← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:19500

Rechtbank Den Haag · 2026-07-15 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL26.12014
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
ja
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
17.855 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Duurzaamheids- en proportionaliteitstoets en intrekken tkb en iv.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL26.12014 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam 1], V-nummer: [v-nummer], eiser, (gemachtigde: mr. H.J. Janse), en de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: mr. R.M. Koning). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank het besluit op de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de niet-ontvankelijk verklaring van de asielaanvraag in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft op 24 januari 2025 een herhaalde aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. 2.1. De minister heeft deze aanvraag met het besluit van 7 augustus 2025 niet-ontvankelijk verklaard. Het hiertegen ingestelde beroep is door deze rechtbank en zittingsplaats gegrond verklaard. 2.2. De minister heeft op 26 februari 2026 een nieuw besluit genomen en de aanvraag van eiser opnieuw niet-ontvankelijk verklaard. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld en daarbij verzocht om een voorlopige voorziening. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten. Beoordeling door de rechtbank 3. De rechtbank overweegt dat zij in de onder 2.1. genoemde uitspraak, kort samengevat, heeft geoordeeld dat er geen grond is om eiser niet langer artikel 1F van het Vluchtelingenverdrag tegen te werpen en dat hij daarom geen verblijfsvergunning asiel kan krijgen. Ook heeft de rechtbank geoordeeld dat de minister in het kader van de duurzaamheids- en proportionaliteitstoets , onvoldoende aandacht heeft besteed aan de stelling van eiser dat oude vetes en oude conflicten, in combinatie met een lang verblijf in het westen, redenen zijn om toch in de negatieve aandacht van de Taliban te belanden. De rechtbank heeft het besluit van 7 augustus 2025 hierom vernietigd. 3.1. De rechtbank ziet zich in onderhavige procedure voor de vraag gesteld of eiser in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier op grond van de duurzaamheids- en proportionaliteitstoets. Heeft de minister een nieuw besluit kunnen nemen zonder een nieuw voornemen uit te brengen of eiser te horen? 4. Eiser stelt dat hij ten onrechte niet is gehoord of anderszins van het voornemen tot afwijzing in kennis is gesteld. Ook is niet aan gemachtigde of eiser gevraagd of sprake is van ontwikkelingen die relevant zijn of kunnen zijn voor de beoordeling van de aanvraag. Het voornemen van 30 juni 2025 maakte integraal deel uit van het vernietigde besluit van 7 augustus 2025 en de minister kan daarmee dus niet rauwelijks een nieuw besluit bekend maken, zonder nieuw voornemen of anderszins hieromtrent contact met eiser of zijn gemachtigde op te nemen. De huidige beslissing is daarom niet zorgvuldig tot stand gekomen. 4.1. De rechtbank oordeelt dat de omstandigheid dat de minister geen nieuw voornemen heeft uitgebracht niet maakt dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. De rechtbank is niet gebleken van enige rechtsregel die de minister hiertoe verplicht en ook heeft de rechtbank in de uitspraak van 18 december 2025 niet een dergelijke opdracht aan de minister gegeven. Indien er sprake was van ontwikkelingen die relevant zijn voor de beoordeling van de aanvraag had het op de weg van eiser gelegen om deze naar voren te brengen. 