← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:19625

Rechtbank Den Haag · 2026-05-28 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL26.23731 NL26.23734
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
6.550 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Tweede beroep niet tijdig beslissen op de aanvragen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd, 21-maandentermijn overschreden. Dictum: gegrond. Beslistermijn van zes weken.

Materiële kern

uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummers: NL26.23731 en NL26.23734 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiser 1] , met V-nummer: [V-nummer] , [eiser 2] , met V-nummer: [V-nummer] , hierna gezamenlijk: eisers (gemachtigde: mr. K. Benchaïb), en de minister van Asiel en Migratie, de minister. Procesverloop Deze uitspraak gaat over de beroepen die eisers hebben ingediend na de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, van 10 juni 2025. In die uitspraak staat onder meer dat de minister binnen acht weken na verzending van die uitspraak moet beslissen op de aanvragen om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (hierna: de aanvragen). Eisers stellen nu beroepen in, omdat de minister binnen die termijn geen beslissing heeft genomen op de aanvragen. Overwegingen 1. De rechtbank vindt het in deze zaken niet nodig om partijen uit te nodigen voor een zitting. 2. Als een bestuursorgaan niet op tijd op een aanvraag beslist, dan kan de betrokkene daartegen in beroep gaan. Voordat hij beroep kan instellen, moet de betrokkene schriftelijk aan het bestuursorgaan laten weten dat binnen twee weken alsnog moet worden beslist op zijn aanvraag (de zogenoemde ingebrekestelling). Als er na twee weken nog steeds geen besluit is genomen, dan kan de betrokkene beroep instellen. 3. De bestuursrechter heeft in de uitspraak van 10 juni 2025 een uitdrukkelijke en inmiddels verstreken termijn gesteld voor het nemen van besluiten. De rechtbank stelt vast dat de minister niet binnen de door de rechtbank genoemde termijn alsnog besluiten heeft genomen op de aanvragen. De beroepen zijn kennelijk gegrond. Welke nadere beslistermijn legt de rechtbank aan de minister op? 4. De rechtbank geeft de minister in beginsel een termijn van twee weken na de dag van verzending van de uitspraak om alsnog besluiten te nemen. Er kunnen omstandigheden zijn die ervoor zorgen dat de rechtbank een andere termijn geeft. In deze zaken is dit aan de orde. 5. Bij het bepalen van een passende nadere beslistermijn maakt de rechtbank een afweging. Daarbij houdt zij rekening met het belang van zowel snelle als zorgvuldige besluitvorming. Dat de beslistermijn van 21 maanden waarbinnen de behandelingsprocedure dient te worden afgerond inmiddels is overschreden, is één van de aspecten die de rechtbank in deze afweging meeweegt. Ook houdt de rechtbank er rekening mee dat uit de beschikbare stukken blijkt dat eisers wel zijn gehoord omtrent hun asielmotieven en de minister nog geen vervolgactie heeft ondernomen. De rechtbank bepaalt daarom dat de minister binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak besluiten op de aanvragen bekend moet maken. De rechtbank verbindt een rechterlijke dwangsom aan de uitspraak 6. De rechtbank verbindt aan haar uitspraak een dwangsom overeenkomstig het beleid dat de rechtbanken in dit verband hanteren. De rechtbank bepaalt in deze zaken dat de minister een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee de minister de in de uitspraak bepaalde beslistermijn nu nog overschrijdt. Daarbij geldt een maximum van € 15.000,-. Mede onder invloed van de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van Raad van State van 31 maart 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1792, hanteert deze zittingsplaats van de rechtbank bij opvolgende beroepen tegen het niet tijdig beslissen niet langer het hogere tarief van € 250,-, met een maximum van € 37.500,-. Dit is slechts anders indien de rechtbank een sterke prikkel voor de minister nodig acht om tot een besluit op de aanvraag te komen. Daarvan is in deze zaken geen sprake. Conclusie en gevolgen 7. De beroepen zijn gegrond. Dat betekent dat eisers gelijk krijgen en dat de minister binnen zes weken alsnog besluiten op de aanvragen bekend moet maken. Als de minister dat niet doet, dan verbeurt hij een dwangsom. 8. Omdat de beroepen gegrond zijn, krijgen eisers ook een vergoeding voor de proceskosten die zij hebben gemaakt. De minister moet dit betalen. Volgens het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) is dit een vast bedrag, omdat eisers een professionele (juridische) hulpverlener hebben ingeschakeld om voor hen een beroepschrift in te dienen. Omdat de zaken alleen gaan over de vraag of de beslistermijn is overschreden, wordt een lager bedrag toegekend (wegingsfactor 0,5). Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Toegekend wordt € 467,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 0,5). 9. De rechtbank beschouwt deze zaken vanwege de inhoud als samenhangende zaken. Immers, eisers zijn broers, hebben hun aanvragen gelijktijdig ingediend en hebben dezelfde gemachtigde. Daarom blijft de hoogte van de vergoeding beperkt tot het bedrag dat in één zaak zou worden toegekend. Dit geldt ook voor de te verbeuren rechterlijke dwangsom. Beslissing De rechtbank: verklaart de beroepen gegrond; vernietigt het met besluiten gelijk te stellen niet tijdig nemen van besluiten; draagt de minister op om binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak alsnog besluiten op de aanvragen bekend te maken; bepaalt dat de minister aan eisers een dwangsom van € 100,- moet betalen voor elke dag waarmee hij de hiervoor genoemde termijn overschrijdt, met een maximum van € 15.000,-, toe te kennen in zaaknummer NL26.23731; veroordeelt de minister in de proceskosten van eisers tot een bedrag van € 467,-, toe te kennen in zaaknummer NL26.23731. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.P. Loman, rechter, in aanwezigheid van B. Kramer, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 28 mei 2026 Documentcode: [Documentcode] Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak kunt een brief sturen naar de rechtbank waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een verzetschrift. U moet dit verzetschrift indienen binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als u graag een zitting wilt waarbij u persoonlijk uw mening aan de rechter kunt geven, kunt u dit in uw verzetschrift aangeven. Zaaknummers NL25.20758 en NL25.20762. Artikel 8:54, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht (Awb). Artikel 6:2, onder b, en 6:12, tweede lid, van de Awb. ECLI:NL:RVS:2021:774. Artikel 8:55d, eerste en derde lid, van de Awb. ECLI:NL:RVS:2020:1560. Artikel 8:55d, tweede lid, van de Awb. Zie https://www.rechtspraak.nl/onderwerpen/overheidsorganisatie-beslist-niet-op-tijd/extra-dwangsom Artikel 3 van het Bpb. ECLI:NL:RVS:2020:1624.