ECLI:NL:RBDHA:2026:19573
Rechtbank Den Haag · 2026-07-15 · Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
asiel – Colombia – asielrelaas niet geloofwaardig geacht – asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk ingediend – beroep ongegrond.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht Zaaknummer: NL25.41557 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , eiseres V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. S.A.M. Fikken), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. J. van Raak). Procesverloop Met het besluit van 22 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiseres in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft het beroep op 6 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiseres en de gemachtigde van verweerder. Na afloop van de zitting heeft eiseres verzocht om heropening van het onderzoek en een verklaring met bijlagen overgelegd. De rechtbank heeft het onderzoek heropend en verweerder in de gelegenheid gesteld hierop te reageren. Verweerder heeft van deze gelegenheid gebruikgemaakt. Daarna heeft de rechtbank het onderzoek gesloten. Overwegingen 1. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedag] 1992 en de Colombiaanse nationaliteit te hebben. Zij heeft op 3 december 2023 een asielaanvraag ingediend. 2. Aan haar asielaanvraag heeft eiseres ten grondslag gelegd dat haar oom in 2013 is gedood door de gewapende groepering Clan del Golfo. Naar aanleiding hiervan hebben er in 2014 strafzittingen plaatsgevonden, waarbij de moeder van eiseres aanwezig was. Vanaf dat moment ontving de moeder van eiseres bedreigingen. Daarom zijn eiseres en haar moeder eind 2014/begin 2015 verhuisd, waarna de bedreigingen stopten. In 2023 kwamen er gewapende mannen van Clan del Golfo naar het huis waar eiseres en haar moeder verbleven. Zij droegen eiseres en haar moeder op om binnen één dag te vertrekken. Eiseres en haar moeder zijn diezelfde dag naar een vriendin van haar moeder gegaan. Daar heeft haar moeder nog een telefonische bedreiging ontvangen, waarna zij haar telefoonnummer heeft veranderd. Dit was het moment waarop eiseres heeft besloten Colombia te verlaten. 3. Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres geloofwaardig geacht. De problemen van eiseres met Clan del Golfo heeft verweerder niet geloofwaardig geacht. Verweerder heeft daartoe overwogen dat de verklaringen van eiseres geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Daarnaast heeft verweerder eiseres tegengeworpen dat zij haar asielaanvraag niet zo spoedig mogelijk heeft ingediend en daarvoor geen goede verklaring heeft gegeven. Dit leidt er volgens verweerder toe dat eiseres bij terugkeer geen gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiseres afgewezen als kennelijk ongegrond. 4. Eiseres is het niet eens met het bestreden besluit en voert daartoe aan dat verweerder haar problemen met Clan del Golfo ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Verweerder heeft de slachtofferregistraties bij Unidad para las Víctimas ten onrechte niet bij de geloofwaardigheidsbeoordeling betrokken, terwijl deze zien op de gedwongen ontheemding die zij en haar moeder als gevolg van de bedreiging door Clan del Golfo op 29 juni 2023 hebben ondergaan. Ter onderbouwing verwijst zij naar het document van Vluchtelingenwerk Nederland van 18 juni 2025, waaruit volgt dat Clan del Golfo zich onder andere schuldig maakt aan gedwongen ontheemding van burgers. Daarbij handelt verweerder inconsistent door deze registraties niet bij de beoordeling te betrekken omdat deze enkel als kopieën zijn overgelegd, terwijl verweerder wel waarde toekent aan andere kopieën in het dossier. Eiseres verwijst in dit verband naar het arrest van het Hof van 10 juni 2021 in de zaak L.H. tegen Nederland. Daarnaast hebben de tegengeworpen onduidelijkheden en tegenstrijdigheden in de verklaringen van eiseres over haar woon- en verblijfplaatsen geen betrekking