ECLI:NL:RBDHA:2026:19646
Rechtbank Den Haag · 2026-07-15 · Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Beroep gegrond. Asiel. Geloofwaardigheidsbeoordeling kan niet in stand blijven, omdat groot deel daarvan is gebaseerd op visumaanvraag. Gebleken is echter dat informatie uit het visumdossier niet van eiseres zelf afkomstig is.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht zaaknummers: NL26.9352 (beroep) en NL26.9353 (voorlopige voorziening) V-nummer: [V-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaak tussen [eiseres] , eiseres/verzoekster (eiseres) (gemachtigde: mr. M.E. Muller), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (de minister) (gemachtigde: mr. A.R. Menschaart). Samenvatting 1.1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 . Eiseres is het hier niet mee eens. Zij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan en heeft de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank/de voorzieningenrechter (de rechtbank) de afwijzing van de asielaanvraag. 1.2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Het beroep is gegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2.1. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Zij stelt van Ugandese nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedag] 1990. 2.2. De minister heeft met het bestreden besluit van 14 februari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. 2.3. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Zij heeft ook de voorzieningenrechter verzocht een voorlopige voorziening te treffen. 2.4. De rechtbank heeft het beroep en het verzoek om een voorlopige voorziening op 17 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiseres, de gemachtigde van eiseres, T. Kibuuka als tolk in de taal Luganda en de gemachtigde van de minister deelgenomen. Asielrelaas 3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiseres is van Ugandese nationaliteit en behoort tot de Muganda bevolkingsgroep. Eiseres en haar man zijn op 15 september 2025 thuis aangevallen door zes mannen in politie-uniform. Haar man is daarna door die mannen meegenomen, vanwege zijn politieke activiteiten. Hij is namelijk lid geworden van de National Unity Platform (NUP), een oppositiepartij in Uganda. Eiseres is daarna op zoek gegaan naar haar man, maar vervolgens werd ook zij gezocht. Eiseres is daarom ondergedoken en heeft uiteindelijk het land verlaten. Zij vreest bij terugkeer te worden gearresteerd. Besluitvorming 4.1. De minister onderscheidt de volgende asielmotieven Identiteit, nationaliteit en herkomst. Problemen vanwege de politieke activiteiten van haar man. 4.2. De minister acht de problemen vanwege de politieke activiteiten van de man van eiseres niet geloofwaardig. Volgens de minister heeft eiseres onvoldoende documenten aangeleverd over de politieke activiteiten die haar man verrichtte en onvoldoende documenten waaruit de relatie met haar man is gebleken. Dat een map met documenten is meegenomen bij de inval door de politie, betekent nog niet dat van haar niet verwacht kan worden dat zij documenten aanlevert. Nu eiseres bij de Koninklijke Marechaussee (KMar) heeft verklaard zelf het visum te hebben aangevraagd betekent dat volgens de minister dat eiseres in staat moet zijn een dossier met relevante documenten samen te stellen. Volgens de minister valt niet in te zien dat de man van eiseres geen namen gelieerd aan de NUP aan eiseres heeft genoemd. Eiseres haar verklaringen hierover vormen verder geen samenhangend en aannemelijk geheel. 4.3. De minister heeft verder overwogen dat de verklaringen van eiseres niet overeen komen met haar visumdossier. Zij heeft geen toelichting gegeven waarom haar verklaring bij de KMar afwijkt van haar verklaring bij het aanmeldgehoor. De minister gaat niet mee in de verklaring van eiseres dat zij de visumaanvraag enkel heeft ondertekend en niet zelf heeft aangevraagd. 4.4. Volgens de minister heeft eiseres ook vaag, summier en niet aannemelijk verklaard over haar ervaringen met de politie, over de NUP en de politieke activiteiten van haar man, over haar man en hun relatie en over haar laatste maanden in Uganda. Volgens de minister kan eiseres in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd. 4.5. De minister acht de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres wel geloofwaardig. Volgens de minister is eiseres echter geen vluchteling zoals bedoeld in het Vluchtelingenverdrag, omdat zij op grond van haar geloofwaardige asielmotief geen gegronde vrees voor vervolging heeft. Zij loopt geen reëel risico op ernstige schade en is geen gezinslid van een persoon met een asielvergunning in Nederland. 