← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:19587

Rechtbank Den Haag · 2026-07-13 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL26.36939
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
17.832 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Bewaring /overschrijding termijn ophouding / borgstelling – eiser is overgenomen uit de strafrechtketen, is op de asielgrond in bewaring gesteld en trekt zijn asielaanvraag na enkele dagen weer in – de ophoudingstermijn is overschreden maar dat is verschoonbaar omdat het in het belang van eiser was om zijn gemachtigde te spreken voorafgaand aan het bewaringsgehoor – eiser heeft een aanzienlijk geldbedrag bij zich, dat in dit geval niet uitdrukkelijk is gemotiveerd waarom een borgstelling bij wijze van lichter middel niet kon worden opgelegd maakt de maatregel niet onrechtmatig omdat in de maatregel deugdelijk is gemotiveerd dat de maatregel noodzakelijk is om de asielprocedure te kunnen laten plaatsvinden – dat de rechtbank de daags voor de zitting opvolgend opgelegde maatregel niet meteen controleert is anders dan gesteld geen excessief formalisme, maar het waarborgen van een zorgvuldige en rechtvaardige procedure – beroep ongegrond.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Roermond Bestuursrecht zaaknummer: NL26.36939 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , (V-nummer: [V-nummer] ), eiser, (gemachtigde: mr. M.M.G. Crompvoets), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder, (gemachtigde: mr. R.P.G. van Bel). Procesverloop Verweerder heeft aan eiser op 2 juli 2026 op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder a en b, van de Vw de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. Verweerder heeft de maatregel op 8 juli 2026 opgeheven en aansluitend een maatregel van bewaring ter fine van terugkeer naar Tunesië opgelegd. De rechtbank heeft het beroep op 9 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Beoordeling door de rechtbank 1. Verweerder heeft aan eiser na overname uit de strafrechtketen de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd op de zogenoemde asielgrond. Eiser stelt zich allereerst op het standpunt dat de termijn voor de ophouding is overschreden en dit niet verschoonbaar is en de maatregel daarom onrechtmatig is. De rechtbank is het hier niet mee eens. In de maatregel is benoemd dat de termijn voor de ophouding is overschreden en is tevens gemotiveerd wat hier de oorzaak van is. In de maatregel is beschreven dat eiser op 1 juli 2026 om 20:15 uur is overgenomen uit het strafrecht en dat de piketcentrale tussen 20:00 uur en 07:00 uur is gesloten. Vervolgens is uitgelegd dat om 09:00 uur kon worden begonnen met het gehoor maar dat het belang op rechtsbijstand groter werd geacht dan het om 09:00 uur starten met het gehoor en dat daarom eiser van 09:02 uur tot 09:41 uur in de gelegenheid is gesteld om eerst met zijn gemachtigde te spreken en daarna nog de maatregel moest worden ‘afgewogen, gemaakt en uitgereikt’. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting aangegeven dat zij reeds om 08:30 uur bij het politiebureau te Heerlen was, maar dat dit bureau pas om 09:00 uur de deur opent voor bezoek. Daargelaten dat de rechtbank overweegt dat rechtsbijstandverleners zou moeten worden toegestaan om hun cliënten ook te bezoeken buiten de uren dat het politiebureau voor publiek geopend is, stelt de rechtbank vast dat de in de maatregel weergegeven feitelijke inhoud niet wordt betwist. De rechtbank acht de termijnoverschrijding verschoonbaar omdat de brigadier die de maatregel heeft opgelegd zorgvuldig heeft gehandeld en het belang van rechtsbijstand heeft onderkend als het mogelijk opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel aan de orde is. De rechtbank overweegt in aanvulling hierop dat uit de formulering die de brigadier heeft gebruikt, namelijk dat de maatregel ook moet worden ‘afgewogen’, blijkt dat deze brigadier ook onderkent dat het opleggen van een maatregel maatwerk vereist en het horen en beslissen, indien dit zorgvuldig gebeurt, tijd in beslag neemt en ‘afraffelen om binnen de termijn te blijven’ zich niet verhoudt met het karakter voor vrijheidsontneming. Het gehoor is gelet op de vragen die zijn gesteld zorgvuldig verlopen en is een gedegen onderzoek om te kunnen beoordelen of oplegging van de maatregel noodzakelijk, proportioneel en evenredig is. Anders dan de rechtbank in veel bewaringsgehoren constateert, heeft de brigadier die deze maatregel heeft