← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:19657

Rechtbank Den Haag · 2026-04-10 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
AWB 25/23377 en AWB 25/23177
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
27.404 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Aanvraag verblijfsvergunning 'verblijf als familie- of gezinslid op grond van artikel 8 EVRM', geen vrijstelling mvv-vereiste op grond van medische gronden of op grond van artikel 8 EVRM. Verweerder mocht daarnaast van het BMA-advies uitgaan. Niet aannemelijk gemaakt dat er bij terugkeer een 3 EVRM risico is. Beroep ongegrond

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummers: AWB 25/23377 (beroep) en AWB 25/23177 (voorlopige voorziening) uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , eiser/verzoeker (hierna: eiser), V-nummer: [v-nummer 1] , en; [eiseres] , eiseres/verzoekster (hierna: eiseres), V-nummer: [v-nummer 2] (gemachtigde: mr. R. Moszkowicz) hierna samen te noemen: eisers, en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. D.A.H. van den Tillaar). Samenvatting 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening van eisers tegen de beslissing op bezwaar van 21 november 2025 (het bestreden besluit). Bij dit besluit heeft verweerder het bezwaar van eisers tegen het niet verlenen van een verblijfsvergunning met als verblijfsdoel ‘verblijf als familie- of gezinslid op grond van artikel 8 van het EVRM’ ongegrond verklaard. Verweerder blijft daarmee bij zijn afwijzing van de door eisers verzochte verblijfsvergunning. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het bestreden besluit. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat verweerder de aanvragen van eisers heeft kunnen afwijzen. Eisers zijn niet in het bezit van een geldige machtiging tot voorlopig verblijf (mvv) en verweerder heeft kunnen vinden dat eisers niet op grond van medische gronden of op grond van artikel 8 EVRM vrijgesteld hoeven te worden van het mvv-vereiste. Eisers krijgen geen gelijk en het beroep is dus ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eisers hebben op 9 oktober 2023 een aanvraag ingediend voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM voor verblijf als familie- of gezinslid bij [naam 1] , hun dochter, in Nederland. Verweerder heeft deze aanvraag met het besluit van 1 februari 2024 (het primaire besluit) afgewezen. Eisers hebben tegen dit besluit op 4 maart 2024 bezwaar gemaakt. Op 8 september 2025 hebben eisers hun bezwaar toegelicht met een digitale hoorzitting. Vervolgens is verweerder op 21 november 2025 met het bestreden besluit bij de afwijzing van de aanvraag van eisers gebleven. 2.1. Eisers hebben beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Ook hebben zij de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. 2.2. Het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening zijn op 12 maart 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eisers, de gemachtigde van eisers, M. Ziad als tolk en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank en de voorzieningenrechter Relevante feiten en omstandigheden 3. Eiser is geboren op [datum 1] 1955 en eiseres is geboren op [datum 2] 1962. Zij hebben beiden de Iraakse nationaliteit. Zij hebben verklaard dat zij in Nederland familieleven uitoefenen met hun dochter die in bezit is van Nederlandse nationaliteit. Zij zijn sinds hun komst naar Nederland, in 2023, woonachtig bij hun dochter en schoonzoon en hun gezin. Hun dochter is al in 2009 met een mvv Nederland in gereisd voor verblijf bij haar echtgenoot. Eisers en hun dochter hebben dus vierentwintig jaar gescheiden van elkaar geleefd. Zij verklaren beiden diabetes, een hoge bloeddruk en andere somatische ziekten te hebben. Eiser is daarnaast psychisch zwaar aangetast door trauma en heeft last van angst- en depressieve klachten. Eisers hebben verklaard