← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:19751

Rechtbank Den Haag · 2026-07-14 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL26.18713, NL26.18714, NL26.18715, NL26.18716
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
41.037 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Asiel Turkije, HDP/Dem-partij, meerderjarige en drie minderjarigen, geloofwaardigheid, zwaarwegendheid, adequate opvang, belang van het kind, AMV buitenschuldvergunning, de rechtbank voorziet zelf in de zaak

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: NL26.18713 (beroep eiser 1), NL26.18714 (beroep eiseres), NL26.18715 (beroep eiser 2), NL26.18716 (beroep eiser 3) uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiser 1] , eiser 1, V-nummer: [v-nummer 1] , [eiseres] , eiseres V-nummer: [v-nummer 2] , [eiser 2] , eiser 2 V-nummer: [v-nummer 3] , [eiser 3] , eiser 3 V-nummer: [v-nummer 4] (gemachtigde: mr. J.C.E. Hoftijzer), tezamen: eisers en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. L. Den Hollander). Samenvatting 1. Eisers komen uit Turkije en behoren tot de Koerdische bevolkingsgroep. Hun familie is betrokken bij de HDP/DEM-partij, een pro-Koerdische partij in Turkije. Eisers zijn in 2023 naar Nederland gegaan en hebben een asielaanvraag ingediend. Op dat moment waren zij 16, 14, 12 en 10 jaar oud. Eiser 1 is inmiddels meerderjarig geworden, zijn zusje en broertjes zijn nog minderjarig. 1.1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvragen van eisers als bedoeld in artikel 28 van de Vw . Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Hieronder beoordeelt de rechtbank de afwijzing van ieders asielaanvraag. 1.2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de aanvragen om verschillende redenen niet in stand kan blijven. Het beroep is gegrond. Ten eerste vindt de rechtbank het asielrelaas van eiser 1 in zijn geheel geloofwaardig. Die conclusie leidt er naar het oordeel van de rechtbank toe dat aannemelijk is dat eiser 1 heeft te vrezen voor vervolging bij terugkeer. Daarom moet eiser 1 als vluchteling worden aangemerkt. Eiser 1 krijgt een verblijfsvergunning asiel. Voorts heeft verweerder de asielaanvragen van eisers niet mogen afwijzen als kennelijk ongegrond omdat zij zich niet onmiddellijk na hun aankomst hebben gemeld voor asiel; zij hadden daar immers een goede reden voor. Verder is de rechtbank van oordeel dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de beschikbaarheid van adequate opvang voor eisers in Turkije. Gelet op de informatie die inmiddels voorhanden is, is de rechtbank van oordeel dat gezegd moet worden dat van adequate opvang in Turkije, zoals bedoeld in het arrest TQ, geen sprake is voor de drie minderjarige eisers. Ook oordeelt de rechtbank dat verweerder in zijn beoordeling onvoldoende rekening heeft gehouden met het belang van het kind. Gelet op de beschikbare informatie, oordeelt de rechtbank dat het in het belang van de minderjarigen is om in Nederland te blijven en als broers en zus bij elkaar te blijven. Aan de minderjarige eisers moet een buitenschuldvergunning worden verleend. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eisers hebben op 7 en 8 augustus 2023 hun aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met de bestreden besluiten van 27 maart 2026 deze aanvragen in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Verweerder heeft daarbij bepaald dat eiser 1 uitstel van vertrek krijgt in afwachting van een definitieve beslissing op de ambtshalve beoordeling om toepassing van artikel 64 van de Vw. Eisers verbleven daarom rechtmatig in Nederland op grond van artikel 8 aanhef en onder j van de Vw. 2.1. Bij besluit van 4 mei 2026 heeft verweerder meegedeeld dat eiser 1 niet voldoet aan de voorwaarden van artikel 64 van de Vw en een terugkeerbesluit uitgevaardigd tegen eisers. 2.2. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. 2.3. De rechtbank heeft de beroepen op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eisers, de gemachtigde van eisers, D.A.H. Ahmed als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Verder was mevrouw [naam 1] aanwezig namens Stichting Nidos, en was [naam 2] aanwezig namens Vitazorg en drie tantes van eisers. Beoordeling door de rechtbank Wat betrekt de rechtbank in haar beoordeling? 3. Eisers zijn als alleenstaande minderjarige vreemdeling (AMV) naar Nederland gekomen. Het gaat om oudste broer [eiser 1] (19 jaar oud), zus [eiseres] (16 jaar oud), broer [eiser 2] (15 jaar oud) en broer [eiser 3] (13 jaar oud) . Zij hebben allen de Turkse nationaliteit. Toen zij hun asielaanvragen in Nederland indienden, waren zij 16, 14, 12 en 10 jaar oud. [eiser 1] is inmiddels meerderjarig. 3.1. Eisers behoren tot de Koerdische bevolkingsgroep. Eisers zijn vanuit Turkije met hun moeder naar Kroatië gegaan en hebben aldaar een asielaanvraag ingediend in juni 2023. Vlak voordat eisers naar Nederland kwamen, is hun moeder in verband met gezondheidsproblemen terug naar Turkije gegaan. 