deel uitmaakte van het gezin met de stiefvader maar zijn oudere broer niet. De minister heeft daarnaast onvoldoende gemotiveerd waarom het vreemd is dat de stiefvader eiser in 2016 bij zijn oom en tante heeft laten wonen. Eiser heeft immers verklaard dat de stiefvader wist waar hij was en dat hij zo bereikbaar bleef voor de stiefvader op het moment dat hij de tijd rijp vond om eiser lid te maken, wat na vijf jaar ook is gebeurd. Verder heeft de minister ten onrechte de verklaring van oom [naam 1] buiten beschouwing gelaten. Deze verklaring is immers een document dat relevant is ter ondersteuning van het asielrelaas. Tot slot heeft de minister onvoldoende gemotiveerd waarom hij eisers gedetailleerde verklaring over de ontsnapping ongeloofwaardig heeft geacht. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd dat eiser en zijn broer na de omsingeling van het huis niet kunnen zijn ontsnapt naar het naastgelegen bos, mede in het licht van de foto’s van het huis en het bos die eiser heeft overgelegd. De minister heeft daarbij ook de foto van het litteken op eisers been ten onrechte niet meegewogen, terwijl eiser heeft verklaard dat het litteken is veroorzaakt toen eisers broer tijdens de ontsnapping per ongeluk kokend water over eisers been heeft gegooid. 7.3. De beroepsgrond van eiser slaagt. Heeft de minister de vergunning op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen mogen weigeren? 8. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte heeft geweigerd om hem een vergunning te verlenen op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen, omdat er geen traceerbaar adres van eiser uit het dossier volgt. 8.1. De minister stelt zich op het standpunt dat eiser kort na de asielaanvraag achttien jaar is geworden en dat het onderzoek naar adequate opvang niet op tijd kon worden afgerond. 8.2. Deze beroepsgrond slaagt niet. Eiser heeft asiel aangevraagd op 12 augustus 2024 en is achttien jaar geworden op [geboortedatum] 2024. De rechtbank acht het aannemelijk dat het onderzoek naar adequate opvang, dat de minister moet afronden voordat hij eventueel een vergunning op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen verleent, in die korte tijd niet kon worden afgerond. De minister hoefde daarom niet meer te beoordelen of eiser met terugwerkende kracht tot aan de meerderjarigheid in aanmerking komt voor een dergelijke vergunning. Conclusie en gevolgen 9. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit onvoldoende zorgvuldig is voorbereid en onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over eisers asielaanvraag te nemen. Het is eerst aan de minister om het asielrelaas van eiser opnieuw op geloofwaardigheid en zwaarwegendheid te toetsen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen. 9.1. De rechtbank bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De minister moet inzichtelijk maken dat en hoe hij rekening houdt met het referentiekader van eiser en wat dat betekent voor de geloofwaardigheidsbeoordeling van het asielrelaas. De minister moet het nieuwe besluit ook beter motiveren op de punten die de rechtbank hiervoor in 6.4 heeft beoordeeld. De rechtbank geeft de minister acht weken om een nieuw besluit te nemen. 9.2. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit van 25 september 2025; - draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak; - veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Wilts, rechter, in aanwezigheid van mr. E.J. Snoeijer, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Artikel 4, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 31, eerste en tweede lid, van de Vw. Artikel 4, tweede en vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 31, derde en zesde lid, van de Vw. Artikel 4, vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 31, zesde lid, van de Vw. Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onder 2, van de Vw. ABRvS 26 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1622, r.o. 3.2. Artikel 3:2 van de Awb. Artikel 3:46 van de Awb. European Union Agency for Asylum. Artikel 3, derde lid, onder b, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 31, tweede en derde lid, van de Vw. ABRvS 21 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3331, r.o. 4.3. ABRvS 12 juli 2023, ECLI:NL:RVS:2023:2670, r.o. 22. In de zin van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb. In de zin van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb. In de zin van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb. In de zin van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht krijgt eiser een vergoeding voor de rechtsbijstand die zijn gemachtigde heeft verleend. Daarbij is 1 punt gerekend voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1.