zowel op financieel als medisch vlak afhankelijk te zijn van hun dochter. Toen zij in Irak woonden hebben zij trauma’s opgelopen door de oorlog die daar plaatsvond. Hun huis is in beslag genomen door ISIS. Zij kunnen daarom niet terug naar Irak. Ook kunnen zij niet naar Turkije omdat zij daar niet veilig zijn omdat zij rooms-katholiek en Arabisch zijn. De afwijzing door verweerder 4. Verweerder heeft de aanvraag van eisers afgewezen omdat zij niet in het bezit zijn van een geldige mvv en van dit vereiste niet worden vrijgesteld. Eisers hebben verzocht om vrijstelling van het mvv-vereiste op medische gronden en op grond van artikel 8 van het EVRM. 4.1. Vrijstelling op medische gronden kan worden verleend wanneer eisers vanwege hun gezondheid niet kunnen reizen en/of er binnen drie tot zes maanden na het uitblijven van een medische behandeling een medische noodsituatie zal ontstaan. Ten aanzien van de medische klachten van eiser heeft verweerder het Bureau Medische Advisering (BMA) ingeschakeld voor advies. Het BMA heeft in haar advies van 26 januari 2024 gesteld dat sprake is van medische klachten maar dat hij wel in staat is om te reizen, en dat er geen aanwijzingen zijn dat enige medische voorziening noodzakelijk is. Een medische noodsituatie wordt niet verwacht binnen de indicatieve periode van drie tot zes maanden. Wel beveelt het BMA aan dat medicatie gecontinueerd wordt, om tijdens de reis voldoende medicatie mee te nemen en om een schriftelijke overdracht van medische gegevens mee te nemen. 4.2. Ten aanzien van het beroep op vrijstelling van het mvv-vereiste op grond van artikel 8 EVRM heeft verweerder geconcludeerd dat er geen sprake is van beschermwaardig familieleven tussen eisers en hun dochter, schoonzoon en hun gezin omdat niet is gebleken van bijkomende elementen van afhankelijkheid die een normale mate van afhankelijkheid overstijgen tussen eisers en hun dochter. Eisers hebben 24 jaar gescheiden van hun dochter geleefd en hebben ook niet aannemelijk gemaakt dat zij voor 2009 altijd in gezinsverband met hun dochter hebben geleefd. Dat zij dat nu een aantal jaar in Nederland wel doen doet hier niks aan af. Ook is er geen sprake van hechte persoonlijke banden tussen eisers en de kinderen van hun dochter – de kleinkinderen – omdat ook hun omgang en relatie niet de gebruikelijke omgang ontstijgt. Eisers wonen weliswaar bij hun dochter en hun kleinkinderen, maar niet is gebleken dat eisers de enigen zijn die de ouderrol voor kleinkinderen op zich kunnen nemen. 4.3. Verweerder heeft in het primaire besluit nog een belangenafweging gemaakt en het belang van eisers om samen met hun dochter in Nederland te wonen afgewogen tegen het belang van de Nederlandse overheid om het economisch welzijn, de openbare orde, de rechten en vrijheden en de volksgezondheid van het land te beschermen. Verweerder laat deze afweging in het nadeel van eisers uitvallen. In het bestreden besluit heeft verweerder zich op het standpunt gesteld dat een belangenafweging niet nodig is, gelet op de jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling). 4.4. Omdat eisers ten tijde van het bestreden besluit al een langere periode in Nederland waren heeft verweerder wel privéleven op grond van artikel 8 EVRM aangenomen, maar de belangenafweging die hij daarbij heeft gemaakt valt ook in het nadeel van eisers uit. In deze afweging geldt dat het belang van eisers is dat zij hun privéleven in Nederland verder kunnen intensiveren. Daar tegenover staat met name het belang van de Nederlandse overheid. Verweerder is ook hier van oordeel dat het belang van de Nederlandse overheid zwaarder weegt dan het belang van eisers omdat het economisch belang zwaar in het nadeel weegt, dat zij op 68 respectievelijk 60-jarige leeftijd naar Nederland zijn gekomen, nooit een verblijfsvergunning hebben gehad en langere tijd zelfstandig hebben gewoond. Daar komt bij dat zij bekend zijn met de taal en cultuur van hun land van herkomst. 