← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:19579

Rechtbank Den Haag · 2026-04-01 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL25.57092
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
24.318 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Asiel. Guinee. Eiser heeft asiel aangevraagd, omdat hij problemen heeft met de forestiers in Guinee. De minister heeft de asielaanvraag afgewezen, omdat eisers problemen met de forestiers, zijn minderjarige leeftijd en zijn herkomst binnen Guinee niet geloofwaardig zijn. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de minderjarige leeftijd, de herkomst en de problemen met de forestiers niet geloofwaardig mocht vinden. De minister heeft de presumptie van minderjarigheid voldoende ontzenuwd en de minister heeft voldoende gemotiveerd waarom de herkomst en de problemen met de forestiers niet geloofwaardig zijn. Het beroep is ongegrond.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL25.57092 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. I.M. Hagg), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. J.J.F.M. van Raak). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de vraag of de minister de asielaanvraag van eiser mocht afwijzen. Daarbij gaat het voornamelijk om de geloofwaardigheid van zijn minderjarige leeftijd en over de geloofwaardigheid van zijn problemen in Guinee. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Guinese nationaliteit te zijn. De minister heeft met het bestreden besluit van 14 oktober 2025 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. 3. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 4. De minister heeft gereageerd met een verweerschrift. 5. De rechtbank heeft het beroep op 16 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, K. Smit als tolk en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 6. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is afkomstig uit Guinee. Eisers vader is in 2018 overleden waarna hij zich van zijn oom moest inwijden bij de forestiers. Eiser heeft gedurende drie maanden deelgenomen aan de inwijding bij de forestiers in het heilige woud. Na de inwijding is eiser bij zijn oom ingetrokken. In 2020 vond er een religieus conflict plaats in eisers dorp. Eiser en zijn oom vreesde dat hij zou moeten deelnemen aan dit conflict, omdat hij was ingewijd bij de forestiers. Eiser is om deze reden gevlucht uit Guinee. Eiser vreest bij terugkeer vermoord te worden door de forestiers. Het bestreden besluit 7. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: identiteit, nationaliteit en herkomst; en; problemen met de forestiers. De minister vindt eisers nationaliteit geloofwaardig, maar vindt eisers gestelde herkomst en geboortedatum niet geloofwaardig. Eiser heeft in Nederland [geboortedatum] 2007 als geboortedatum opgegeven. De minister vindt dit niet geloofwaardig, omdat een leeftijdsschouw (schouw) heeft plaatsgevonden. De minister concludeert op basis van de schouw dat twijfel bestaat over eisers opgegeven leeftijd in Nederland. Bovendien blijkt dat eiser in Italië is geregistreerd met de geboortedatum [geboortedatum] 2004. Ook heeft de minister onderzoek gedaan op eisers sociale media profielen waaronder X, Instagram, Facebook en TikTok. Eiser heeft als geboortedatum op zijn Instagram en Facebook profielen [geboortedatum] 1999 opgegeven. Ook lijkt eiser op de foto’s die zichtbaar zijn op zijn Facebook en Instagram profielen ouder dan de in Nederland opgegeven leeftijd. Verder heeft eiser een uittreksel van het geboorteregister en het juridisch systeem uit Guinee overgelegd. Volgens de minister kan eiser deze documenten alleen verkrijgen als hij een kopie van een paspoort of identiteitskaart overlegt. Dat eiser de documenten naderhand heeft verkregen van zijn oom betekent daarom volgens de minister dat eiser de documenten ofwel frauduleus heeft verkregen, ofwel dat hij eerder in de procedure tegenstrijdig heeft verklaard over het nooit in bezit hebben gehad van identificerende