ECLI:NL:RBDHA:2026:19617
Rechtbank Den Haag · 2026-07-16 · Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Bewaring, kennisgeving intrekken, proceskostenvergoeding voor indiening beroep, kan een kennisgeving worden ingetrokken?
Materiële kern
uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.35425 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres (gemachtigde: mr. B.A. Palm), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: J. Raaijmakers). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiseres is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiseres is het niet eens met de oplegging van die maatregel. Onder meer aan de hand van eventuele beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiseres een schadevergoeding moet worden toegekend.1 1.1. Omdat de vreemdelingenbewaring is opgeheven, beperkt de beoordeling van de maatregel van vreemdelingenbewaring zich in deze zaak tot de vraag of aan eiseres schadevergoeding moet worden toegekend.2 In dit verband beoordeelt de rechtbank of de tenuitvoerlegging van de maatregel van vreemdelingenbewaring op enig moment voorafgaande aan de opheffing daarvan onrechtmatig is geweest. 1.2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep door eiseres is ingetrokken en dat de minister wordt veroordeeld in de door eiseres gemaakte proceskosten. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 25 juni 2026 heeft de minister aan eiseres de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. 1. Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw. 2 Op grond van artikel 106 van de Vw kan de rechtbank indien de bewaring al is opgeheven vóór de behandeling van het verzoek om opheffing van de bewaring aan eiseres een schadevergoeding ten laste van de Staat toekennen. 2.1. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiseres ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.3 2.2. De minister heeft op 30 juni 2026 de maatregel van vreemdelingenbewaring opgeheven en bij brief van 1 juli 2026 eiseres schadevergoeding aangeboden voor de gehele duur van de maatregel. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Kan een kennisgeving van de minister worden ingetrokken door eiseres? 3. Eiseres heeft ter zitting aangegeven de met een door de vreemdeling ingesteld beroep gelijk te stellen kennisgeving in te trekken, omdat de minister al een schadevergoeding heeft aangeboden voor de gehele periode dat zij in bewaring heeft gezeten, behoudens het verzoek om een proceskostenveroordeling. 4. De minister stelt zich op het standpunt dat, gelet op artikel 94, vijfde lid van de Vw en artikel 11, derde lid, van de Opvangrichtlijn4 het beroep door middel van een kennisgeving niet kan worden ingetrokken door (de gemachtigde van) de vreemdeling. Op het moment dat een kennisgeving door (de gemachtigde van) de vreemdeling kan worden ingetrokken, heeft dat tot gevolg dat de rechtmatigheid van de bewaring niet (meer) door de rechter wordt getoetst. Dit is strijdig met artikel 11, derde lid, van de Opvangrichtlijn omdat de rechtmatigheid van de bewaring in een dergelijk geval ongetoetst blijft. De minister stelt dat het niet uitmaakt of de bewaring al is opgeheven of niet, omdat de wet hier ook geen onderscheid in maakt. 5. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het mogelijk is voor een vreemdeling om een kennisgeving als bedoeld in artikel 94, eerste lid, van de Vw in te trekken. 