4.5. Tot slot is verweerder van mening dat de afwijzing van de aanvraag van eisers ook niet getuigt van een onevenredige hardheid, waardoor eisers ook niet op grond van de hardheidsclausule worden vrijgesteld van het mvv-vereiste. 4.6. Verweerder wijst de aanvragen van eisers af. Daarbij legt hij aan eisers een terugkeerbesluit op waarin staat dat eisers dienen terug te keren naar Irak of Turkije. Vrijstelling mvv-vereiste op medische gronden 5. Eisers voeren primair aan dat de BMA-arts de medische behandelaar van eiser persoonlijk had moeten spreken en eiser persoonlijk had moeten zien voordat zij een BMA-advies uitbracht. Subsidiair voeren eisers aan dat het advies volgens hen ook inhoudelijk niet deugt, omdat de uitkomst van het BMA-advies haaks staat op de verklaringen van de medische behandelaar van eisers zelf, drs. [naam 2] . De inhoud van de verklaringen van dhr. [naam 2] wijzen er, kort samengevat, op dat de medische en psychische situatie van eiser verslechtert waardoor het bevreemdend is dat het BMA in haar advies heeft geoordeeld dat er voor eiser geen sprake is van een medische noodsituatie. In het kader van de medische situatie van eisers doen eisers daarnaast een beroep op het arrest Paposhvili tegen België en voeren zij aan dat een terugkeer van hen naar hun land van herkomst, of Turkije, vanwege hun medische en psychische klachten strijdigheid met artikel 3 EVRM zou kunnen opleveren. Tot slot hebben eisers op de zitting aangevoerd dat eiseres inmiddels een gespecialiseerde behandeling voor haar klachten ondergaat. 5.1. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling moet de minister, als hij een BMA-advies aan zijn besluitvorming ten grondslag legt, zich ingevolge artikel 3:2 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) ervan vergewissen dat dit – naar wijze van totstandkoming – zorgvuldig en – naar inhoud – inzichtelijk en concludent is. Als het advies niet aan deze eisen voldoet, zal het daarop gebaseerde besluit reeds daarom in rechte geen stand kunnen houden. Wanneer de desbetreffende vreemdeling geen contra-expertise overlegt, strekt de door de rechtbank te verrichten toetsing ook niet verder dan dat zij naar aanleiding van een daartoe strekkende beroepsgrond beoordeelt of de minister zich ingevolge artikel 3:2 van de Awb ervan heeft vergewist dat dit advies - naar wijze van totstandkoming - zorgvuldig en - naar inhoud - inzichtelijk en concludent is. 5.2. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat hij zich heeft kunnen baseren op het BMA-advies en de daarin gelegen conclusie dat er voor eiser geen medische noodsituatie optreedt binnen de indicatieve periode. Allereerst betrekt zij daarbij dat, anders dan eisers stellen, het niet vereist is dat de BMA-artsen eiser in persoon moeten hebben gezien dan wel dat zij persoonlijk de medische behandelaar van eiser spreken, alvorens zij een advies kunnen uitbrengen. Daarbij heeft verweerder terecht gewezen op het Protocol Bureau Medisch Advisering 2023, waaruit blijkt dat het onderzoek door het BMA naar de gezondheidstoestand en de behandeling van eisers in principe plaatsvindt op basis van schriftelijke informatie van BIG-geregistreerde behandelaars. Deze werkwijze vindt de rechtbank niet onzorgvuldig. Eisers hebben geen deugdelijke grond gegeven, waarom in dit geval daarmee niet mocht worden volstaan. Ten tweede constateert de rechtbank, ten aanzien van de door eisers betwiste inhoud van het advies, dat in het advies zowel de verklaringen van de huisarts als de behandelend psycholoog kenbaar zijn betrokken. De BMA-arts heeft immers de door hen genoemde diagnoses diabetes mellitus, hoog cholesterol en de depressieve gevoelens alsmede de behandelingen betrokken. Dat volgens eisers de conclusie van het BMA-advies niet strookt met