opgelegd, daadwerkelijk onderzocht of de maatregel op de asielgrond moet worden opgelegd en heeft dit onderzoek onder meer betrekking op de vraag of eiser zich aan de asielprocedure zal onttrekken in plaats van of eiser de terugkeerprocedure frustreert. De beroepsgrond dat de termijnoverschrijding niet verschoonbaar is slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat de termijnoverschrijding van 13 minuten verschoonbaar is omdat deze overschrijding is veroorzaakt door eiser in de gelegenheid te stellen zijn recht op rechtsbijstand uit te oefenen en met zijn gemachtigde te spreken alvorens gehoord te worden over een mogelijk op te leggen bewaringsmaatregel. De rechtbank merkt hierbij tot slot op dat het in belang is van eiser dat hij niet alleen met zijn gemachtigde kan spreken, maar dat hij ook zorgvuldig wordt gehoord. Een ophoudingsfase die 13 minuten langer duurt dan formeel toegestaan omdat grondig wordt onderzocht of de maatregel moet worden opgelegd kan namelijk ook leiden tot de beoordeling dat er geen maatregel wordt opgelegd. Indien de brigadier het gehoor eerder dan gewenst had afgebroken om een termijnoverschrijding te voorkomen, had de vrijheidsontneming tot aan de opheffing van de maatregel 13 minuten langer op grond van de maatregel plaatsgevonden, zodat in dit geval ook niet kan worden gesteld dat eiser van de termijnoverschrijding ‘last heeft gehad’. Er is dus geen sprake van een gebrek in de ophouding. 2. In deze maatregel is vermeld dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op de vaststelling van de identiteit of nationaliteit van eiser (a-grondslag) en met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag (b-grondslag). 3. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser: a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; c. niet dan wel niet voldoende meewerkt aan het vaststellen van zijn identiteit en nationaliteit; e. zich zonder noodzaak heeft ontdaan van zijn reis- of identiteitsdocumenten; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft. 4. Eiser heeft de gronden a en e bestreden. Eiser heeft de overige gronden niet bestreden. Naar het oordeel van de rechtbank zijn de niet betwiste gronden c, p en r en de daarbij gegeven toelichting feitelijk juist en samen met de toelichting daarbij al voldoende om aan te nemen dat een risico op onttrekking bestaat. Deze gronden samen kunnen de maatregel van bewaring dan ook al dragen. Aan een bespreking van de wel betwiste gronden a en e komt de rechtbank daarom niet meer toe. 5. Eiser stelt zich op het standpunt dat er geen onderzoek is gedaan naar de mogelijkheid om een borgsom als lichter middel toe te passen. Uit de M105-A blijkt immers dat er bij fouillering een bedrag van € 4.439,05 in eisers bagage is aangetroffen en dat had kunnen worden gebruikt voor een borgsom. Verweerder heeft in de maatregel niet gemotiveerd dat deze mogelijkheid is onderzocht. 6. De rechtbank stelt vast dat verweerder inderdaad niet heeft gemotiveerd waarom de mogelijkheid van oplegging van een borgsom niet is betrokken bij de beslissing om geen lichter middel toe te passen. Anders dan eiser stelt, leidt dit echter niet tot de conclusie dat de maatregel onrechtmatig moet worden bevonden. 7. De rechtbank overweegt dat verweerder moet onderzoeken of in het individuele geval van eiser de maatregel van bewaring noodzakelijk, proportioneel en evenredig is. Artikel 10, lid vijf, van richtlijn 2024/1346 schrijft voor dat de lidstaten ervoor zorgen dat in het nationale recht regels worden vastgesteld over alternatieven voor bewaring, zoals het zich regelmatig melden bij de overheid, het stellen van een borgsom of een verplichting om op een toegewezen plaats te blijven. Eiser heeft terecht gewezen op deze bepaling in de richtlijn, welke richtlijn geen overgangsrecht kent en dus van toepassing is op de in deze procedure te beoordelen maatregel. Een borgstelling is in de Nederlandse (vreemdelingen-) rechtspraktijk niet gangbaar als lichter middel, maar de Uniewetgever heeft deze mogelijkheid uitdrukkelijk benoemd zodat er in concrete procedures aanleiding kan zijn om deze mogelijkheid te onderzoeken. De rechtbank wijst in dit verband op de ‘EUAA Guidelines on Alternatives on Detention’ van december 2024. Bewaring is immers een ultimum remedium en met name ten aanzien van asielzoekers heeft te gelden dat het opleggen van een vrijheidsontnemende maatregel een grondig onderzoek naar alternatieve mogelijkheden om de voortgang van de asielprocedure te verzekeren