3.2. De vader van eisers is overleden. Hij was lid van de Halkların Demokratik Partisi (HDP), een pro-Koerdische partij in Turkije. De partij heet nu DEM Partij. De vader van eisers heeft in de gevangenis gezeten wegens zijn lidmaatschap van deze partij en de politieke activiteiten die hij verrichtte. Daarnaast zijn er andere familieleden van eisers die lid zijn van de DEM-partij en problemen hebben ervaren met de Turkse autoriteiten. Meerdere tantes en een neef van eisers hebben een asielvergunning gekregen in Nederland en waren ook betrokken bij de HDP/DEM. De familie van eisers is al jaren politiek actief in Turkije. 3.3. Eiser 1 en een neef van eisers ( [naam neef] ) zijn, toen zij met een groepje vrienden buiten zaten, beschoten in Turkije. Eiser 1 en zijn neef zijn hierna midden in de nacht door de politie vanaf huis meegenomen en verhoord gedurende een aantal uren. Na tien dagen moest eiser 1 zich weer bij de politie melden. Vervolgens zijn eisers uit Turkije vertrokken. Wat staat er in het bestreden besluit? 4. Verweerder heeft de aanvragen van eisers afgewezen als kennelijk ongegrond als bedoeld in artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h van de Vw Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en heeft daarbij de volgende elementen van het asielrelaas van eisers als relevant aangemerkt: 1. De identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers; 2. De discriminatie of problemen vanwege de Koerdische afkomst van eisers; 3. Ten aanzien van eiser 1 het incident waarbij zijn vriend [naam vriend] gewond is geraakt. 4.1. Verweerder acht alle drie de relevante elementen 1 en 2 geloofwaardig. Met betrekking tot het derde asielmotief overweegt verweerder verder dat eiser 1 geen documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van het schietincident. De verklaring van eiser 1 dat de schoten afkomstig waren van politie of militairen wordt door verweerder niet gevolgd. Verder stelt verweerder dat niet is gebleken dat het schietincident op eiser 1 was gericht. Verweerder concludeert dat er een incident is geweest waarbij de vriend van eiser 1, [naam vriend] , gewond is geraakt. 4.2. Volgens verweerder volgt uit de geloofwaardig geachte relevante elementen niet dat eisers als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag kunnen worden aangemerkt. Uit hun verklaringen blijkt namelijk niet dat zij een gegronde vrees voor vervolging hebben. Het feit dat eisers uit Turkije komen is op zichzelf niet genoeg om een vluchteling te zijn. Ook het feit dat eisers vanwege hun Koerdische afkomst zijn gediscrimineerd door de autoriteiten of medeburgers, is volgens verweerder onvoldoende om hen als vluchteling aan te merken. Voorts voldoet eiser 1 niet aan de voorwaarden van hoofdstuk C2/3.2.7 van de Vc met betrekking tot de militaire dienstplicht. Ook is het volgens verweerder niet aannemelijk dat eisers bij terugkeer, vanwege hun politieke overtuiging dan wel activiteiten, alsnog in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten komen te staan. Verder is uit de verklaringen van eisers niet gebleken dat zij vanwege hun politiek-actieve familie in de negatieve belangstelling staan van de Turkse autoriteiten. Het feit dat eisers Turkije op legale wijze probleemloos hebben kunnen verlaten in de zomer van 2023 is voorts een aanwijzing dat eisers geen daadwerkelijke persoonlijke problemen hebben met de Turkse autoriteiten en hieruit blijkt niet dat zij in de negatieve belangstelling staan. Gelet hierop hebben eisers niet aannemelijk gemaakt dat zij op dit moment in de negatieve aandacht staan van de Turkse autoriteiten of in de negatieve aandacht zullen komen te staan. Eisers krijgen daarom geen verblijfsvergunning op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. 4.3. Ook stelt verweerder zich op het standpunt dat het feit dat eisers uit Turkije komen op zichzelf niet genoeg is om een risico op ernstige schade aan te nemen. Zij krijgen daarom geen verblijfsvergunning asiel op grond van artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. 4.4. Voorts stelt verweerder zich op het standpunt dat de aanvraag van eisers kennelijk ongegrond is op grond van artikel 30b, eerste lid, onder, van de Vw. Eisers hebben namelijk niet onmiddellijk asiel aangevraagd toen dat mogelijk was en hebben hier geen goede verklaring voor. 4.5. Eisers krijgen ook geen verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid voor AMV. Voor alle eisers is adequate opvang beschikbaar in Turkije. Ten aanzien van eiser 1 is dit onderzoek gedaan tot aan het moment dat hij meerderjarig werd. Eisers hebben familie in Turkije, namelijk hun moeder, en hun oom en zijn kinderen, waar zij kunnen wonen. Ook blijkt uit hoofdstuk C7/34.6 van de Vc dat er in Turkije adequate opvang voor eisers beschikbaar is in de zin van hoofdstuk B8/6 van de Vc. Toetsingskader 5. De rechtbank stelt voorop dat zij, gelet op het arrest Ebilum van 4 juni 2026 van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) , het standpunt over de geloofwaardigheid van de door een betrokkene afgelegde verklaringen voortaan zonder enige terughoudendheid zal beoordelen. Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek moet verrichten naar de relevante feitelijke elementen. De rechtbank zal daarom alle onderdelen van het besluit over de geloofwaardigheid ‘vol’ toetsen. De rechtbank zal dus haar eigen oordeel geven over de geloofwaardigheid. Is geloofwaardig dat eiser 1 persoonlijk in de negatieve aandacht staat van de Turkse autoriteiten? 6. Eiser 1 stelt dat hij persoonlijk in de negatieve aandacht staat van de Turkse autoriteiten. Volgens het UNHCR Handboek is het voldoende als een bepaalde mening of overtuiging aan een vreemdeling wordt toegedicht om als vluchteling te worden gezien, aldus eiser. Dat geldt temeer als leden van die groep of familie al slachtoffer zijn geworden van vervolging. Gezien de achtergrond van eiser 1 (hij is een jonge Koerd, behorend tot de politiek-actieve familie [achternaam] ), kan ook hij, zonder veel eigen activiteiten waardoor hij de negatieve aandacht heeft getrokken, een gegronde vrees voor vervolging hebben. Daar komt bij dat verweerder heeft erkend dat eiser 1 een politieke mening heeft en dat hij meerdere politieke activiteiten heeft verricht. Eiser 1 stelt voorts dat verweerder ten onrechte weerspreekt dat hij onder een risicoprofiel valt, gezien zijn marginale politieke activiteiten. In dit kader wijst eiser 1 op het huidige landgebonden beleid van verweerder ten aanzien van Turkije , waarin HDP-leden en -activisten als risicoprofiel worden aangemerkt. Verweerder had de feiten van de zaak, bezien tegen de achtergrond van bijvoorbeeld het AAB Turkije 2025, in onderlinge samenhang moeten beoordelen, aldus eiser 1. Verder geeft het rapport van Vluchtelingenwerk Nederland (VWN) een invulling van de achtergrond waartegen het asielrelaas van eisers moet worden beoordeeld. In dat rapport wordt met nadruk gewezen op de risico’s die familieleden van HDP-leden lopen in Turkije. Verweerder heeft dit ten onrechte niet onder ogen gezien, aldus eisers. Voorts benadrukt eiser 1 het schietincident dat hij heeft meegemaakt. Verweerder erkent volgens eiser 1 allerlei relevante onderdelen van deze gebeurtenis, zoals het feit dat eiser afkomstig is uit een bekende Koerdische, politiek-actieve familie, dat de schietpartij in de buurt van zijn huis was, en dat de schoten pas begonnen nadat eiser zich bij de groep had gevoegd. Maar verweerder betrekt vervolgens niet de omstandigheid dat na het schietincident juist eiser en zijn neef [naam neef] midden in de nacht thuis zijn opgehaald en meegenomen door de politie voor verhoor. Verder heeft verweerder deze gebeurtenis ten onrechte niet bij het geheel van feiten en omstandigheden betrokken. Tot slot hebben eisers hieraan toegevoegd dat zij, door het behoren tot de familie [achternaam] , een politieke overtuiging krijgen toegedicht. Hun familie trekt al generaties lang de negatieve aandacht. 7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser 1 persoonlijk in de negatieve aandacht moet staan van de Turkse autoriteiten om in aanmerking te komen voor een vluchtelingenstatus en dat dit niet het geval is. Volgens verweerder is ten aanzien van het schietincident niet met zekerheid te zeggen dat de schoten afkomstig waren van politie of militairen. Ook is niet gebleken dat het schietincident op eiser 1 gericht was, omdat eiser met een groep Koerdische jongeren bij elkaar zat en hij niet is geraakt door de schoten. Ook het feit dat eiser 1 door de politie thuis is opgehaald voor verhoor direct na het schietincident maakt niet dat de schoten op hem waren gericht. Volgens verweerder is veeleer sprake van een politieonderzoek naar de toedracht van de beschieting. Voorts heeft eiser 1 geen documenten overgelegd van het verhoor dat de politie bij hem heeft afgenomen. Verweerder concludeert daarom dat er een incident is geweest waarbij de vriend van eiser 1, [naam vriend] , gewond is geraakt. Verweerder volgt niet dat het schietincident specifiek op eiser en zijn neef [naam neef] was gericht. Verweerder stelt zich voorts op het standpunt dat eiser 1 niet onder een risicoprofiel valt van het geldende landenbeleid voor Turkije. De politieke overtuiging van eiser 1 wordt aangemerkt als zwak, gezien de door hem ondernomen activiteiten. Het enkel zijn van lid van de [achternaam] familie, het feit dat eiser 1 soms met familie meeging om aan een demonstratie deel te nemen, zonder ooit lid te zijn geweest van de HDP-partij en zonder dat anderszins politieke activiteiten zijn gebleken, maakt dan ook niet dat sprake is van een toegedichte politieke overtuiging. Ten aanzien van het door eisers ingebrachte VWN-rapport stelt verweerder zich op het standpunt dat dit ziet op de algemene situatie voor HDP-leden en -aanhangers, en dat het niets zegt over de situatie van eisers persoonlijk. Met de enkele stelling dat de situatie van eisers overeenkomt met de informatie uit het bijgevoegde rapport, maken eisers niet aannemelijk dat zij specifiek in de negatieve aandacht staan van de autoriteiten. 