de verklaringen van de behandelend psycholoog volgt de rechtbank niet. Een behandelaar doet immers geen uitspraak over het al dan niet bestaan van een medische noodtoestand, maar beantwoord feitelijke vragen. Volgens het BMA-protocol is het begrip ‘medische noodsituatie’ een vreemdelingrechtelijk criterium waarbij een medische beoordeling door een medisch adviseur noodzakelijk is. Dit criterium is nadrukkelijk de verantwoordelijkheid van de, voor vreemdelingenzaken verantwoordelijke, bewindspersoon en niet van de artsen of de medische beroepsgroep. Verder overweegt de rechtbank dat, hoewel er verklaringen door de behandelaar zijn uitgebracht daterend van na het bestreden besluit, eisers niet hebben aangetoond of onderbouwd op welke manier deze qua inhoud verschillen van de verklaringen die al door het BMA zijn betrokken en op welke manier de medische en psychische situatie van eiser anders is dan al bij het BMA bekend was. Overigens hebben eisers ter zitting ook erkend dat deze verklaringen niet wezenlijk anders zijn dan de voorgaande. De rechtbank concludeert dan ook, dat het advies naar wijze van totstandkoming zorgvuldig en naar inhoud inzichtelijk en concludent is. Daarom volgt de rechtbank ook niet dat het op de weg van de rechtbank ligt om een deskundige aan te stellen om een knoop door te hakken. Het is aan eisers om een contra-expertise in te stellen als zij de inhoud van het advies betwisten. Dat hebben eisers nagelaten. 5.3. De verwijzing naar de arresten Paposhvili tegen België en dan met name punt 183 tot en met 186 als ook Savran tegen Denemarken kan naar het oordeel van de rechtbank niet slagen. Uit rechtspraak van de Afdeling volgt dat de beoordelingswijze, waarbij de minister aan de hand van het BMA-advies beoordeelt of het uitblijven van behandeling naar alle waarschijnlijkheid zal leiden tot een medische noodsituatie, in overeenstemming is met de maatstaf die het EHRM in punt 183 van het arrest Paposhvili hanteert. Bovendien heeft eiseres niet aannemelijk gemaakt dat wordt voldaan aan punt 183 van het arrest Paposhvili dat sprake moet zijn van een ernstige, snelle en onomkeerbare achteruitgang in haar gezondheid, wat resulteert in een intens lijden of een significante vermindering van haar levensverwachting. Uit paragraaf 186 van dit arrest heeft de Afdeling afgeleid dat, anders dan eisers stellen, het aan de desbetreffende vreemdeling is om aannemelijk te maken dat hij op grond van zijn of haar slechte gezondheidstoestand een reëel risico in de zin van artikel 3 van het EVRM loopt. Dat eiseres (inmiddels) een gespecialiseerde behandeling ondergaat hebben eisers niet aangetoond of onderbouwd. 5.4. De beroepsgrond slaagt niet. Vrijstelling mvv-vereiste op grond van artikel 8 van het EVRM 6.1 Bij de beoordeling betrekt de rechtbank dat volgens vaste rechtspraak sprake is van gezinsleven tussen meerderjarigen buiten het kerngezin, als er tussen hen ‘bijkomende elementen van afhankelijkheid’ bestaan die de gebruikelijke emotionele banden overstijgen. Er moet een brede beoordeling worden gemaakt, waarin verweerder alle individuele omstandigheden betrekt. Hij mag niet slechts betrekken of een vreemdeling vanwege diens medische toestand afhankelijk is van een referent, maar hij moet ook een toegespitste beoordeling maken van alle aangedragen feiten en omstandigheden die kunnen maken dat er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. Niet (langer) is doorslaggevend of een vreemdeling volledig afhankelijk is van medische zorg door een referent. Elementen zoals financiële en materiële afhankelijkheid, de gezondheid van de betrokkenen, en de banden met het land van herkomst moeten, voor zover zij zijn aangevoerd, een rol spelen. De mate van emotionele afhankelijkheid en de vraag of betrokkenen eerder hebben samengewoond kan van belang zijn. Verweerder moet rekening houden met de aard en