4.6. Met het besluit van 14 februari 2026 heeft de minister aan eiseres ook een terugkeerbesluit, dat inhoudt dat eiseres Nederland onmiddellijk moet verlaten en moet terugkeren naar Uganda, en een inreisverbod voor de duur van twee jaar opgelegd. Beoordeling door de rechtbank Onjuist referentiekader 5.1. Eiseres voert aan dat de minister uitgaat van een onjuist referentiekader. De minister is in de visie van eiseres ten onrechte uitgegaan van de gegevens over eiseres in het visumdossier, zoals haar opleiding en het feit dat zij de Engelse taal kan lezen. 5.2. De rechtbank volgt eiseres in dit standpunt, in die zin dat de minister naar het oordeel van de rechtbank ten onrechte geen rekening heeft gehouden met het feit dat eiseres geen Engels kan lezen. Dit heeft zij bij het aanmeldgehoor meteen aangegeven en ook op de zitting bij de rechtbank heeft zij dat verklaard. Deze vaststelling is ook van belang voor de volgende beroepsgrond, die de rechtbank hierna zal bespreken. Verklaringen over het visum 6.1. Eiseres voert aan dat zij het visum uitsluitend heeft ondertekend maar dat zij de informatie in het visumdossier niet zelf heeft verstrekt maar dat een vriend, genaamd [persoon] , daarvoor heeft gezorgd en dat zij hem daar ook voor heeft betaald. Dat heeft zij ook steeds zo aangegeven. De uiteenlopende verklaringen uit het visumdossier zijn dus niet van haar afkomstig. 6.2. De rechtbank is van oordeel dat de minister er ten onrechte van uit is gegaan dat de informatie in het visumdossier van eiseres zelf afkomstig is. Eiseres heeft bij de asielgehoren steeds aangegeven dat zij de visumaanvraag alleen heeft ondertekend maar dat de informatie uit het visumdossier niet van haar afkomstig is. De rechtbank vindt dit aannemelijk, omdat het visumdossier is opgesteld in de Engelse taal en eiseres vanaf het begin heeft verklaard dat zij geen Engels kan lezen. Zoals in 5.2. reeds is vastgesteld, had de minister daar ook rekening mee moeten houden bij het referentiekader. Het visumdossier bestaat daarbij voor een groot deel uit standaardteksten. Eiseres heeft ook op de zitting bij de rechtbank verklaard dat het visumdossier niet van haar afkomstig is maar dat zij slechts de aanvraag heeft ondertekend. De rechtbank vindt daarom dat niet kan worden uitgegaan van de vermelding in het verslag van het gehoor bij de KMar dat eiseres heeft gezegd dat zij het visum zelf heeft geregeld. De minister had er daarom ook niet vanuit mogen gaan dat eiseres in staat is om een dossier van relevante documenten zelf samen te stellen. 6.3. Uit het voorgaande volgt dat de geloofwaardigheidsbeoordeling van de minister niet in stand kan blijven. Een groot deel van die beoordeling is er namelijk op gebaseerd dat de visumaanvraag en de daarbij overgelegde verklaringen van eiseres zelf afkomstig zijn. Nu de minister daar niet meer van uit kan gaan, kan de minister niet meer stellen dat de verklaringen tijdens de gehoren niet overeenkomen met het visumdossier. Het gaat dan bijvoorbeeld om de gegevens uit het visumdossier zoals deze zijn opgenomen op pagina 5 van het voornemen van 11 februari 2026, namelijk dat in het visumdossier staat dat eiseres kerkelijk is getrouwd, terwijl zij heeft verklaard moslima te zijn, dat zij getrouwd is met een andere man, dat zij geen naaister is maar heeft gewerkt als landbouw researcher en dat zij een ander adres heeft dan zij heeft verklaard in haar gehoren. Voor wat betreft het kerkelijke huwelijk is de rechtbank ook verder gebleken dat de gegevens in het visumdossier daarover niet kloppen. Eiseres heeft op de zitting namelijk toegelicht dat zij traditioneel gehuwd is in familiekring, en niet voor een kerk of voor autoriteiten. Er is geen akte van haar huwelijk. Op de zitting heeft zij verder verklaard dat ze haar man in 2023 heeft leren kennen. De huwelijksakte in het visumdossier is uit 2017 en eiseres kent de naam van de man in het visumdossier niet. De rechtbank twijfelt niet aan deze verklaring van eiseres. Verklaringen over de politie, over de NUP en over haar man 7.1. Ten aanzien van haar verklaringen over de politie voert eiseres aan dat het niet bevreemdend is dat zij niet eerder is gearresteerd. De politie was op zoek naar haar man, en niet naar haar. Het was voor haar belangrijk om haar man te vinden, daarom ging zij naar het politiebureau. Dat ze weg heeft kunnen gaan bij het werk van haar man, komt omdat zij geluk heeft gehad. De opmerking van de minister dat het gaat om professionele getrainde mensen, is slechts een aanname van de minister. 