4.2. Bovendien is in het voornemen van 30 juni 2026 reeds opgenomen dat eiser niet in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning regulier. Het standpunt van eiser dat hij hier niet van in kennis is gesteld of dat het besluit de eerste inhoudelijke beoordeling van de minister bevat, is dan ook onjuist. Dat de minister in het nieuwe besluit een andere motivering hanteert dan in het voornemen maakt dit niet anders. Eiser heeft in beroep op de overwegingen van de minister kunnen reageren en gesteld noch gebleken is dat eiser hierbij in zijn belangen is geschaad. Omdat de vernietiging van een besluit niet kan worden aangemerkt als het bekend worden van feiten en omstandigheden als bedoeld in artikel 3.119 van het Vb, slaagt het beroep hierop ook niet. 4.3. Daags voor de zitting heeft eiser stukken overgelegd van Kleur GGZ en van de behandelend psycholoog van eiser. Volgens eiser blijkt hieruit dat niet zozeer sprake is van dementie, maar wel van PTSS, wat volgens de deskundigen zeer van invloed is op de geheugencapaciteiten van eiser. De minister heeft volgens eiser het gehoor van 11 april 2024 dan ook niet ten grondslag kunnen leggen aan de afwijzing van de aanvraag en had het onderzoek uit moeten breiden naar bijvoorbeeld de gezinsleden van eiser. 4.4. Daargelaten de vraag of uit de medische stukken volgt dat sprake is van PTSS, of dit van invloed is op eisers vermogen om te verklaren en of dit ook al het geval was ten tijde van het gehoor in april 2025, overweegt de rechtbank dat zij in haar uitspraak van 18 december 2025 reeds geoordeeld heeft dat de minister mocht uitgaan van de verklaringen die eiser tijdens het gehoor heeft afgelegd. Deze uitspraak staat in rechte vast en de overgelegde stukken kunnen daar niet aan af doen. De grond slaagt daarom niet; de minister heef de verklaringen van eiser ook kunnen betrekken bij het nieuwe afwijzende besluit. Komt eiser in aanmerking voor een verblijfsvergunning regulier? 5. Eiser stelt in aanmerking te komen voor een reguliere vergunning op grond van het beleid zoals neergelegd in paragraaf C2/7.10.7.6. van de Vreemdelingencirculaire (Vc). Hij verblijft al langer dan 10 jaar zonder vergunning in Nederland waarbij hij al die tijd niet kan worden uitgezet vanwege artikel 3 EVRM beletselen. Ook heeft de minister het (in het vernietigde besluit ingenomen) standpunt dat artikel 3 EVRM zich niet langer tegen uitzetting verzet, in het nieuwe besluit verlaten. Eiser voldoet ook aan de andere voorwaarden van paragraaf C2/7.10.7.6. 5.1. De rechtbank overweegt dat de minister een vreemdeling op wie artikel 1(F) van het Vluchtelingenverdrag van toepassing is, ambtshalve een verblijfsvergunning regulier onder de beperking humanitair tijdelijk kan verlenen. Daarvoor is onder meer vereist dat die vreemdeling aannemelijk maakt dat artikel 3 van het EVRM zich duurzaam verzet tegen zijn uitzetting naar het land van herkomst. Een onderdeel van die bewijslast is dat die vreemdeling aannemelijk maakt dat hij ondanks inspanningen om te voldoen aan zijn vertrekplicht niet naar een ander land dan zijn land van herkomst kan vertrekken. 5.2. Bij uitspraak van 4 maart 2022 is reeds geoordeeld dat - omdat eiser geen contact heeft gezocht met respectievelijk de Turkse ambassade, de Internationale Organisatie voor Migratie of de Dienst Terugkeer en Vertrek - geen sprake kan zijn van duurzaam uitzetbeletsel. Omdat in de huidige procedure ook niet is gebleken van dergelijke of andere pogingen, komt de rechtbank ook in deze procedure tot de conclusie dat geen sprake is van duurzaam uitzetbeletsel. In zoverre eiser ter zitting heeft betoogd dat het tegenwerpen van de inspanningsverplichting disproportioneel is omdat bij voorbaat duidelijk is dat eiser niet naar een ander land dan zijn land van herkomst kan vertrekken, volgt de rechtbank dit standpunt niet. Niet valt in te zien dat op voorhand, en zonder enige pogingen om het tegendeel te realiseren, duidelijk is dat eiser niet naar een ander land kan vertrekken. Het gaat juist om de inspanningen van eiser waar dit uit zou kunnen blijken, en bij gebrek aan die inspanningen is er geen aanleiding om aan te nemen dat eiser buiten zijn schuld om niet kan vertrekken. Had de minister het terugkeerbesluit en inreisverbod moeten intrekken? 6. Eiser stelt dat, nu niet langer in geschil is dat artikel 3 EVRM zich duurzaam tegen terugkeer naar Afghanistan verzet, het terugkeerbesluit van 10 juni 2014 moet worden ingetrokken. Ten onrechte doet de minister dat niet in het bestreden besluit. In dit verband wijst eiser op het AA-arrest van het Hof van Justitie van de EU en op de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag. Nu het terugkeerbesluit niet meer kan worden gehandhaafd, had ook het inreisverbod moeten worden ingetrokken. Immers, zonder terugkeerbesluit kan ook geen inreisverbod worden opgelegd. 