8. De rechtbank volgt eiser 1 in zijn stelling dat aannemelijk is dat hij persoonlijk in de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten staat. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder een deel van de verklaringen van eiser 1 ten onrechte niet meegenomen bij de beoordeling van relevant element 3. Dit betreft eisers verklaring dat het groepje waar hij deel van uitmaakte is beschoten op straat vanaf het politiebureau aan de overkant van de weg door politie of militairen . En verder geldt dat voor zijn verklaring dat hij en zijn neef [naam neef] diezelfde nacht door de politie van huis zijn gehaald en zijn meegenomen naar het bureau voor verhoor, en dat eiser 1 aldaar door de politie is mishandeld en onder druk is gezet om te bekennen dat hij degene was die op zijn vriend had geschoten . Ook heeft verweerder ten onrechte niet betrokken dat eiser 1 heeft verklaard dat hij onder dwang een verklaring heeft getekend die hij niet van tevoren mocht inzien. Verweerder heeft voor het niet betrekken van deze verklaringen als reden gegeven dat eiser 1 geen schriftelijk bewijs hiervan heeft ingebracht. Die motivering vindt de rechtbank ondeugdelijk, tegen de achtergrond van het gehele relaas. Verweerder heeft alle verklaringen verder aannemelijk en samenhangend geacht en niet vaag, ongerijmd, tegenstrijdig of bevreemdend. Gezien de samenhang, authenticiteit en consistentie waarmee eiser 1 hierover heeft verklaard, acht de rechtbank ook het hiervoor weergegeven gedeelte van het asielrelaas geloofwaardig. Eiser 1 heeft verklaard hoe hij ’s nachts werd meegenomen en dat hij daarna ernstig is mishandeld door de politie. Hij omschrijft dat hij op het bureau is gescheiden van zijn neef [naam neef] , en dat hij is geschopt en geslagen. De politie probeerde ervoor te zorgen dat eiser 1 zou zeggen dat hij zijn vriend [naam vriend] had beschoten. Voorts heeft eiser verklaard dat hij onder dwang een document heeft moeten tekenen, niet wetend wat de inhoud hiervan was. In de correcties en aanvullingen op het nader gehoor is toegelicht dat het gaat om een document, opgesteld door de politie, waarin staat hoe de beschieting plaatsvond. Naar het oordeel van de rechtbank hoefde eiser 1 helemaal niet over schriftelijk bewijs te beschikken om ook dit deel van zijn verklaring aannemelijk te maken; verweerder mocht deze eis niet stellen. Verweerder had deze verklaringen in zijn beoordeling moeten betrekken. 8.1. Ook oordeelt de rechtbank dat verweerder zich ten aanzien van het schietincident ten onrechte op het standpunt stelt dat het niet met zekerheid is te zeggen dat de schoten afkomstig waren van de politie of militairen. Dit is immers niet de juiste, want een te zware bewijslast, die bij eiser 1 wordt neergelegd. Het is aan een vreemdeling om iets aannemelijk te maken en daarin is hij naar het oordeel van de rechtbank geslaagd. Eiser 1 heeft verklaard dat hij en zij neef zich bij een groepje jongeren hadden gevoegd en dat daarna werd geschoten vanaf het politiebureau, gelegen tegenover de plek waar het groepje stond, door de politie of militairen. Daarbij is zijn vriend [naam vriend] gewond geraakt. 8.2. Voorts oordeelt de rechtbank dat verweerder niet aan eiser 1 kan tegenwerpen dat hij geen documenten heeft aangeleverd ter staving van dit incident. Een vreemdeling kan onder bepaalde omstandigheden het voordeel van de twijfel krijgen, in de gevallen dat zijn verklaringen kortgezegd consistent zijn en hij in grote lijnen als geloofwaardig kan worden beschouwd. Hierbij dient rekening te worden gehouden met het referentiekader van een vreemdeling, zoals bijvoorbeeld de leeftijd. De rechtbank is in dit geval van oordeel dat verweerder aan eiser 1 het voordeel van de twijfel had moeten gunnen. Verweerder stelt ook dat eisers relaas geloofwaardig is op hoofdlijnen, dus deze bewijseis van verweerder kan de rechtbank niet plaatsen en vindt zij onjuist. Het standpunt van verweerder op zitting dat het verhoor plaatsvond in het kader van een zorgvuldig politieonderzoek naar de toedracht van het schietincident, vindt de rechtbank onbegrijpelijk, gezien de verklaring van eiser 1 en het ontbreken van andersluidende informatie die verweerder hier tegenover heeft gesteld. Op basis van de verklaringen van eiser 1, in samenhang bekeken, vindt de rechtbank het geloofwaardig dat eiser 1 in de negatieve belangstelling van de Turkse autoriteiten is komen te staan en heeft te vrezen voor vervolging bij terugkeer. In aanvulling op de verklaring van eiser 1 is in de procedure een schriftelijke verklaring ingebracht van zijn tante [naam tante] . Zij was ook ter zitting aanwezig en heeft vragen van de rechtbank over haar eerdere verklaring beantwoord. 