vereist. Eiser heeft ter zitting terecht gewezen op de financiële middelen die hij in contant geld bij zich droeg. In de maatregel is echter zeer deugdelijk gemotiveerd waarom het onttrekkingsrisico dat uit de verklaringen en gedragingen van eiser volgt in de weg staat aan het opleggen van een lichter middel. De rechtbank overweegt dat een borgstelling aan de orde kan zijn om te voorkomen dat een onttrekkingsrisico zich zal verwezenlijken. Dit heeft dus betrekking op beoordeling van de noodzaak om een vrijheidsontnemende maatregel op te leggen om, in dit geval, de asielaanvraag te kunnen beoordelen. In de maatregel is benoemd dat eiser heeft verklaard dat op 30 juni 2026 liftend naar Nederland is gekomen en op doorreis te zijn geweest naar Amsterdam voor het vieren van een vakantie en dat hij eerst verklaarde dat hij op doorreis was naar Amsterdam, maar dat hij wel zou terugkeren naar België en vervolgens asiel wilde aanvragen. Tevens is benoemd dat eiser in zijn bewaringsgehoor heeft verklaard dat hij een vriendin in België heeft, maar eerder ten aanzien van andere collega’s heeft verklaard dat hij op zoek was naar een vrouw toen hem werd gevraagd of hij een relatie had. In de maatregel is deugdelijk gemotiveerd waarom eiser met zijn verklaringen de schijn wekt dat hij geen oprechte asielwens heeft en dat eiser lang illegaal in de Unie verblijft, niet terug wil keren naar Tunesië en wil terugkeren naar België. In de maatregel is hierover onder meer het navolgende vermeld: (…) “De asielbewaring acht ik noodzakelijk omdat betrokkene heeft verklaard dat hij sinds 3 jaar illegaal in Europa is en op illegale wijze naar Europa is gereisd. Hij geeft aan dat hij zijn paspoort heeft verstopt. Hij vraagt asiel aan nadat hij was aangehouden voor een strafbaar feit. Gezien zijn verklaring in het identiteitsgehoor en het IBS gehoor heeft het er alle schijn van dat dit geen oprechte asielaanvraag is. Hij wilde niet terug naar Tunesië omdat hij hier een gezin wil stichten en geld wil verdienen om zijn moeder in Tunesië te kunnen onderhouden. Betrokkene verblijft al lang illegaal in de EU en Nederland, verstopt zijn paspoort, wil dit niet overhandigen, wil eigenlijk terugkeren naar België en doet nadat hij is aangehouden een asielaanvraag. Als betrokkene de mogelijkheid zou zijn geboden om naar Ter Apel te gaan om asiel aan te vragen, dan verwacht ik gezien bovenstaande dat hij daar niet zal aankomen, maar dat hij zich zal onttrekken aan het toezicht. Betrokkene kan geen meldplicht worden opgelegd. Wij weten niet wie het is en hij heeft geen vaste woon of verblijfplaats. Gelet op het vorenstaande en de gemotiveerde gronden is de kans op onttrekking te groot en het opleggen van een lichter middel niet van toepassing.” (…) In het bewaringsgehoor is deugdelijk onderzoek verricht naar de mogelijkheid om te kunnen volstaan met een lichter middel. In de maatregel is ook goed gemotiveerd waarom het onttrekkingsrisico aan het opleggen van een lichter middel in de weg staat en is kenbaar niet volstaan met het verwijzen naar de gronden voor onttrekking en is het onttrekkingsrisico gerelateerd aan de grondslag van de bewaring, te weten de asielprocedure. De rechtbank zal de maatregel niet onrechtmatig achten omdat niet uitdrukkelijk is overwogen of een borgstelling de oplegging van een lichter middel mogelijk zou maken. Uit het verrichte onderzoek en de motivering van de maatregel blijkt duidelijk dat de brigadier die de maatregel heeft opgelegd de maatregel noodzakelijk achtte en geen mogelijkheid zag om te volstaan met een lichter middel om eiser de asielprocedure in vrijheid te kunnen laten doorlopen. De rechtbank overweegt dat deze beoordeling dat de maatregel noodzakelijk is geweest terecht is. Indien eiser ten tijde van het onderzoek ter zitting in bewaring zou zijn gehouden op grond van deze maatregel had de rechtbank, hoewel daartoe bevoegd, ook niet de maatregel opgeheven om borgstelling of een ander lichter middel op te leggen. Eiser heeft ter zitting niet gesteld dat hij bereid was om een borgstelling aan te gaan en heeft ook niet gesteld dat dit daadwerkelijk zou volstaan en hij zich beschikbaar zou houden voor de asielprocedure. Eiser heeft inmiddels overigens zijn asielaanvraag ingetrokken. Er zijn geen feiten en omstandigheden gesteld waaruit blijkt dat oplegging van de maatregel niet proportioneel of niet evenredig is geweest. Verweerder heeft dus niet hoeven af te zien van de maatregel en heeft ook niet hoeven te volstaan met een lichter middel. 