7.2. Ten aanzien van de verklaringen over haar man en de gesprekken die ze met hem heeft gehad over hun levens, de grond en het huis dat ze wilden kopen, voert eiseres aan dat zij alles heeft verklaard, zoals zij heeft kunnen verklaren. De minister had niet van haar kunnen verwachten dat zij meer verklaarde over de NUP. Zij had geen bemoeienis met deze partij en was slechts aanhanger daarvan. 7.3. De rechtbank overweegt hierover als volgt. Eiseres heeft een handgeschreven briefje van het politiebureau overgelegd, waarop staat: ‘ [plaats] Police Station, [documentnummer] , Disappearance.’ Dit briefje heeft eiseres in origineel op de zitting getoond. De rechtbank ziet dit briefje als een begin van een onderbouwing van de verklaringen van eiseres. Uit dit briefje lijkt te volgen dat eiseres op de dag nadat haar man vermist was geraakt naar het politiebureau is gegaan om dat te melden. Eiseres heeft verder de originele overeenkomst van de verkoop van haar onderneming ‘ [bedrijf] ’ overgelegd. Ook dit kan worden gezien als een begin van onderbouwing van de verklaring van eiseres dat zij haar onderneming heeft verkocht om geld te krijgen zodat ze [persoon] kon betalen voor het visum. Deze stukken heeft zij, zo verklaarde zij ter zitting, in Nederland op verzoek toegestuurd gekregen van de mensen bij wie zij laatstelijk ondergedoken zat. Daarmee laat eiseres ook haar inspanning zien om stukken te verzamelen. 7.4. De rechtbank overweegt verder dat het feit dat eiseres niet meer heeft verklaard over de NUP en de activiteiten van haar man bij deze partij, nog niet maakt dat haar verklaringen daarover ongeloofwaardig zijn. Eiseres heeft namelijk verklaard dat zij alleen aanhanger was van deze partij en dat zij geen lid was. Daarom kon zij er ook niet meer over vertellen. Tegen die achtergrond volgt de rechtbank de minister niet in zijn oordeel dat eiseres vaag heeft verklaard over de NUP en de politieke activiteiten van haar man. Tussenconclusie 8.1. De rechtbank is op grond van de arresten Quotal en Ebilum van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 4 juni 2026 bevoegd om een bindende uitspraak te doen over de geloofwaardigheid van het overgelegde asielrelaas. De rechtbank ziet daar in deze zaak echter geen aanleiding voor. Eiseres heeft wel een begin van bewijs geleverd, maar dat is onvoldoende om nu tot een algehele afdoening te komen. De minister zal de geloofwaardigheidsbeoordeling opnieuw moeten doen, omdat de minister ten onrechte is uitgegaan van de gegevens uit het visumdossier. 8.2. Omdat de minister de geloofwaardigheidsbeoordeling opnieuw moet doen, heeft eiseres meer tijd om nader bewijs te verkrijgen en in te brengen omtrent de kern van haar asielrelaas, waaronder de politieke activiteiten van haar man bij de NUP. Nieuwe, door eiseres in te brengen stukken kunnen ook aanleiding zijn voor de minister om een nader onderzoek te doen in het kader van de waarheidsvinding en de samenwerkingsverplichting. Conclusie en gevolgen 9.1. Het beroep is gegrond. De minister heeft het bestreden besluit ondeugdelijk gemotiveerd en heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit. De minister zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. 9.2. Omdat de rechtbank nu beslist op het beroep van eiseres, is er geen aanleiding meer om een voorlopige voorziening te treffen. De voorzieningenrechter wijst dit verzoek dan ook af. 9.3. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiseres een vergoeding van haar proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 2.802,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het indienen van een verzoekschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- bij een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.9352: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit; draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak; veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres. De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.9353: wijst het verzoek om een voorlopige voorziening af; veroordeelt de minister tot betaling van € 934,- aan proceskosten aan eiseres. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.G. Vegter, rechter, in aanwezigheid van mr.I.G.A. Karregat, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Vreemdelingenwet 2000 Zie de zaken C-198/25 (Quotal, ECLI:EU:C:2026:447) en C-440/25 (Ebilum, ECLI:EU:C:2026:448).