8.3. De verklaring van tante [naam tante] acht de rechtbank ook geloofwaardig. Haar verklaringen zijn consistent, voldoende gedetailleerd, komen authentiek over en passen binnen het asielrelaas van eisers en bij wat uit de algemene bronnen bekend is. Uit de verklaringen van tante [naam tante] blijkt dat zowel eiser 1 als de moeder van eisers ook na de vlucht van eisers nog in de negatieve aandacht van de Turkse autoriteiten staan. Tante [naam tante] heeft verklaard dat de moeder van eisers meerdere malen is meegenomen door de politie, dat de politie huisinvallen heeft verricht en dat de politie de moeder heeft gewezen op hetgeen eiser 1 op zijn sociale media plaatst en haar heeft verzocht hem hierop aan te spreken. 8.3.1. In het AAB Turkije 2025 staat onder paragraaf 5.4.5 ‘Behandeling van familieleden van DEM-leden’ de volgende tekst: ‘Voorgaand ambtsbericht maakte duidelijk dat familieleden van HDP-leden ook de negatieve aandacht konden trekken van de Turkse autoriteiten. In de verslagperiode bleef deze situatie hetzelfde voor familieleden van DEM-leden. Zo kwam het voor dat familieleden van een DEM-lid geen overheidsbaan konden krijgen. Indien zij geld stuurden naar een gevangengezet familielid, dat lid was van DEM, liepen zij het risico om zelf strafrechtelijk te worden vervolgd wegens het financieel steunen van de PKK. Een bron gaf aan dat familieleden van DEM-leden door de politie of veiligheidsdiensten werden gevolgd, opgepakt en/of verhoord. Ook kwam het voor dat familieleden van DEM-leden onder druk werden gezet om te getuigen tegen andere DEM-leden in brede zin. Daarnaast gebeurde het dat personen niet in aanmerking kwamen voor een studiebeurs, lening, ziektekostenverzekering of sociale voorziening, omdat een familielid lid was van DEM. Voornoemde vormen van repressie werden hoofdzakelijk ingezet tegen ouders, echtgenoten, broers en zussen en kinderen van DEM-leden, aldus de bron. Gedurende de verslagperiode bleef het onduidelijk op welke schaal deze praktijken voorkwamen en welke familieleden onder welke omstandigheden een doelwit werden voor de Turkse autoriteiten.’ Deze algemene informatie is in lijn met de verklaringen van eiser 1 en tante [naam tante] . De rechtbank oordeelt op grond van al het voorgaande dat de beroepsgrond slaagt. Het overige wat verweerder over eiser 1 heeft overwogen, kan daarom onbesproken blijven. 8.4. De conclusie dat het asielrelaas van eiser in zijn geheel geloofwaardig is, leidt er naar het oordeel van de rechtbank toe dat aannemelijk is dat eiser heeft te vrezen voor vervolging bij terugkeer en daarom als vluchteling moet worden aangemerkt. Dat betekent dat de rechtbank nog maar 1 uitkomst rechtens mogelijk acht en daarom zelf in de zaak zal voorzien op dit punt, vanuit het oogpunt van proceseconomie en het belang dat procedures niet langer duren dan nodig. Wat vindt de rechtbank van het asielverzoek van eiseres, eiser 2 en 3, hieronder tezamen: de minderjarigen? 9. De minderjarigen hebben deels een ander asielrelaas dan eiser 1. Verweerder heeft voor hen alleen de eerste twee asielmotieven bij de beoordeling betrokken en de rechtbank vindt dat een juiste benadering. De rechtbank is van oordeel dat verweerder heeft kunnen stellen dat wat de minderjarigen hebben verklaard, niet voldoende is voor een asielvergunning. De onder 4 genoemde eerste twee relevante elementen zijn niet voldoende zwaarwegend en er zijn geen individuele bijkomende omstandigheden of gebeurtenissen om tot een andere conclusie te kunnen komen. De rechtbank is het met verweerder eens dat nergens uit blijkt dat de minderjarigen een politieke overtuiging wordt toegedicht en zij op die grond in aanmerking moeten komen voor een asielvergunning. Alleen het behoren tot de familie [achternaam] is niet voldoende. Deze beroepsgrond slaagt niet. Kon verweerder aan eisers tegenwerpen dat zij zich niet op tijd hebben gemeld voor hun asielverzoek? 10. Verweerder heeft de asielaanvraag van eisers afgewezen als kennelijk ongegrond zoals bedoeld in artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h van de Vw, omdat eisers niet onmiddellijk, binnen 48 uur, asiel hebben aangevraagd. Verweerder stelt zich op het standpunt dat in de correcties en aanvullingen is aangegeven dat eisers op 17 juli 2023 in Nederland zijn aangekomen, en pas op 7 en 8 augustus hun asielverzoeken hebben ingediend. Volgens verweerder hebben eisers geen goede verklaring voor het gegeven dat zij zich te laat hebben gemeld. Het feit dat zij eerst hebben uitgerust bij hun tante, is geen verschoonbare reden volgens verweerder. Nu de tante van eisers ook een asielprocedure heeft doorlopen, kan worden aangenomen dat zij op de hoogte was van de regel dat het indienen van een asielaanvraag zo spoedig mogelijk moet. Voorts was bij de inreis van eisers duidelijk dat zij hierheen zijn gekomen voor het indienen van een asielaanvraag. 