6.1. De rechtbank ziet zich voor de vraag gesteld of het in 2014 opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod op grond van het Unierecht moeten worden herzien nu het Hof in het AA-arrest van 6 juli 2023 heeft geoordeeld dat artikel 5 van de Terugkeerrichtlijn zich verzet tegen het uitvaardigen van een terugkeerbesluit naar een land waar een artikel 3 EVRM-risico voor onbepaalde tijd dreigt. Naar het oordeel van de rechtbank mocht de minister in dit kader het terugkeerbesluit en het inreisverbod handhaven omdat deze in rechte vaststaan en hoefde de minister hier niet van terug te komen. De rechtbank legt hieronder uit hoe zij tot dit oordeel komt. 6.2. De rechtbank overweegt dat het Unierechtelijk rechtszekerheidsbeginsel met zich meebrengt dat een bestuursorgaan niet hoeft terug te komen van een besluit dat definitief is geworden na het verstrijken van redelijke beroepstermijnen of na uitputting van alle rechtsmiddelen. Hierop bestaan uitzonderingen. Als aan de vier cumulatieve criteria uit punt 28 van het Kühne & Heitz-arrest is voldaan, is een bestuursorgaan wel gehouden om een definitief besluit opnieuw te onderzoeken. 6.3. De rechtbank stelt vast dat eiser niet heeft voldaan aan het vierde criterium. Op grond van dit criterium had eiser zich - in het licht van het Unierechtelijk rechtszekerheidsbeginsel - tot de minister moeten wenden, onmiddellijk na van het AA-arrest kennis te hebben genomen. De minister heeft terecht overwogen dat niet aan dit criterium is voldaan, hetgeen door eiser ook niet wordt betwist. 6.4. Hoewel de minister op grond van het Kühne & Heitz-arrest niet verplicht is om de rechtmatigheid van het terugkeerbesluit en het inreisverbod opnieuw te onderzoeken, moet desalniettemin worden beoordeeld of sprake is van bijzondere omstandigheden waardoor die verplichting voor de minister toch nog bestaat. Dat is het geval als de heroverweging van een onherroepelijk geworden besluit, gelet op de bijzondere omstandigheden en de betrokken belangen, vereist is om een evenwicht te vinden tussen het rechtszekerheidsvereiste en het legaliteitsvereiste uit het oogpunt van het Unierecht. 6.5. De rechtbank overweegt dat uit bovenstaande volgt dat de belangen van eiser moeten worden afgewogen tegen het Unierechtelijk rechtszekerheidsbeginsel. Eiser heeft gesteld dat hij belang heeft bij opheffing van het terugkeerbesluit en inreisverbod omdat hij wil weten waar hij aan toe is en aanspraak wil kunnen maken op voorzieningen. Signalering in plaats van het opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod zou volgens eiser ook positieve gevolgen hebben voor de strafrechtelijke aansprakelijkheid van eiser in verband met zijn verblijf in Nederland. 6.6. De rechtbank is van oordeel dat de door eiser gestelde belangen geen bijzondere omstandigheden zijn op grond waarvan de minister alsnog verplicht is om het opgelegde terugkeerbesluit en inreisverbod te heroverwegen in het kader van een goed evenwicht tussen het Unierechtelijk rechtszekerheidsvereiste en het legaliteitsvereiste. De rechtsgevolgen van de weigering om het terugkeerbesluit en het inreisverbod te heroverwegen zijn naar het oordeel van de rechtbank niet onevenredig groot. De minister heeft aangegeven dat het non-refoulementbeginsel gerespecteerd blijft door de verwijdering van eiser uit te stellen zolang het refoulementrisico voortduurt. De minister heeft verder niet ten onrechte gesteld dat het (huidige) alternatief voor het terugkeerbesluit en het inreisverbod een besluit tot signalering is, met vergelijkbare rechtsgevolgen. Van een fundamentele rechtsongelijkheid of rechtsonzekerheid is geen sprake. Ook heeft de minister niet ten onrechte de openbare orde aspecten zwaar in het nadeel van eiser laten meewegen. De beroepsgronden slagen niet. 6.7. De rechtbank komt op grond van het bovenstaande tot de conclusie dat de minister in het AA-arrest geen aanleiding heeft hoeven zien om het in rechte vaststaande terugkeerbesluit en inreisverbod opnieuw te onderzoeken en te heroverwegen. De minister heeft daarom niet ten onrechte