documenten. Tenslotte vindt de minister dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig is te beschouwen. Dit gelet op het feit dat er meerdere geboortedata van eiser bekend zijn, hij de overgelegde documenten ofwel frauduleus heeft verkregen, ofwel niet de waarheid heeft verklaard over het bezitten van identificerende documenten, en omdat uit sociale media blijkt dat eisers vader in 2021 nog actief is geweest op sociale media en het dus niet aannemelijk is dat hij zoals eiser stelt in 2018 is overleden. Omdat de minister de geboortedatum die eiser in Nederland heeft opgegeven niet geloofwaardig vindt, heeft de minister eisers geboortedatum aangepast van [geboortedatum] 2007 naar [geboortedatum] 2004. 8. De minister vindt eisers problemen met de forestiers ook niet geloofwaardig. De minister vindt dat eiser geen oprechte inspanning heeft geleverd om zijn aanvraag te staven, omdat hij tijdens het nader gehoor meerdere keren heeft geweigerd om te verklaren over zijn inwijding in het heilige woud. Bovendien vindt de minister dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Dit omdat eisers verklaringen op diverse punten tegenstrijdig zijn met informatie die op eisers sociale media profielen te vinden is. De minister concludeert daarom dat de asielaanvraag wordt afgewezen als ongegrond. Ook heeft de minister aan eiser een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Geloofwaardigheid van de leeftijd 9. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte zijn opgegeven geboortedatum en bijbehorende minderjarige leeftijd niet geloofwaardig vindt. Volgens eiser heeft de minister in het rapport van de schouw niet deugdelijk gemotiveerd hoe de observaties leiden tot de conclusie dat eiser evident meerderjarig is of dat er twijfel is over zijn gestelde minderjarigheid. Eiser wijst op een uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 22 september 2025 waarin de Afdeling oordeelt dat de schouwen niet zorgvuldig en concludent zijn verricht. Ook wijst eiser op een uitspraak van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens (EHRM) waaruit blijkt dat een visuele inspectie nooit kan leiden tot leeftijdsvaststelling. De minister had volgens eiser dan ook een medisch leeftijdsonderzoek moeten doen om de twijfel over eisers leeftijd weg te nemen. 9.1. Verder voert eiser aan dat de minister ten onrechte uitgaat van de in Italië opgegeven geboortedatum, omdat niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan wat betreft leeftijdsregistraties uit andere EU-lidstaten. Bovendien heeft eiser een plausibele verklaring gegeven voor de afwijkende registratie, namelijk dat de ambtenaar in [plaats 1] eisers opgegeven geboortedatum van [geboortedatum] 2007 niet geloofde en eigenhandig eisers geboortedatum heeft aangepast naar [geboortedatum] 2004. Tenslotte betwist eiser dat hij op een aantal van de foto’s staat die de minister gebruikt om hem tegen te werpen dat hij er ouder uitziet dan dat hij stelt te zijn. De minister gaat volgens eiser voorbij aan zijn verklaringen dat hij zich op zijn sociale media ouder wilde voordoen, dat hij zijn Facebook profiel deelde met zijn oom en neef en dat een aantal van zijn profielen op sociale media zijn gehackt. Leeftijdsschouw 10. Uit de uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2025 blijkt dat de leeftijdsschouw een bruikbaar middel is voor de vaststelling of er twijfel bestaat over de opgegeven leeftijd van een vreemdeling. De schouw is volgens de Afdeling zorgvuldig, inzichtelijk en concludent als alle observaties in het verslag beschreven staan en de conclusies van de schouw in de verslaglegging worden verbonden aan de observaties tijdens het gehoor, bestaande uit de uiterlijke kenmerken, verklaringen en gedragingen van een vreemdeling. 10.1. De rechtbank overweegt dat zowel de Afdeling Vreemdelingenpolitie, Identificatie en Mensenhandel (AVIM), als de Immigratie- en Naturalisatiedienst (IND) een schouw heeft verricht. In het proces-verbaal van het verhoor van de AVIM wordt geconcludeerd dat eiser evident meerderjarig is. In het rapport schouw van de IND wordt geconcludeerd dat twijfel is over de gestelde minderjarigheid. 