10.1. De rechtbank is van oordeel dat de verklaringen van eisers waarom zij zich niet onmiddellijk hebben gemeld in dit geval wél moeten worden gezien als verschoonbare reden. Het betrof vier kinderen van slechts 10, 12, 14 en 16 jaar oud, die aan het eind van hun latijn waren toen ze in Nederland aankwamen en werden opgevangen door familie. De minderjarigen kenden de termijn van 48 uur niet en dat valt hen gezien hun leeftijd ook niet aan te rekenen. Niet relevant is of de familieleden de termijn kenden of hadden moeten kennen; de minderjarigen zijn alleen ingereisd en het gaat erom wat van hen verwacht mag worden. Uiteraard zit er een grens aan hoe lang gewacht mag worden om nog van een goede reden te kunnen spreken, maar de rechtbank is van oordeel dat die grens hier nog niet is bereikt. De kinderen waren waarschijnlijk enkele weken in Nederland voordat ze asiel hebben aangevraagd en dat acht de rechtbank niet zodanig lang, dat het bijkomen en uitrusten niet meer als goede reden geldt in dit specifieke geval. Verweerder heeft de asielaanvragen van eisers daarom niet mogen afwijzen als kennelijk ongegrond omdat zij zich niet onmiddellijk na hun aankomst hebben gemeld voor asiel. De beroepsgrond slaagt. Heeft verweerder voldoende onderzoek gedaan naar de beschikbaarheid van adequate opvang voor eisers in Turkije? 11. Verweerder heeft het onderzoek naar adequate opvang voor eiser 1 niet afgerond voordat hij meerderjarig werd en stelt zich op het standpunt dat het onderzoek ook niet kon worden afgerond. Er is tijdens de gehoren onderzoek gedaan naar adequate opvang. Op grond van dit onderzoek is vastgesteld dat er, voor de periode van de minderjarigheid van eiser 1, sprake is van adequate opvang in Turkije omdat de moeder van eisers, hun oom, diens vrouw en kinderen in Turkije wonen en bereikbaar zijn. Ook blijkt uit paragraaf C7/34.6 van de Vc dat er in Turkije adequate opvang is in de zin van paragraaf B8/6 Vc voor alleenstaande minderjarige vreemdelingen. 11.1. Ten aanzien van eiseres, eiser 2 en eiser 3 (hierna weer: de minderjarigen) stelt verweerder zich ook op het standpunt dat hun moeder, oom en familie in Turkije wonen, dat zij hun woonadres kennen en een telefoonnummer hebben. Uit de verklaringen van de minderjarigen blijkt volgens verweerder dat de moeder voldoende financiële middelen heeft. Verweerder stelt zich op het standpunt dat uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat de zorgplicht van ouders voor minderjarige kinderen meebrengt dat zij er zorg voor dragen dat op enigerlei wijze opvang voor de betrokken vreemdeling in het land van herkomst aanwezig is. Voor de volledigheid wordt opgemerkt dat er adequate opvang van overheidswege is voor minderjarige vreemdelingen in Turkije zoals blijkt uit paragraaf C7/34.6 van de Vc . Verweerder concludeert dat de minderjarigen daarom niet in aanmerking komen voor een AMV-buitenschuldvergunning. 11.2. De rechtbank is van oordeel dat, gelet op het hierboven gegeven oordeel dat eiser 1 recht heeft op een asielvergunning, dit onderdeel van het besluit voor hem onbesproken kan blijven. Voor de minderjarigen zal de rechtbank eerst het toetsingskader schetsen. Toetsingskader op grond van arrest TQ 11.3. Het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) heeft zich uitgesproken over de aard en omvang van het onderzoek naar adequate opvang in het land van terugkeer en het moment waarop dat onderzoek moet plaatsvinden. De Afdeling is ingegaan op de eisen die worden gesteld aan dit onderzoek in haar uitspraak van 8 juni 2022 en overweegt onder meer het volgende : “In het arrest TQ heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) toegelicht aan welke verplichtingen lidstaten moeten voldoen als zij een terugkeerbesluit willen nemen voor een niet-begeleide minderjarige vreemdeling. Het Hof gaat in de punten 37 tot en met 60 in op de aard en omvang van het onderzoek naar adequate opvang in het land van terugkeer en het moment waarop dat onderzoek moet plaatsvinden. Daarin merkt het Hof eerst op dat een lidstaat die het voornemen heeft om een terugkeerbesluit voor een niet-begeleide minderjarige vreemdeling te nemen, gelet op artikel 5, aanhef en onder a, van de Terugkeerrichtlijn en artikel 24, tweede lid, van het EU Handvest, in alle fasen van de procedure rekening moet houden met het belang van het kind. Er moet een algemene en grondige beoordeling van de situatie van het kind worden gemaakt. Dit betekent dat rekening wordt gehouden met verschillende aspecten, zoals de leeftijd, het geslacht, de bijzondere kwetsbaarheid, de fysieke en mentale gezondheid, het verblijf in een pleeggezin, het opleidingsniveau en de sociale omgeving van die minderjarige (punten 44 tot en met 47). Uit het vereiste om in alle fasen van de procedure het belang van het kind te beschermen, vloeit volgens het Hof verder ook de verplichting voor de betrokken lidstaat voort om vóórdat een terugkeerbesluit wordt genomen, concreet te onderzoeken of er voor de niet-begeleide minderjarige adequate opvang beschikbaar is in het land van terugkeer.” 