hechtheid van de gezinsband van de betrokkenen, de duur van het verblijf in de lidstaat van de referent en het bestaan van familiebanden of culturele en sociale banden met het land van herkomst. Het is aan de vreemdeling om te stellen en zoveel mogelijk te onderbouwen uit welke feiten en omstandigheden de bijkomende elementen van afhankelijkheid zouden kunnen blijken. Het is vervolgens aan verweerder om te beoordelen of er daadwerkelijk bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan. De rechter moet het onderzoek van verweerder naar de relevante feiten en omstandigheden en de gegeven motivering of sprake is van familieleven volledig toetsen. Bij de weging van de elementen heeft verweerder beoordelingsruimte. De uitkomst van de beoordeling of er bijkomende elementen van afhankelijkheid bestaan, toetst de rechter vervolgens enigszins terughoudend. 6.2 Met betrekking tot het gezinsleven tussen grootouders en kleinkinderen heeft de Afdeling overwogen in haar uitspraak van 27 maart 2024 , onder 2, dat volgens het EHRM er familieleven kan bestaan in de zin van artikel 8, eerste lid, van het EVRM tussen een grootouder en een minderjarig kleinkind "where there are sufficiently close family ties between them" (paragraaf 108 van het arrest Kruškić). Over de relatie tussen een grootouder en kleinkind heeft het EHRM overwogen dat deze onder normale omstandigheden naar haar aard verschilt van die van een ouder en minderjarig kind en daarom in het algemeen aanleiding geeft voor een mindere mate van bescherming (paragraaf 110). De Afdeling heeft eerder overwogen dat de vraag of er tussen betrokkenen familieleven in de zin van artikel 8, eerste lid, van het EVRM bestaat, een kwestie van feitelijke aard is en dat dit afhankelijk is van het daadwerkelijk bestaan van hechte persoonlijke banden . Verder valt volgens de Afdeling uit paragraaf 108 van het arrest Kruškić niet af te leiden dat al sprake is van hechte persoonlijke banden tussen grootouders en kleinkinderen als de grootouders enige tijd met die kleinkinderen en hun ouders hebben samengewoond. Tegelijkertijd betekent dit niet dat in zulke situaties nooit sprake kan zijn van hechte persoonlijke banden. Er kunnen zich namelijk ook andere feiten en omstandigheden voordoen die maken dat wel sprake is van zulke banden. Samenwonen is op zichzelf geen vereiste voor het aannemen van hechte persoonlijke banden, maar het is wel een factor die moet worden betrokken in de beoordeling of sprake is van hechte persoonlijke banden. 6.3 Eisers voeren aan dat er wel sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eisers en hun dochter. Eisers zijn dagelijks medisch en financieel afhankelijk van haar. Ook voor de kleinkinderen zou het onaanvaardbaar zijn als eisers terug moeten. Zij hebben gezinsleven met hun dochter en diens kinderen omdat ze daar wonen. Het afbreken van het ondersteuningsnetwerk tussen eisers en het gezin van de dochter zou het familieleven definitief ondermijnen. Dit is een disproportionele aantasting van het familierecht. Ten aanzien van de belangenafweging die verweerder in het kader van het familieleven heeft gedaan voeren eisers aan dat hun belangen zwaarder wegen dan enig concreet staatsbelang. Zij zijn oud, medisch en sociaal kwetsbaar, hebben een leven opgebouwd in Nederland, en zijn afhankelijk. Uitzetting van eisers is onrechtmatig en disproportioneel. Ook voeren zij aan dat er sprake is van beschermwaardig privéleven op grond van artikel 8 van het EVRM. 6.4 De rechtbank is van oordeel dat verweerder tot het oordeel heeft kunnen komen dat er geen sprake is van beschermwaardig familieleven omdat er geen sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid tussen eisers en hun dochter. Ook is er geen sprake van hechte persoonlijke banden tussen eisers en hun kleinkinderen. In overweging 5 van deze uitspraak heeft rechtbank uiteengezet welke