10.2. De rechtbank is van oordeel dat zowel de schouw bij de AVIM, als bij de IND afdoende inzichtelijk en concludent is. De AVIM en de IND hebben alle observaties in het verslag beschreven en hebben deze observaties, hetzij summier, verbonden aan de conclusies. Omdat de AVIM tot de conclusie komt dat eiser evident meerderjarig is en de IND tot de conclusie komt dat twijfel bestaat over de gestelde minderjarigheid, leidt dit tot de eindconclusie dat twijfel bestaat over eisers leeftijd. Dit betekent dat de minister nader onderzoek zal moeten doen om de presumptie van minderjarigheid te ontzenuwen. Daartoe heeft de minister informatie opgevraagd bij de autoriteiten in Italië waaruit blijkt dat eiser in Italië is geregistreerd met een andere geboortedatum dan die hij heeft opgegeven in Nederland. Ook heeft de minister onderzoek gedaan naar eisers sociale media profielen. Leeftijdsregistratie in Italië 11. Uit de rechtspraak van de Afdeling blijkt dat de minister zich niet kan beroepen op het interstatelijk vertrouwensbeginsel als hij bij de beoordeling van de leeftijd van een vreemdeling een leeftijdsregistratie in een andere EU-lidstaat betrekt. Dit betekent echter niet dat de minister een leeftijdsregistratie in een andere EU-lidstaat in het geheel niet mag betrekken bij de beoordeling van de leeftijd van een vreemdeling. Als de minister een leeftijdsregistratie in een andere EU-lidstaat aantreft waaruit volgt dat de vreemdeling meerderjarig is, dan mag hij dit bij de beoordeling van de leeftijd betrekken en daaraan gewicht toekennen. De minister zal zorgvuldig moeten onderzoeken en deugdelijk moeten motiveren welk gewicht hij aan die leeftijdsregistratie toekent. Als aan een leeftijdsregistratie alleen een eigen verklaring van de vreemdeling ten grondslag ligt, dan zal de minister moeten informeren onder welke omstandigheden deze verklaring is afgelegd. De vreemdeling moet in dat geval een plausibele verklaring geven voor de afwijkende verklaring in de andere EU-lidstaat, omdat dit afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn verklaringen over zijn leeftijd. 12. De rechtbank overweegt dat eiser in Italië is geregistreerd als meerderjarig, met de geboortedatum [geboortedatum] 2004 en dat dit afwijkt van de in Nederland opgegeven geboortedatum van [geboortedatum] 2007. Op de zitting hebben partijen bevestigd dat in Italië geen leeftijdsonderzoek heeft plaatsgevonden en dat deze leeftijdsregistratie is gedaan op basis van eisers eigen verklaring. Als reden voor de afwijking van de registratie geeft eiser dat de ambtenaar in [plaats 1] zijn opgegeven geboortedatum van [geboortedatum] 2007 niet geloofde en zijn geboortedatum zelf heeft aangepast naar [geboortedatum] 2004. De rechtbank is van oordeel dat de minister deze verklaring niet plausibel heeft mogen vinden. Daarbij is van belang dat eiser geen poging heeft gedaan om de onjuiste geboortedatum te laten corrigeren. Eiser stelt dat het voor hem feitelijk onmogelijk was om in de opvang zijn geboortedatum te laten corrigeren, maar uit zijn verklaringen blijkt niet dat hij op enige manier heeft geprobeerd zijn onjuiste geboortedatum te corrigeren. De minister mocht dit aan eiser tegenwerpen. Sociale media 13. Om de presumptie van minderjarigheid verder te ontzenuwen heeft de minister ook onderzoek gedaan naar eisers sociale media profielen op X, Facebook, Instagram en TikTok. De minister gebruikt een aantal foto’s op eisers sociale media profielen en stelt dat eiser op deze foto’s er ouder uitziet dan dat hij zou zijn als wordt uitgegaan van zijn geboortedatum van [geboortedatum] 2007. 