op de kern van haar asielrelaas; van belang is dat zij bij haar moeder woonde ten tijde van de gedwongen ontheemding. Verder heeft verweerder ten onrechte betekenis toegekend aan het verblijf van de moeder van eiseres in Colombia, nu daarvoor een plausibele verklaring bestaat. Tot slot heeft verweerder ten onrechte toepassing gegeven aan artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw. Eiseres is Nederland niet onrechtmatig binnengekomen. Daarnaast zijn de redenen voor de late indiening van de asielaanvraag verschoonbaar en rechtvaardigt de late indiening niet de conclusie dat zij geen problemen heeft met Clan del Golfo. Gelet op het voorgaande loopt eiseres bij gedwongen terugkeer naar Colombia wel degelijk een reëel risico op ernstige schade door Clan del Golfo. De rechtbank oordeelt als volgt. De geloofwaardigheid van de problemen met Clan del Golfo 5. De rechtbank stelt vast dat de slachtofferregistraties bij Unidad para las Víctimas betrekking hebben op het feit dat eiseres en haar moeder zijn geregistreerd als slachtoffers van gedwongen ontheemding. Uit deze registraties volgt echter niet zonder meer wat de aanleiding voor de gedwongen ontheemding is geweest en of deze verband houdt met de door eiseres gestelde bedreiging door Clan del Golfo op 29 juni 2023. Verweerder heeft zich dan ook terecht op het standpunt gesteld dat uit de slachtofferregistraties niet volgt dat eiseres op die datum door Clan del Golfo is bedreigd. De verwijzing naar het document van Vluchtelingenwerk Nederland van 18 juni 2025 leidt niet tot een ander oordeel. Uit dat document volgt weliswaar dat Clan del Golfo zich schuldig maakt aan gedwongen ontheemding van burgers, maar daaruit volgt niet dat de gedwongen ontheemding waarvoor eiseres en haar moeder zijn geregistreerd het gevolg is geweest van de door eiseres gestelde bedreiging door Clan del Golfo. 6. Het beroep op het arrest L.H. slaagt evenmin. Uit dit arrest volgt dat elk document dat een vreemdeling ter onderbouwing van zijn asielaanvraag overlegt bij de beoordeling moet worden betrokken. Het mag een vreemdeling niet worden tegengeworpen dat aan documenten geen bewijswaarde kan worden gehecht, omdat die documenten niet op echtheid kunnen worden onderzocht. In dit geval blijkt echter niet dat verweerder de slachtofferregistraties niet bij de beoordeling heeft betrokken. Verweerder heeft de registraties bij de beoordeling betrokken, maar daaraan beperkte betekenis toegekend omdat daaruit geen verband blijkt met de gestelde bedreiging door Clan del Golfo. Dat verweerder aan andere documenten in het dossier wel betekenis heeft toegekend, maakt niet dat verweerder aan de slachtofferregistraties dezelfde betekenis had moeten toekennen. De verschillende documenten zien immers op verschillende gebeurtenissen en hebben niet zonder meer dezelfde betekenis voor de beoordeling van de problemen. 7. Verder volgt de rechtbank eiseres niet in haar standpunt dat de tegengeworpen onduidelijkheden en tegenstrijdigheden in haar verklaringen over haar woon- en verblijfplaatsen geen betrekking hebben op de kern van haar asielrelaas. De rechtbank acht daarbij van belang dat eiseres verschillend heeft verklaard over waar zij verbleef ten tijde van de gestelde gebeurtenis op 29 juni 2023. In het aanmeldgehoor heeft zij verklaard dat zij in het laatste anderhalf jaar voor haar vertrek uit Colombia in Montería heeft gewoond, terwijl zij in het nader gehoor heeft verklaard dat zij vanaf mei 2023 bij haar moeder verbleef. Juist omdat de gestelde gebeurtenis op 29 juni 2023 volgens eiseres de aanleiding vormde voor haar vertrek uit Colombia, heeft verweerder deze verklaringen terecht betrokken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van haar asielrelaas. De verwijzing naar de slachtofferregistraties maakt dit niet anders, omdat deze registraties geen duidelijkheid geven over de periode waarin eiseres bij haar moeder verbleef. 