11.4. Verder vindt de rechtbank van belang erop te wijzen dat in de Kwalificatieverordening , zoals die geldt sinds 12 juni 2026, is opgenomen: (15) Bij de toepassing van deze verordening moet het belang van het kind voorop staan, overeenkomstig het Verdrag van de Verenigde Naties inzake de rechten van het kind van 1989. In het kader van de beoordeling van het belang van het kind moeten de autoriteiten van de lidstaten met name terdege rekening houden met het beginsel van eenheid van gezin en met het welzijn en de sociale ontwikkeling, de taalvaardigheden, de veiligheid en de opvattingen van de minderjarige, naar behoren rekening houdend met de leeftijd en maturiteit van de minderjarige” Beoordeling door de rechtbank aan de hand van het toetsingskader 11.5. De rechtbank is van oordeel dat verweerder onvoldoende onderzoek heeft gedaan naar de beschikbaarheid van adequate opvang voor eisers in Turkije. De enkele stelling dat eisers terug kunnen naar hun moeder en oom die samen in een huis in Turkije wonen, is onvoldoende om tot de conclusie te komen dat er voor de minderjarigen adequate opvang beschikbaar is in Turkije. De voorwaarde dat de opvang adequaat moet zijn, betekent dat rekening wordt gehouden met wat het kind nodig heeft. Dat gaat naar het oordeel van de rechtbank verder dan alleen een verblijfplaats. Uit de genoemde Afdelingsuitspraak en het arrest TQ leidt de rechtbank af dat ook rekening moet worden gehouden met onder meer de mentale en fysieke gezondheid van een minderjarige. Dat betekent naar het oordeel van de rechtbank dat ook een noodzakelijk geachte medische behandeling en de vraag of die beschikbaar is in het land van herkomst bij de beoordeling moet worden betrokken. 11.6. De rechtbank betrekt bij haar oordeel de verklaring van [naam 1] van Stichting Nidos van 17 juni 2026, die is opgesteld in samenspraak met [naam 4] , gedragswetenschapper bij Nidos, waarbij staat vermeld dat de brief aan de hand van de criteria van het arrest TQ is opgesteld. In de brief is ten aanzien van het welzijn en de mentale gezondheid van de minderjarigen opgenomen dat zij allen een zorgbehoefte hebben, en hiervoor behandeling krijgen of op de wachtlijst staan voor een behandeling. De minderjarigen hebben trauma’s door hetgeen zij hebben ervaren in Turkije en het is niet wenselijk dat zij terugkeren naar Turkije en aldaar opnieuw worden geconfronteerd met deze trauma’s. In Turkije zijn er, volgens de brief van Nidos, geen passende behandelmogelijkheden voor de minderjarigen. Voor alle kinderen geldt bovendien dat een traumabehandeling alleen kan plaatsvinden als de thuissituatie stabiel en veilig is. Volgens Nidos zullen de minderjarigen bij terugkeer naar Turkije in een fysiek en mentaal onveilige situatie terechtkomen. Hun vader is overleden en de moeder lijdt zelf aan psychische klachten. Ter zitting heeft [naam 1] hieraan toegevoegd dat de minderjarigen ook in Nederland een turbulente periode hebben beleefd en meerdere malen zijn verhuisd, waardoor zij niet allemaal hebben kunnen starten met hun behandeling. Inmiddels is hun woonsituatie stabiel. Nu verweerder de zorgbehoefte/noodzaak tot medische behandeling van de minderjarigen niet heeft betrokken in zijn onderzoek naar adequate opvang, oordeelt de rechtbank dat het onderzoek niet volledig is geweest. Gezien de inhoud van de verklaring van Nidos, welke verklaring door verweerder desgevraagd niet is bestreden, heeft verweerder niet tot de conclusie kunnen komen dat er adequate opvang is voor de minderjarigen in Turkije. Gelet op de informatie die inmiddels voorhanden is, is de rechtbank van oordeel dat gezegd moet worden dat van adequate opvang in Turkije zoals bedoeld in het arrest TQ, geen sprake is voor deze minderjarigen. Dat betekent dat de bestreden besluiten op dit punt geen stand kunnen houden. De beroepsgrond slaagt. Heeft verweerder voldoende rekening gehouden met de belangen van het kind, zoals is bepaald in artikel 3 van het IVRK ? 12. De rechtbank is van oordeel dat de belangen van het kind door de rechtbank ook vol getoetst moeten worden en niet slechts terughoudend. Verweerder komt hierin geen beoordelingsruimte toe. In het verlengde van wat hiervoor is overwogen, is de rechtbank van oordeel dat verweerder niet alle belangen van de minderjarigen heeft betrokken bij de beoordeling. In het licht van het in de Kwalificatieverordening neergelegde beginsel van eenheid van gezin en het uitgangspunt dat met het welzijn en de sociale ontwikkeling van de minderjarige rekening moet worden gehouden, is de rechtbank van oordeel dat ook in dit opzicht de motivering in de bestreden besluiten ondeugdelijk is. De rechtbank neemt hierbij in acht dat de aanvragen bijna drie jaar oud zijn, eiser 1 in het bezit wordt gesteld van een asielvergunning en dus in Nederland mag