ECLI:NL:RBDHA:2026:19568
Rechtbank Den Haag · 2026-07-15 · Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Deze uitspraak gaat over een maatregel op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is een EU-burger en heeft in Nederland een asielaanvraag gedaan. De hoofdvraag in deze zaak is of sinds de inwerkingtreding van het Asiel- en migratiepact op 12 juni 2026 artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw de juiste grondslag is. Voorheen werd er een maatregel op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw opgelegd. De rechtbank is van oordeel dat eiser, als onderdaan van een EU-lidstaat, geen onderdaan van een derde land noch een staatloze is waar de Procedureverordening op ziet. Eisers asielaanvraag is ook geen “aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel” als bedoeld in de Vw. Eiser valt dus niet onder artikel 8 van de Vw (rechtmatig verblijf). Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook terecht gesteld dat inbewaringstelling van eiser op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw niet meer mogelijk is. De rechtbank dient dus te beoordelen of de bewaring voldoet aan de vereisten in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Het beroep is ongegrond.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.36771 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser, V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. M.K. Bhadai), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: B. Pattiata). Procesverloop 1. Met het bestreden besluit van 1 juli 2026 heeft verweerder aan eiser, die stelt de Poolse nationaliteit te hebben en te zijn geboren op [datum] 1995, de maatregel van vreemdelingenbewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw) opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. 1.1. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep is ook een verzoek om schadevergoeding. 1.2. Partijen hebben toestemming verleend de zaak schriftelijk af te doen. Eiser heeft op 8 juli 2026 de gronden van het beroep ingediend. Verweerder heeft op 9 juli 2026 een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het onderzoek op 14 juli 2026 gesloten. Beoordeling door de rechtbank 2. Eiser is op 1 juli 2026 op grond van de vreemdelingenwet staande gehouden omdat hij op een plek lag te slapen waar dat volgens de Algemene Plaatselijke Verordening van de gemeente Den Haag niet is toegestaan. In de politiesystemen staat dat eiser op 23 maart 2022 ongewenst is verklaard. Bij dat besluit heeft verweerder eisers verblijfsrecht beëindigd en hem ongewenst verklaard, vanwege misdrijven waar eiser voor is veroordeeld. Eiser heeft op 3 augustus 2025 een asielaanvraag ingediend. Bij besluit van 15 september 2025 is deze asielaanvraag niet-ontvankelijk verklaard. Op 17 november 2025 heeft deze rechtbank het beroep ongegrond verklaard. 2.1 Verweerder heeft eiser na de staandehouding op 1 juli 2026 opgehouden op grond van artikel 50, derde lid, van de Vw en hem verhoord in het bijzijn van een beëdigde tolk Pools. Vervolgens heeft verweerder eiser de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, onder a, van de Vw opgelegd. In het vertrekgesprek van 8 juli 2026 heeft eiser kenbaar gemaakt dat hij een asielaanvraag wil indienen. Is de grondslag van de maatregel van vreemdelingenbewaring juist? 3. Verweerder heeft in zijn verweerschrift aangegeven dat anders dan voorheen een EU-burger die asiel aanvraagt een bewaringsmaatregel dient te worden opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw in plaats van artikel 59b, eerste lid, van de Vw en dat dit een gevolg is van het Asiel- en migratiepact dat op 12 juni 2026 in werking is getreden. 3.1 Op grond van artikel 3, onder 12, van de Procedureverordening wordt onder “verzoek om internationale bescherming” of “verzoek” verstaan: een verzoek om bescherming van een lidstaat door een onderdaan van een derde land of een staatloze die kennelijk de vluchtelingenstatus of de subsidiairebeschermingsstatus wenst. Gezien deze definitie en nu eiser, als onderdaan van EU-lidstaat Polen, geen onderdaan van een derde land noch een staatloze is, concludeert de rechtbank dat eisers asielaanvraag niet onder de Procedureverordening valt en eiser aan die verordening ook geen rechten kan ontlenen. 3.2 Op grond van artikel 1 van de Vw wordt in deze wet en de daarop berustende bepalingen verstaan onder “aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel”: een verzoek om internationale bescherming als bedoeld in artikel 3, onderdeel 12, van de Procedureverordening dan wel een aanvraag om verblijf als gezinslid van een vreemdeling die internationale bescherming geniet, als bedoeld in de artikelen 29b, 29c en 29d. Eisers asielaanvraag is dus ook geen “aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel” als bedoeld in de Vw. 3.3 Op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw kan verweerder de vreemdeling in bewaring stellen als die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2°, voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning als bedoeld in artikel 28 van de Vw - dit is een verblijfsvergunning asiel - en als aan een van de daarna in dit artikellid benoemde voorwaarden is voldaan. Op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2°, en onder h, subonderdeel 2°, van de Vw heeft de vreemdeling in Nederland uitsluitend rechtmatig verblijf: ( f) in afwachting van de beslissing op een aanvraag tot het verlenen van de verblijfsvergunning asiel, terwijl de vreemdeling overeenkomstig artikel 10, eerste lid, van de Procedureverordening het recht heeft om op het grondgebied van Nederland te verblijven totdat op de aanvraag is beslist, tenzij artikel 10, derde of vierde lid, van de Procedureverordening van toepassing is; ( h) in afwachting van de beslissing op een bezwaarschrift of beroepschrift, terwijl overeenkomstig artikel 68, tweede of vierde lid, van de Procedureverordening sprake is van een recht om op het grondgebied van Nederland te blijven dan wel op grond van een rechterlijke beslissing uitzetting of overdracht van de aanvrager achterwege dient te blijven totdat op het bezwaarschrift of het beroepschrift is beslist. 