8. De rechtbank volgt eiseres ook niet in haar standpunt dat verweerder ten onrechte betekenis heeft toegekend aan het verblijf van haar moeder in Colombia. Daarbij acht de rechtbank van belang dat de door eiseres gestelde problemen met Clan del Golfo met name betrekking hebben op haar moeder. In dit verband heeft verweerder terecht betrokken dat de moeder van eiseres in Colombia is gebleven en niet is gebleken dat zij sinds 2023 is bedreigd. De verklaring van eiseres dat haar moeder is ondergedoken en dat Clan del Golfo haar verblijfplaats nog niet heeft kunnen achterhalen, maakt dit niet anders, nu deze verklaring niet nader is onderbouwd. Eiseres heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat zij zelf, los van de gestelde problemen van haar moeder, door Clan del Golfo is bedreigd of gezocht. 9. Tot slot stelt de rechtbank vast dat verweerder uit de late indiening van de asielaanvraag niet heeft geconcludeerd dat eiseres in Colombia geen problemen heeft met Clan del Golfo. In het bestreden besluit staat dat deze omstandigheid op zichzelf niet tot de conclusie kan leiden dat een asielrelaas ongeloofwaardig is, indien dat relaas aannemelijk is. In het geval van eiseres heeft verweerder het asielrelaas echter ongeloofwaardig geacht, zodat deze omstandigheid als contra-indicatie kon worden betrokken bij de beoordeling van de geloofwaardigheid. De rechtbank volgt verweerder hierin. 10. Gelet op het voorgaande heeft verweerder de door eiseres gestelde problemen met Clan del Golfo terecht ongeloofwaardig geacht. De beroepsgronden slagen niet. De late indiening van de asielaanvraag en de toepassing van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw 11. Uit artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw volgt dat een asielaanvraag kan worden afgewezen als kennelijk ongegrond indien de vreemdeling Nederland onrechtmatig is binnengekomen of zijn verblijf op onrechtmatige wijze heeft verlengd en zich, gezien de omstandigheden van zijn binnenkomst, zonder gegronde reden niet zo snel mogelijk bij een ambtenaar belast met de grensbewaking of het toezicht op vreemdelingen heeft aangemeld, en daar kenbaar heeft gemaakt dat hij internationale bescherming wenst. 12. De rechtbank oordeelt dat eiseres als Colombiaans onderdaan weliswaar visumvrij naar Nederland kon reizen, maar dit betekent niet dat zij Nederland niet onrechtmatig is binnengekomen. Visumvrij verblijf ziet op kort verblijf en eiseres is Nederland ingereisd met het doel om een asielaanvraag in te dienen. Gelet op dit doel, kan eiseres geen aanspraak maken op de zogenoemde vrije termijn die geldt voor kort verblijf. Verweerder heeft zich daarom terecht op het standpunt gesteld dat eiseres Nederland onrechtmatig is binnengekomen. Daarnaast mag van een vreemdeling die stelt internationale bescherming nodig te hebben, worden verwacht dat deze zich zo snel mogelijk meldt om deze bescherming ook te ontvangen. De door eiseres gegeven verklaring dat zij bij een vriendin in Nijmegen verbleef om haar te ondersteunen bij de verzorging van haar zieke echtgenoot en dat zij niet over een paspoort beschikte, heeft verweerder terecht niet als verschoonbare reden aangemerkt. Eiseres heeft deze omstandigheden bovendien niet nader onderbouwd. Verweerder heeft daarom terecht toepassing gegeven aan artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw. Conclusie 13. Het beroep is ongegrond. 14. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 15 juli 2026 door mr. A.J. de Danschutter, rechter, in aanwezigheid van mr. P. Lukanika, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl . Deze uitspraak is bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) en artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw. Hof van Justitie van de Europese Unie. ECLI:EU:C:2021:478. Aanmeldgehoor van 22 maart 2024, p. 5 van 12. Nader gehoor van 18 augustus 2025, p. 4 en 17 van 20. Artikel 6 van de Verordening (EU) 2016/399 (Schengengrenscode).