6. Artikel 94, eerste lid, van de Vw bepaalt dat de minister de rechtbank onverwijld via een kennisgeving in kennis stelt van een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel. Zodra de rechtbank deze kennisgeving ontvangt wordt de vreemdeling geacht beroep te hebben ingesteld tegen het besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel. 7. Uit artikel 11, derde lid, van de Opvangrichtlijn volgt dat, indien de bewaring door een administratieve instantie wordt bevolen, ambtshalve of op verzoek van de verzoeker, of beide, de rechtmatigheid van de bewaring door de rechter met spoed wordt getoetst. De wetgever heeft ervoor gekozen om de toetsing van de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring ambtshalve aan de rechter voor te leggen door middel van het verzenden door de minister van een kennisgeving. De mogelijkheid voor het instellen van beroep door de 3 Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw. 4 Richtlijn (EU) 2024/1346 van het Europees Parlement en de Raad van 14 mei 2024 tot vaststelling van normen voor de opvang van verzoekers om internationale bescherming. vreemdeling zelf is niet (meer) opgenomen in de Vw. Dat dit een bewuste keuze is, blijkt naar het oordeel van de rechtbank uit de Memorie van Toelichting (MvT)5 waarin onder meer het volgende is opgenomen: “In dit wetsvoorstel wordt artikel 94, eerste lid, Vw 2000 aangepast aan de keuze van de regering om enkel ambtshalve beroep open te stellen tegen een vrijheidsontnemende maatregel. De vreemdeling hoeft daardoor niet zelf beroep in te stellen. In verband met de kortere uitspraaktermijn in bewaringszaken wordt in het voorgestelde artikel 94, eerste lid, Vw 2000 opgenomen dat de Minister van Asiel en Migratie de rechtbank onverwijld in kennis stelt van een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel na de bekendmaking daarvan. Aanvankelijk werd beoogd zowel de ambtshalve toetsing door de rechter als de mogelijkheid voor de vreemdeling om zelf beroep in te stellen, open te houden. Naar aanleiding van de consultatiereacties, in het bijzonder met betrekking tot de uitvoerbaarheid, kiest de regering ervoor alleen nog de ambtshalve toetsing door de rechter te behouden, waarbij de rechtbank onverwijld na de bekendmaking in kennis wordt gesteld van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel. Dit levert namelijk minder administratieve lasten op voor de uitvoering en de rechtspraak en zorgt ervoor dat de kortere uitspraaktermijn optimaal kan worden benut.” 8. Ter waarborging van de spoedige rechterlijke toetsing is in artikel 11, derde lid, van de Opvangrichtlijn eveneens bepaald dat deze toets zo snel mogelijk wordt afgerond, rekening houdend met de omstandigheden van elk geval, en uiterlijk 15 dagen of in uitzonderlijke omstandigheden uiterlijk 21 dagen na de aanvang van de bewaring. Indien de in de eerste alinea bedoelde rechterlijke toetsing ambtshalve wordt uitgevoerd en niet binnen 21 dagen na de aanvang van de bewaring is afgerond, wordt de betrokken verzoeker onmiddellijk vrijgelaten. Deze bepalingen uit de Opvangrichtlijn zijn opgenomen in artikel 94, vijfde lid, van de Vw. 9. Voorts is in artikel 11, vijfde lid, van de Opvangrichtlijn bepaald dat, indien de toetsing ertoe leidt dat de bewaring als onrechtmatig wordt beoordeeld, de betrokken verzoeker onmiddellijk wordt vrijgelaten. Deze bepaling in de Opvangrichtlijn is overgenomen in artikel 94, lid 6, van de Vw. 10. De rechtbank ziet dat de wetgever belang hecht aan een spoedige rechterlijke toetsing zodra iemand in bewaring wordt gesteld en zo lang iemand zich in bewaring bevindt. De kennisgeving dient hierbij als middel om de maatregel van bewaring zo spoedig mogelijk ter toetsing voor te leggen aan een rechtbank, en om de bewaringsrechter in staat te stellen om binnen 15, dan wel 21, dagen uitspraak te doen. Daarnaast heeft de wetgever om praktische redenen omtrent de uitvoerbaarheid gekozen voor een systeem waarbij de rechtbank via een kennisgeving in kennis wordt gesteld van een besluit tot inbewaringstelling. 5 MvT, 2025-2026, 36 871, nr. 3, pagina 84 e.v. 11. Op grond van het bovenstaande is de rechtbank dan ook van oordeel dat in situaties dat de vreemdeling zich nog in bewaring bevindt, aanleiding kan bestaan voor het oordeel dat de kennisgeving niet kan worden ingetrokken6. 