blijven en het volgens de verklaring van Nidos en Vitazorg inmiddels (meer) in het belang van de minderjarigen is om in Nederland te blijven dan terug te gaan naar Turkije. De minderjarigen hebben zelf ook uitdrukkelijk te kennen gegeven in Nederland te willen blijven. De rechtbank heeft ter zitting geconstateerd dat in ieder geval eiseres de Nederlandse taal goed beheerst. Gelet op de ingebrachte verklaring van Stichting Nidos en hetgeen ter zitting is verklaard door mevrouw [naam 2] van Vitazorg, oordeelt de rechtbank dat het in het belang van de minderjarigen is om in Nederland te blijven en als broers en zus bij elkaar te blijven. Verweerder heeft de inhoud van de verklaring van Stichting Nidos niet bestreden. Ook daarom sluit de rechtbank aan bij de verklaring van Stichting Nidos. Het standpunt van verweerder dat het in belang van de minderjarigen is om terug te keren naar Turkije kan geen standhouden. De beroepsgrond slaagt. Ook geldt als belang van de minderjarigen dat er een einde komt aan de bijna drie jaar durende onzekerheid over hun verblijfspositie; dat komt hun mentale gezondheid ten goede. 13. Omdat volgens de rechtbank nog maar 1 uitkomst mogelijk is, ziet de rechtbank aanleiding om ook op dit punt zelf in de zaak te voorzien en een buitenschuldvergunning te verlenen aan de minderjarigen. Conclusie en gevolgen 14. Het beroep is gegrond omdat in de bestreden besluiten ten onrechte niet is aangenomen dat eiser 1 moet worden aangemerkt als verdragsvluchteling als bedoeld in artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw en aan de minderjarigen ten onrechte geen buitenschuldvergunning is toegekend. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten. Uit de beoordeling van de beroepen volgt dat er rechtens geen andere uitkomst mogelijk is dan verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd voor eiser 1 en een verblijfsvergunning regulier op grond van het buitenschuldbeleid AMV voor de minderjarigen. De rechtbank zal daarom verweerder de opdracht geven om aan eisers de hiervoor genoemde vergunningen te verlenen. 14.1. Omdat het beroep gegrond is, krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat sprake is van samenhangende zaken, de gemachtigde van eisers een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: - verklaart de beroepen gegrond; - vernietigt de bestreden besluiten van 27 maart 2026; - draagt verweerder op om binnen vier weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen en daarbij aan eiser 1 een verblijfsvergunning asiel te verlenen als vluchteling met als ingangsdatum 8 augustus 2023 en aan eiseres, eiser 2 en eiser 3 een verblijfsvergunning regulier te verlenen op grond van het buitenschuldbeleid met als ingangsdatum 8 augustus 2023; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.L. Roubos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.V. Kostiouk, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Vreemdelingenwet 2000. Eiser 1 is geboren op [datum 1] 2007, eiseres is geboren op [datum 2] 2009, eiser 2 is geboren op [datum 3] 2010 en eiser 3 is geboren op [datum 4] 2012. Verdrag betreffende de status van vluchtelingen. Zoals deze luidde toen het bestreden besluit werd genomen. In het vervolg van de uitspraak wordt tevens verwezen naar artikelen die zo luidden toen het bestreden besluit werd genomen. De inwerkingtreding van het Asiel- en Migratiepact op 12 juni 2026 heeft ervoor gezorgd dat sommige artikelen zijn vervallen of onder andere hoofdstukken vallen. Vreemdelingencirculaire 2000. Dit staat in hoofdstuk A3/6.1 van de Vc. Zie het arrest van het Hof, 4 juni 2026, Ebilum, C-440/25, ECLI:EU:C:2026:448, onder 58. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Arnhem, van 23 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:17061, onder 7.1.1. Handbook on Procedures and Criteria for Determining Refugee Status and Guidelines on International Protection (Genève 2019). Zie hoofdstuk C7/34.32 van de Vc. Helpdesk Landeninformatie, betreft: Turkije – Positie DEM-leden en -aanhangers, d.d. 19 november 2025. Zie voornemen, pagina 3 en 4. Zie nader gehoor, pagina 6: “Om één uur in de nacht is de politie naar ons huis gekomen, de politie pakte mij op en zei: kom, je moet mee naar het politiebureau en mijn neef [naam neef] ook. […] In die camerabeelden kon je zien dat er twee pantserwagens waren gekomen en politie was gekomen.” Zie nader gehoor, pagina 6-7: “Ze hebben eigenlijk ons geschopt en geslagen alsof we dat allemaal hadden veroorzaakt. Ze hebben mij heel veel geslagen.” Zie nader gehoor, pagina 18. Nader gehoor. Pagina 19: “Ze hebben een A4 voor mij gelegd en gezegd dat ik moest tekenen. […] Ik kon niet lezen, ik was bang en ik wist niet wat ik heb getekend. Ik heb getekend uit angst.” Pagina 10. Nader gehoor, pagina 23 en 24. Zie bijvoorbeeld de uitspraak van de Afdeling van 17 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:6058, overweging 5. Zie werkinstr