geweigerd het terugkeerbesluit in te trekken en het daaraan verbonden inreisverbod op te heffen. Heeft de minister kunnen concluderen dat geen sprake is van schending van artikel 8 EVRM? 7. Volgens eiser stelt de minister ten onrechte dat artikel 8 EVRM zich niet verzet tegen het handhaven van het inreisverbod. De minister stelt dat eisers zoon [naam 2] niet afhankelijk is van eiser, maar toetst niet of het andersom wel zo is. Daarvoor zijn wel degelijk aanwijzingen: eiser woonde lange tijd bij [naam 2] en laatstgenoemde brengt eiser overal naartoe. Nu zijn er ook nog de zorgen over de gezondheidssituatie van eiser bijgekomen. Dat geen sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie, wordt betwist. In ieder geval zijn niet alle daarvoor relevante onderdelen (samenwonen, objectieve belemmering, gezondheid etc.) bij die beoordeling betrokken. Beoordeeld moeten worden of sprake is van bijkomende elementen van afhankelijkheid. Eiser meent dat die beoordeling ook actueel moet zijn en niet enkel op basis van eerder afgelegde verklaringen. In dit verband dient ook [naam 2] te worden gehoord. 7.1. De rechtbank is met de minister van oordeel dat niet is gebleken van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheidsrelatie tussen [naam 2] en eiser. Er is om die reden geen sprake van familieleven als bedoeld in artikel 8 EVRM en er is daarom ook geen sprake van inmenging hierin bij een gedwongen vertrek uit Nederland. Ten aanzien van de afhankelijkheid van eiser van zijn zoon overweegt de minister dat om ‘meer dan gebruikelijke afhankelijkheid’ aan te kunnen nemen, de banden tussen eiser en [naam 2] zo sterk moeten zijn dat eiser als gevolg van de scheiding van [naam 2] niet meer in staat zal zijn om zelfstandig te functioneren. Deze conclusie kan niet worden getrokken op basis van wat eiser tot nu toe heeft aangevoerd, alleen al omdat ter zitting is gebleken dat eiser inmiddels op een azc woont en hieruit het tegendeel blijkt. Dat eiser vanwege medische of psychische problematiek zonder de zorg van zijn zoon [naam 2] niet zou kunnen functioneren, is ook niet gebleken. Voor zover eiser stelt dat hij opnieuw gehoord had moeten worden verwijst de rechtbank naar r.o. 4 e.v. 7.2. Evenmin is er in eisers geval sprake van privéleven. In het gehoor van 11 april 2025 is aan eiser gevraagd welke banden hij heeft met de Nederlandse samenleving. In dit gesprek heeft eiser geen voorbeelden kunnen noemen van banden met de Nederlandse samenleving die als privéleven in de hier bedoelde zin kunnen worden aangemerkt. Bovendien is steeds door de minister aan eiser duidelijk gemaakt dat hij geen verblijfsrecht in Nederland had, en dat hij Nederland moest verlaten. Het moet voor eiser daarom duidelijk zijn geweest dat hij geen bestendig privéleven in Nederland zou kunnen opbouwen. De minister heeft niet op deze gronden hoeven afzien van het handhaven van het inreisverbod. Conclusie en gevolgen 8. De minister heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.J. van der Veen, rechter, in aanwezigheid van mr. D.G. van den Berg, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Vreemdelingenwet 2000 NL25.38103. NL26.12015. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 27 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:4046. Paragraaf C2/7.10.7.6. van de Vc 2000. Ingevoerd bij besluit van 10 november 2008, Stcrt. 2008, 225 (WBV 2008/27, blz. 18-19). Eiser verwijst ook naar artikel 3.119 van het Vreemdelingenbesluit. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Volgens paragraaf C2/7.10.2.6 van de Vc. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, ECLI:NL:RVS:2021:1948. NL21.19913. Arrest van Het Hof van 6 juli 2023, in de zaak met kenmerk C-663/21. Rechtbank Den Haag, 21 mei 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:7680. Zie artikel 66a Vw. Dit volgt uit vaste rechtspraak van het Hof (zie bijvoorbeeld het Kühne & Heitz-arrest, punt 24 (19 juni 2006, ECLI:EU:C:2004:17)) en van de Afdeling (zie bijvoorbeeld de uitspraak van 18 september 2024, ECLI:NL:RVS:2024:3745). Volgens de arresten van het Hof inzake Byankov (4 oktober 2012, EU:C:2012:608) en Grossmania (10 maart 2022, ECLI:EU:C:2022:175).