12. In geval dat een maatregel ten tijde van de rechterlijke toets is opgeheven, vervalt de noodzaak tot een spoedige toetsing, omdat de beroepsprocedure in dat geval immers niet meer kan leiden tot opheffing van die maatregel en onmiddellijke invrijheidsstelling van de vreemdeling. De procedure dient dan enkel voor de afhandeling van een verzoek om schadevergoeding. In dergelijke gevallen acht de rechtbank het in beginsel mogelijk dat de vreemdeling de kennisgeving intrekt, mede omdat over het algemeen genomen de vreemdeling voldoende in staat moet worden geacht om een afweging te maken met betrekking tot het al dan niet voortzetten van de procedure. In het voorliggende geval acht de rechtbank eiseres voldoende in staat om zelf af te wegen of zij haar verzoek om een schadevergoeding voort wil zetten, of dat zij inschat dat dit geen grote kans van slagen heeft. De gemachtigde van eiseres heeft desgevraagd ter zitting verklaard akkoord te zijn met de hoogte van de schadevergoeding. Om die reden is de rechtbank van oordeel dat eiseres de kennisgeving in deze zaak heeft mogen intrekken. 13. Gelet hierop bestaat voor de rechtbank geen grondslag meer om uitspraak te doen op het beroep. Proceskostenvergoeding 14. Eiseres heeft de rechtbank verzocht om de minister te veroordelen in de gemaakte proceskosten. Eiseres heeft verzocht om toekenning van twee punten, één punt voor het verschijnen ter zitting en één punt voor het indienen van het beroepschrift. Hiertoe voert eiseres aan dat, ook al heeft haar gemachtigde geen online beroepsformulier ingediend, dit niet betekent dat haar gemachtigde in deze procedure in het geheel geen handelingen heeft verricht, anders dan het verschijnen ter zitting, en de gemachtigde van eiseres nog steeds de zaak inhoudelijk moet voorbereiden. 15. De minister voert aan dat eiseres enkel een punt dient te krijgen voor het verschijnen ter zitting, en niet voor het indienen van het beroep. De minister voert daartoe aan dat het initiatief voor een kennisgeving bij de minister ligt, en niet bij eiseres. Eiseres voert dus geen handelingen uit voor het indienen van een beroep, en kan daarom daarvoor geen proceskostenvergoeding krijgen. 16. De rechtbank volgt de minister hierin niet. Op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw wordt een kennisgeving gelijkgesteld met een door de vreemdeling ingediend beroep. Dat een gemachtigde nu het online beroepsformulier niet meer hoeft in te vullen en in te dienen, is naar oordeel van de rechtbank onvoldoende om te beslissen dat de hiervoor bedoelde proceskostenvergoeding komt te vervallen. De rechtbank wijst erop dat een kennisgeving als bedoeld in artikel 94, eerste lid, van de Vw wordt gelijkgesteld met een door de vreemdeling ingediend beroep, en heeft geen aanleiding om eraan te twijfelen dat door een gemachtigde in het geheel geen met het indienen van een kennisgeving samenhangende handelingen worden verricht. 6 Zie bijvoorbeeld de uitspraken van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch van 3 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:18519, en van deze rechtbank en zittingsplaats van 6 juli 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:18893. 17. Dit leidt de rechtbank tot het oordeel dat aanleiding bestaat om de minister te veroordelen tot het betalen van de proceskosten van eiseres. De rechtbank stelt de kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand daarom vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift met een waarde per punt van € 934,- 1 punt voor het verschijnen ter zitting met de waarde van € 934,- en een wegingsfactor 1). Conclusie en gevolgen 18. Eiseres krijgt een vergoeding van haar proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiseres geacht wordt beroep te hebben ingesteld en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiseres. Deze uitspraak is gedaan door mr. P. Bruins, rechter, in aanwezigheid van mr. T. Rommes, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 16 juli 2026 Documentcode: [documentcode] Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.