elementen bij deze beoordeling van belang zijn. Verweerder heeft kunnen betrekken dat eisers, voor hun komst naar Nederland in 2023, 24 jaar gescheiden van hun dochter hebben geleefd. Ook hebben zij niet aangetoond dat zij daarvóór in gezinsverband met hun dochter woonden. Verder blijkt niet dat zij niet op afstand financieel kunnen worden ondersteund door hun dochter. Voorts blijkt ten aanzien van medische afhankelijkheid niet dat eisers voor de zorg afhankelijk zijn van hun dochter of schoonzoon. Dit hebben zij niet onderbouwd. De stelling van de gemachtigde van eisers ter zitting dat zo’n onderbouwing “kinderachtig en flauw is” en dat verweerder “in het huis van de dochter en schoonzoon mag komen kijken om de tandenborstels te zien” is onvoldoende. Ook heeft verweerder mogen betrekken dat eisers een band hebben met hun land van herkomst nu zij daar het overgrote deel van hun leven hebben doorgebracht en bekend zijn met de gewoonten, gebruiken, taal en cultuur van het land. Tevens hebben zij een groot deel van hun leven in Turkije doorgebracht waardoor zij ook banden hebben met dat land. Eisers stelling dat zij in de 24 jaar dat zij gescheiden van hun dochter woonden meermaals heen en weer hebben gereisd naar Nederland hebben zij ook niet onderbouwd. Hoewel eisers hebben benadrukt dat de kleinkinderen een goede band met hun opa en oma hebben en dat het voor hen heel moeilijk is als eisers moeten vertrekken, heeft verweerder dit onvoldoende mogen vinden om hechte persoonlijke banden aan te nemen. Vaststaat dat eisers met hun kleinkinderen wonen, maar niet is gebleken dat zij de enigen zijn die een ouderrol voor de kleinkinderen op zich kunnen nemen. De dochter van eisers heeft samen met haar echtgenoot immers de taak van primair verzorger. 6.5 Omdat verweerder naar het oordeel van de rechtbank heeft kunnen vinden dat er geen beschermwaardig familieleven bestaat tussen eisers en hun dochter, schoonzoon en kleinkinderen heeft verweerder geen belangenafweging hoeven maken. Op de gronden die eisers tegen de belangenafweging in het kader van familieleven op grond van artikel 8 van het EVRM hebben aangevoerd zal de rechtbank om die reden niet verder ingaan 6.6 Voorts is de rechtbank van oordeel dat de belangenafweging in het kader van het privéleven in het nadeel van eisers mocht uitvallen. In het primaire besluit van 1 februari 2024 nam verweerder geen privéleven aan, maar in het bestreden besluit van 21 november 2025 heeft hij dit wel aangenomen en daarom een belangenafweging gemaakt. In de belangenafweging heeft verweerder in het nadeel mogen meewegen dat eisers niet werken en het feit dat er een gerede kans bestaat dat eisers een beroep zullen doen op door de overheid betaalde voorzieningen. Hoewel eisers wonen met hun dochter, schoonzoon en diens kinderen, heeft verweerder kunnen vinden dat de banden van eisers met Nederland te beperkt zijn om de belangenafweging in het voordeel voor eisers uit te laten vallen. 6.7 De beroepsgrond slaagt niet. Refoulementbeoordeling 7. Eisers hebben in bezwaar aangevoerd dat zij als christenen in Irak, dan wel in Turkije, niet veilig zijn. In beroep hebben zij daartoe bijlagen overgelegd waaruit dit zou blijken. Ook hebben zij in beroep negatieve reisadviezen van het ministerie van Buitenlandse zaken voor beide landen overgelegd. Irak is in het reisadvies als rood bestempeld, en Turkije als grotendeels geel, met kleine delen oranje en rood. Op de zitting heeft de gemachtigde van eisers verduidelijkt dat dit aangeeft dat eisers vanwege de oorlog in het Midden-Oosten niet terug kunnen. 