14. De rechtbank is met de minister van oordeel dat de foto’s en informatie op eisers sociale media profielen afbreuk doen aan de geloofwaardigheid van zijn minderjarige leeftijd. De rechtbank wijst met name op het feit dat de minister aan eiser heeft kunnen tegenwerpen dat hij [geboortedatum] 1999 als geboortedatum op zijn Instagram en Facebook profielen heeft opgegeven en dat hij op foto 4 van de bijlage bij de zienswijze dertien jaar zou zijn, maar zijn uiterlijk op die foto niet met de leeftijd van 13 jaar overeenkomt. De stellingen van eiser in beroep dat hij zijn Facebook profiel deelde met zijn neef en oom en dat zijn sociale media profielen zijn gehackt veranderen het oordeel van de rechtbank niet, omdat eiser dit niet aannemelijk heeft gemaakt en de minister niet alleen informatie van Facebook heeft gebruikt ter onderbouwing van zijn standpunt. Documenten 15. Eiser heeft een uittreksel van het geboorteregister en het juridisch systeem overgelegd. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in het bestreden besluit en op de zitting deugdelijk gemotiveerd dat aan deze documenten niet de waarde kan worden gehecht die eiser daaraan hecht ter onderbouwing van zijn gestelde minderjarigheid. Dit omdat Bureau Documenten geen uitspraak heeft kunnen doen over de echtheid van de overgelegde documenten. Bureau Documenten heeft in verband met die uitkomst geen Verklaring van Onderzoek opgemaakt , maar de minister heeft op de zitting de resultaten van dat onderzoek bevestigd en herhaald. Bovendien heeft de minister zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser de overgelegde documenten ofwel frauduleus heeft verkregen, ofwel niet naar waarheid heeft verklaard over het al dan niet bezitten van identificerende documenten. Eiser heeft verklaard dat zijn oom de documenten voor hem heeft aangevraagd en dat zijn oom deze naar Nederland heeft gestuurd. Ook heeft eiser verklaard dat hij nooit (niet voordat zijn oom de documenten aan hem toestuurde) in het bezit is geweest van enige identificerende documenten. Deze gang van zaken komt niet overeen met de informatie waar de minister naar heeft verwezen. Daaruit blijkt namelijk dat eiser de betreffende documenten alleen kan aanvragen als hij een kopie van de nationale identiteitskaart of een paspoort overlegt. De minister mocht dan ook aan eiser tegenwerpen dat dit afbreuk doet aan de geloofwaardigheid van zijn gestelde minderjarigheid en aan zijn geloofwaardigheid in grote lijnen. Conclusie leeftijd 16. Samenvattend is de rechtbank van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat de identiteit, meer in het bijzonder de door eiser in Nederland opgegeven geboortedatum, niet geloofwaardig is. Omdat de minister met het nader onderzoek de presumptie van minderjarigheid voldoende heeft ontzenuwd was hij niet verplicht om een medisch leeftijdsonderzoek aan te bieden. Geloofwaardigheid herkomst 17. Eiser voert aan dat de minister ten onrechte zijn gestelde plaats van herkomst [plaats 2] niet geloofwaardig vindt. Eiser voert in beroep aan dat hij de taal [naam 1] vloeiend spreekt en dat deze taal alleen in [plaats 2] en omstreken wordt gesproken. 18. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers herkomst niet geloofwaardig is. De minister wijst er terecht op dat eiser op zijn Facebook profielen heeft opgegeven dat hij in de hoofdstad [plaats 3] woont en dat hij daar naar school is gegaan. De minister heeft dan ook aan eiser mogen tegenwerpen dat de informatie op zijn sociale media profielen tegenstrijdig is met zijn gestelde plaats van herkomst [plaats 2] . Dat eiser de taal [naam 1] vloeiend spreekt heeft verweerder verder niet afdoende mogen vinden om hier anders over te denken. Eiser heeft deze stelling niet onderbouwd en deze omstandigheid doet niet af aan de geconstateerde tegenstrijdigheid. Ditzelfde geldt voor de stelling dat Guinee ook wel Guinee- [plaats 3] genoemd wordt. Daarbij heeft verweerder waarde mogen hechten aan het feit dat de genoemde school in [plaats 3] staat. Geloofwaardigheid van de problemen met de forestiers 19. Eiser voert aan dat de minister zijn problemen met de forestiers ten onrechte niet geloofwaardig vindt. Eiser stelt dat hij wel voldoende en inzichtelijk heeft verklaard over de inwijding, de ceremonies en de periode waarin