8. Eiser heeft voorts aangevoerd dat verweerder de grondslag van de maatregel ten onrechte heeft gewijzigd. Eiser heeft zijn asielaanvraag op 6 juli 2026 ingetrokken en verweerder heeft op 7 juli 2026 alsnog beslist op deze asielaanvraag. Vervolgens heeft verweerder op 8 juli 2026 de grondslag van de maatregel omgezet naar artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a van de Vw. Eiser heeft op 9 juli 2026 beroep ingesteld tegen de afwijzing van de asielaanvraag en heeft een verzoek om voorlopige voorziening ingediend. De rechtsmiddelentermijn loopt nog en eiser heeft daarom processueel rechtmatig verblijf. Volgens eiser is om die reden de grondslag van artikel 59b van de Vw nog steeds van toepassing. Gelet hierop verzoekt eiser om ook de opvolgende maatregel van bewaring te toetsen, omdat eiser op dit moment evident op de verkeerde grondslag in bewaring wordt gehouden. De schottentheorie moet buiten toepassing worden gelaten. Volgens eiser is sprake van excessief formalisme wanneer hij nog een week langer in bewaring wordt gehouden op de onjuiste grondslag. 9. De rechtbank overweegt dat eiser ten tijde van het onderzoek ter zitting niet in bewaring wordt gehouden op grond van de maatregel die in deze procedure wordt beoordeeld op rechtmatigheid. Eiser stelt in wezen dat de te toetsen maatregel ten onrechte is opgeheven en wil met deze beroepsgrond een rechtmatigheidsbeoordeling van de rechtbank verkrijgen over de opvolgend opgelegde maatregel op grond waarvan eiser thans in bewaring wordt gehouden. De rechtbank willigt dit verzoek niet in. Net zo goed als eiser in de gelegenheid moet worden gesteld om zijn verdedigingsrechten uit te oefenen, moet verweerder in de gelegenheid worden gesteld om zich deugdelijk te kunnen verweren. Indien eiser eerst ter zitting verzoekt om de daags voor de zitting opgelegde maatregel ook te beoordelen, ontbreekt die gelegenheid voor verweerder. Weliswaar is het aan verweerder om aannemelijk te maken dat elke vrijheidsontnemende maatregel rechtmatig is, maar dit betekent niet dat verweerder zich ter zitting niet hoeft te kunnen verweren omdat de rechtbank de rechtmatigheid van de maatregel ook ambtshalve beoordeelt. Daargelaten dat ten tijde van het onderzoek ter zitting verweerder de rechtbank nog niet in kennis had gesteld van de opvolgende maatregel van bewaring en het dus mogelijk was dat een andere zittingsplaats belast zou worden met de behandeling van deze kennisgeving en de rechtbank reeds hierom de rechtmatigheid van maatregel niet zou beoordelen, stelt de rechtbank vast dat de M110 niet in het dossier is gevoegd. De rechtbank is dus ook niet in staat om de rechtmatigheid van de opvolgende maatregel te beoordelen. Dat uit de maatregel zelf blijkt dat de opvolgende maatregel evident onrechtmatig is volgt de rechtbank niet gelet op de complexiteit van het overgangsrecht. De rechtbank overweegt voorts dat het argument dat het niet onmiddellijk in vrijheidstellen getuigt van excessief formalisme niet slaagt. De rechtbank doet geen uitspraak over de rechtmatigheid van een bewaringsmaatregel als het rechtmatigheidsonderzoek niet volledig kan zijn omdat enkel de bewaringsmaatregel beschikbaar is. Het in deze procedure niet betrekken van de opvolgend opgelegde maatregel is dus gelegen in het waarborgen van een zorgvuldige en rechtvaardige procedure. De rechtbank laat dit rechtmatigheidsonderzoek dus niet achterwege omdat de rechtbank, zoals gemachtigde leek te suggereren, de Afdelingsjurisprudentie over de schottentheorie zonder meer onderschrijft. De rechtbank wijst er tot slot op dat ten tijde van het doen van de onderhavige uitspraak, bekend is dat rechtmatigheid van de opvolgende maatregel zal worden behandeld ter zitting van 13 juli 2026. Indien dan zal worden geoordeeld dat de opvolgende maatregel onrechtmatig is opgelegd, zal eiser in vrijheid worden gesteld en kan hij verzoeken om schadevergoeding. 10. De rechtbank concludeert dat de beroepsgronden niet slagen en dat de op 2 juli 2026 opgelegde en op 8 juli 2026 opgeheven bewaringsmaatregel aan alle rechtmatigheidsvereisten voldoet. De rechtbank brengt eiser in de onderhavige procedure dan ook niet in aanmerking voor schadevergoeding en zal geen proceskostenveroordeling uitspreken. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. S. van Lokven, rechter, in aanwezigheid van mr. F.A.E. van de Venne, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 13 juli 2026. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.