3.4 Nu eisers asielaanvraag geen aanvraag om een verblijfsvergunning asiel is als bedoeld in de Vw, heeft hij niet op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2°, en onder h, subonderdeel 2°, van de Vw rechtmatig verblijf in Nederland. Zoals hiervoor al is geconcludeerd kan eiser ook geen verblijfsrecht ontlenen aan de Procedureverordening. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder dan ook terecht gesteld dat inbewaringstelling van eiser op grond van artikel 59b, eerste lid, van de Vw niet meer mogelijk is. De rechtbank dient dus te beoordelen of de bewaring voldoet aan de vereisten in artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Toetsingskader 4. Verweerder kan, als het belang van de openbare orde of de nationale veiligheid dat vordert, de vreemdeling die geen rechtmatig verblijf heeft in vreemdelingenbewaring stellen. Verweerder stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. Deze vreemdeling kan in vreemdelingenbewaring worden gesteld op grond dat het belang van de openbare orde of nationale veiligheid zulks vordert, indien a) een onderduikrisico bestaat, of b) de vreemdeling de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. De maatregel kan alleen worden opgelegd wegens het bestaan van een onderduikrisico, indien ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) zich voordoen. De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring 5. Vaststaat dat eiser geen rechtmatig verblijf in Nederland heeft omdat hij ongewenst is verklaard en in rechte vaststaat dat zijn eerdere asielaanvraag niet-ontvankelijk was. Eiser moet terugkeren naar Polen. Verder heeft verweerder in de maatregel overwogen dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat een onderduikrisico bestaat en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. 5.1. In de maatregel heeft verweerder als gronden vermeld dat eiser: a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij hij zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; g. tot ongewenst vreemdeling is verklaard als bedoeld in artikel 67 van de Vw dan wel toepassing is gegeven aan artikel 67a van de Wet, of tegen hem een inreisverbod is uitgevaardigd met toepassing van artikel 66a, zevende lid, van die wet; j. een aanvraag voor het verlenen van een verblijfsvergunning asiel heeft ingediend die niet-ontvankelijk is verklaard of is afgewezen als kennelijk ongegrond; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 5.2 Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom sprake is van een onderduikrisico en zich slechts heeft gebaseerd op standaardgronden. Verweerder beroept zich op de ongewenstverklaring en eerdere procedures, maar die rechtvaardigen volgens eiser niet de bewaring. 5.3 De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die aan de maatregel ten grondslag zijn gelegd niet heeft bestreden. De rechtbank ziet ook zelf geen aanleiding om deze gronden en de toelichting daarop onjuist te vinden. De beroepsgrond slaagt niet. Lichter middel 6. Eiser voert verder aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom niet kon worden volstaan met een lichter middel. Het is grotendeels een standaardoverweging. Verweerder heeft onvoldoende onderzoek verricht naar zijn persoonlijke omstandigheden. Een kenbare individuele afweging is niet gemaakt. Tijdens het gehoor heeft eiser verklaard dat hij op een boot verblijft die hij heeft gekocht en nog aan het afbetalen is. Tevens heeft hij verklaard een neef en een tante in Nederland te hebben. Hij kan zelfstandig terugkeren als dat noodzakelijk wordt geacht. 6.1 De rechtbank is van oordeel dat verweerder voldoende heeft gemotiveerd waarom niet kan worden volstaan met een lichter middel. Verweerder heeft daarbij de individuele omstandigheden van eiser betrokken, zoals zijn medische omstandigheden en de familierelaties van eiser en afgezet tegen het onderduikrisico. De beroepsgrond slaagt niet. Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel? 7. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door verweerder en eiser verstrekte gegevens geen grond om te oordelen dat deze maatregel onrechtmatig is opgelegd of voortduurt. Nu eiser EU-burger is - en geen onderdaan van een derde land - is er voor ambtshalve toetsing aan het beginsel van non-refoulement of aan het belang van eisers familieleven geen plaats. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wijst de rechtbank ook het verzoek om schadevergoeding af. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M. Kraefft, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Pronk, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Dit volgt uit artikel 94, eerste lid, van de Vw. Zaaknummer NL25.44940. Verordening 2024/1348/EU. Dit volgt uit artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Dit volgt uit artikel 59c van de Vw. Dit volgt uit artikel 5.5 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Dit volgt uit artikel 5.6, eerste lid, van het Vb.