hij in het heilige woud verbleef. De minister gaat volgens eiser ook voorbij aan een foto van zijn littekens die overeenkomen met het soort littekens waarvan uit openbare informatie blijkt dat deze het gevolg zijn van het inwijdingsritueel waarover eiser heeft verklaard. Verder voert eiser aan dat de minister volgens hem onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn culturele achtergrond met betrekking tot het weigeren om verklaringen af te leggen over het inwijdingsritueel in het heilige woud. Eiser heeft een strikte geheimhoudingsplicht en vreest dat hij vermoord zal worden als hij verklaringen aflegt over het inwijdingsritueel. Tenslotte wijst eiser op een uitspraak van de rechtbank Den Haag van 10 juni 2025. De minister heeft volgens eiser in strijd met deze uitspraak bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van zijn asielrelaas geen algehele beoordeling gemaakt van zijn verklaringen, de overgelegde bewijsstukken en de openbare informatie waarop is gewezen. Door Werkinstructie 2024/6 op deze manier toe te passen handelt de minister volgens eiser in strijd met het Unierecht. Werkinstructie 2024/6 20. De minister heeft in het bestreden besluit de door eiser overgelegde documenten, zijn verklaringen en openbare informatie over Guinee betrokken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van zijn problemen met de forestiers. Verder heeft de minister in het verweerschrift en ook op de zitting gereageerd op de informatie waar eiser in beroep naar heeft verwezen. De minister betwist niet dat de forestiers en de bijbehorende inwijdingsrituelen in het heilige woud een bestaande praktijk zijn in Guinee. De minister stelt zich echter op het standpunt dat eisers verklaringen daarover niet geloofwaardig zijn, omdat deze onvoldoende gedetailleerd zijn en ook op een aantal punten tegenstrijdig zijn met informatie die op eisers sociale media profielen is te vinden. De rechtbank kan eisers stelling dan ook niet volgen dat de minister zijn asielaanvraag in strijd met het Unierecht en met bovenstaande uitspraak van de rechtbank Den Haag heeft beoordeeld. De geloofwaardigheid van de problemen 21. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich niet ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eisers problemen met de forestiers niet geloofwaardig zijn. Voor dat oordeel vindt de rechtbank de volgende omstandigheden van belang. 22. Ten eerste heeft de minister aan eiser mogen tegenwerpen dat er twijfel bestaat over eisers aanleiding om zich aan te sluiten bij de forestiers. Eiser heeft verklaard dat zijn vader in 2018 is overleden, dat hij zich daarna bij de forestiers moest aansluiten van zijn oom en dat hij zich niet had aangesloten als zijn vader niet was overleden. De minister heeft er echter op gewezen dat een Facebook profiel met de naam van eisers vader in 2021 nog actief was en dat eiser op Facebook bevriend is met dit profiel. Dit wijst er volgens de minister op dat eisers vader niet is overleden in 2018. Eiser betwist dit en stelt dat zijn vader geen militair is en dat zijn vader een andere geboortedatum heeft dan is vermeld op het vermeende Facebook profiel van zijn vader. De rechtbank vindt dat deze stellingen de door de minister gerezen twijfel onvoldoende wegnemen, omdat met deze verklaringen niet wordt afgedaan aan het feit dat eiser bevriend is met dit profiel en dat het profiel op naam staat van eisers vader. 23. Ten tweede heeft de minister aan eiser mogen tegenwerpen dat er tegenstrijdigheid bestaat over de periode waarin eiser in het heilige woud zou zijn geweest voor het inwijdingsritueel. Eiser heeft verklaard dat hij een aantal maanden in het heilige woud is geweest voor de inwijding en dat de inwijding tussen het eind van 2018 en het begin van 2019 plaatsvond. De minister heeft er echter op gewezen dat op het Facebook profiel van eiser een foto is geplaatst op 22 december 2018. Op deze foto is eiser te zien in een klaslokaal. Eiser bevestigt dat hij op de foto staat, maar dat deze foto op een eerder moment is genomen en dat het op 22 december 2018 schoolvakantie was zodat hij dus onmogelijk op die datum daadwerkelijk in het klaslokaal kon zijn geweest. Desondanks heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank aan eiser mogen tegenwerpen dat het niet met zijn verklaringen overeenkomt dat hij zich op of rond 22 december 2018 in een klaslokaal bevond terwijl eiser heeft verklaard dat hij gedurende die periode in het heilige woud zou deelnemen aan het inwijdingsritueel van de forestiers. 