7.1. De rechtbank constateert dat zij in deze zaak ex tunc toetst. Dat betekent dat zij kijkt naar de situatie die kenbaar was bij verweerder op het moment van het nemen van het bestreden besluit. Eisers hebben toen enkel een beroep gedaan op de situatie van christenen in Irak, dan wel Turkije. Uit het arrest Ararat volgt echter dat verweerder de plicht heeft om zich ervan te vergewissen dat het beginsel van non-refoulement in acht is genomen bij het vaststellen van een terugkeerbesluit. Uit dit arrest volgt voorts dat de rechterlijke bescherming noch doeltreffend noch volledig zou zijn indien de nationale rechter niet verplicht zou zijn om ambtshalve vast te stellen dat het beginsel van non-refoulement is geschonden wanneer de hem ter kennis gebrachte gegevens van het dossier, zoals aangevuld of verhelderd tijdens de voor hem gevoerde procedure op tegenspraak, lijken aan te tonen dat het terugkeerbesluit berust op een achterhaalde of inadequate beoordeling van het risico op refoulement. 7.2. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in het bestreden besluit en toegelicht ter zitting, tot de conclusie heeft kunnen komen dat de stelling van eisers dat zij gevaar lopen als christenen in Irak, dan wel Turkije, onvoldoende is onderbouwd. Zo is niet onderbouwd dat hun huis in beslag is genomen. Zij hebben ook geen asielaanvraag ingediend. De in beroep overgelegde bijlagen over de situatie voor christenen maken dit niet anders. Deze zijn immers niet voorzien van een datum en zijn daarnaast niet toegespitst op de specifieke situatie van eisers. Op de zitting is verhelderd dat één van de twee bijlagen uit 2014 komt, van de andere bijlage is dit niet achterhaald. 7.3. Zoals in overweging 7.1. uiteengezet dient verweerder zich er echter wel van te vergewissen dat het beginsel van non-refoulement in acht is genomen. Verweerder heeft op de zitting op de stelling van eisers dat uit de reisadviezen volgt dat zij niet kunnen terugkeren, gereageerd. De rechtbank volgt verweerder in zijn op zitting gegeven toelichting. De informatie van het ministerie van Binnenlandse zaken, de reisadviezen, betreft algemene informatie. De enkele omstandigheid dat er een negatief reisadvies geldt, betekent niet zonder meer dat er sprake is van een reëel risico op een behandeling in strijd met het verbod op refoulement . Eisers hebben nagelaten hun persoonlijke risico concreet te onderbouwen. Daarbij heeft verweerder er terecht op gewezen dat het overgrote deel van Turkije als geel is bestempeld. De op zitting gegeven stelling van de gemachtigde van eisers dat een ieder stuk voor stuk gevaar loopt is onvoldoende. 7.4. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep tegen het bestreden besluit is ongegrond. Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen. 9. Omdat op het beroep is beslist, bestaat er geen reden meer voor het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek daartoe wijst de voorzieningenrechter daarom af. 10. Voor een vergoeding van de proceskosten bestaat dan ook geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. M.J. Schelhaas, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 10 april 2026. griffier rechter Een afschrift van deze uitspraak is verzonden aan partijen op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak kan, voor zover het de hoofdzaak betreft, een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met deze uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Verdrag voor de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. ECLI:NL:RVS:2024:1188 en ECLI:NL:RVS:2024:1189. Op grond van artikel 3.71, derde lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000. Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) van 13 december 2016, ECLI:CE:ECHR:2016:1213JUD00417381. ECLI:NL:RVS:2026:1765 ECLI:NL:RVS:2019:132. ECLI:NL:RVS:2024:1188 ECLI:NL:RVS:2024:1187 ECLI:NL:RVS:2018:1232 ECLI:NL:RVS:2024:4685 ECLI:NL:RVS:2024:1188 en ECLI:NL:RVS:2024:1189. Arrest van het Hof van Justitie van 17 oktober 2024, Ararat, ECLI:EU:C:2024:892. Vergelijk bijvoorbeeld de uitspraak van de rechtbank Den Haag, 24 december 2025, rechtsoverweging 9 (ECLI:NL:RBDHA:2025:27175).