24. Ten derde heeft de minister aan eiser mogen tegenwerpen dat hij heeft geweigerd te verklaren over het inwijdingsritueel in het heilige woud. Eiser heeft hierover niet verklaard, omdat volgens hem een strikte geheimhoudingsplicht geldt en dat hij zal worden vermoord als hij daarover verklaart. Eiser heeft bovendien naar openbare informatie verwezen waaruit blijkt dat een geheimhoudingsplicht geldt voor deelnemers aan het inwijdingsritueel in het heilige woud. Ook heeft eiser een verklaring van stichting [naam 2] overgelegd. Stichting [naam 2] , die alleenstaande minderjarige vreemdelingen ondersteunt, herkent het beeld dat Guinese jongeren te maken hebben met een zwijg- en geheimhoudingsplicht. Guinese jongeren ervaren volgens [naam 2] angst van de mogelijke gevolgen die het schenden van de geheimhoudingsplicht met zich meebrengt. 24.1. De rechtbank overweegt dat het in de eerste plaats aan eiser is om zijn asielrelaas aannemelijk te maken. Eiser heeft niet onderbouwd dat hij niet over het vermogen beschikt om over het inwijdingsritueel te verklaren. Dat eiser over onderdelen van zijn asielrelaas weigert te verklaren, heeft de minister dan ook in zijn nadeel mogen wegen bij het beoordelen van de geloofwaardigheid van zijn problemen met de forestiers. Bovendien heeft de minister eisers verklaringen over de aanloop naar het inwijdingsritueel onvoldoende gedetailleerd en algemeen mogen vinden. 25. Tenslotte heeft eiser een foto overgelegd waarop littekens zijn te zien die volgens hem overeenkomen met het soort littekens die iemand zou overhouden aan het inwijdingsritueel in het heilige woud. Gelet op het bovenstaande heeft de minister echter voldoende redenen gegeven om het asielrelaas van eiser ongeloofwaardig te vinden. De minister heeft zich dan ook op het standpunt mogen stellen dat aan de foto van de littekens geen doorslaggevende waarde kan worden gehecht. Conclusie en gevolgen 26. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt en de afwijzing van zijn asielaanvraag in stand kan blijven. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr.B.J. van Rossum, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 1 april 2026. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Uitspraak van de Afdeling van 22 september 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4491. Uitspraak van het EHRM van 10 juli 2014 (Mugenzi v. France), ECLI:CE:ECHR:2014:0710JUD005270109. Uitspraak van de Afdeling van 20 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3801. Werkinstructie 2025/1 Leeftijdsbepaling, p. 6. Uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3992, rechtsoverweging 7.2. Uitspraak van de Afdeling van 9 oktober 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3992, rechtsoverwegingen 6.9 tot 6.10 en 7.2 tot 7.3. Zienswijze van 13 november 2025, p. 8 (foto 4). Immigratie- en Naturalisatiedienst, Vakbijlage Bureau Documenten, versie november 2024, p. 8. Verslag van het nader gehoor van 10 november 2025, p. 22. Verslag van het nader gehoor van 10 november 2025, p. 6 en verslag van het aanmeldgehoor van 14 oktober 2024, p. 6. Zie [internetsite] . Artikel 3.109d, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000. Uitspraak van de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, van 10 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10057. Verslag van het nader gehoor van 10 november 2025, p. 8 en 15. Verslag van het nader gehoor van 10 november 2025, p. 14. Verslag van het nader gehoor van 10 november 2025, p. 9.