← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:19493

Rechtbank Den Haag · 2026-07-13 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL25.63991
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
10.110 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Nigeria, asiel, identiteit, LHBTI-motief, ongeloofwaardig, gebrek 6:22 Awb, ongegrond.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL25.63991 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. J.J. Bronsveld), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. J.M. Sánchez-Rhèmrev). Procesverloop Verweerder heeft met het bestreden besluit van 4 december 2025 de asielaanvraag van eiser in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Verweerder heeft een verweerschrift ingediend. De rechtbank heeft het beroep op 3 juni 2026 op zitting in Breda behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, de heer [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder. Overwegingen 1. Eiser stelt dat hij is geboren op [geboortedag] 2003 en dat hij de Nigeriaanse nationaliteit heeft. 2. Op 5 maart 2023 heeft eiser asiel aangevraagd in Nederland. Hij heeft aan zijn aanvraag ten grondslag gelegd dat hij gevaar loopt als gevolg van zijn seksuele gerichtheid. Eiser wordt naar eigen zeggen in Nigeria door zijn gemeenschap bedreigd omdat er een foto van hem bestaat waarop hij intiem is met een man. Ook de oma van eiser, bij wie hij inwoonde, is om deze reden bedreigd. Het bestreden besluit 3. Met het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen als ongegrond op basis van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verweerder heeft hierbij de nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig, maar zijn identiteit ongeloofwaardig geacht. Hij overweegt hiertoe dat eiser geen verschoonbare reden heeft voor het niet aanleveren van zijn identiteitsdocumenten. Verweerder stelt zich op het standpunt dat de enkele, niet met stukken onderbouwde stelling van eiser, dat een derde zijn documenten heeft vernietigd, onvoldoende is om aan te nemen dat er sprake is van een verschoonbare reden voor het ontbreken van documenten. Daarbij komt dat eiser geen concrete inspanningen heeft verricht om vervangende documenten te verkrijgen. 4. Verweerder heeft ook het LHBTI-motief en de daaruit voortvloeiende problemen die eiser stelt te hebben ongeloofwaardig geacht. Eiser heeft onvoldoende inzicht gegeven in zijn gevoelens en gedachten met betrekking tot de ontdekking van zijn homoseksualiteit. Hij verwijst in dit verband naar vaste jurisprudentie van de Afdeling waaruit volgt dat van een vreemdeling mag worden verwacht dat hij inzichtelijk verklaart over zijn eigen ervaringen en de betekenis daarvan voor hem. Gronden van beroep 5. Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn aanvraag ten onrechte is afgewezen. Ten aanzien van zijn identiteit voert eiser aan dat het enige document dat hij bezat, een Nigeriaans paspoort, door een derde is vernietigd. Dat is een verschoonbare reden. De eerder door verweerder gestelde tegenstrijdigheid in de verklaringen van eiser over het kwijtraken van dit document wordt niet langer tegengeworpen, zodat onduidelijk is waarom de identiteit van eiser niet zou worden geloofd. Het bestreden besluit is op dit punt ondeugdelijk gemotiveerd. 6. Ten aanzien van het LHBTI-motief en de daaruit voortvloeiende problemen voert eiser aan dat verweerder de verklaringen over zijn seksuele geaardheid ten onrechte als ongeloofwaardig heeft bestempeld. Eiser heeft hierover wel degelijk duidelijk en uitvoerig verklaard. Verweerder stelt steeds in algemene zin "dat van eiser iets verwacht mag worden" maar laat na om duidelijk te maken wat precies verwacht wordt. Bij de beoordeling lijkt verweerder bovendien geen of onvoldoende rekening te hebben gehouden met het referentiekader van eiser. In Nigeria rust een taboe op het praten over homoseksualiteit. Eiser verwijst in dit verband naar het algemene ambtsbericht over Nigeria uit 2021. Ten slotte blijkt uit het dossier niet dat de LHBTI-coördinator is geraadpleegd, terwijl dat wel had gemoeten. Het oordeel van de rechtbank Identiteit 7. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat asielmotieven enkel betekenis hebben tegen de achtergrond van de identiteit, nationaliteit en herkomst van een vreemdeling. Indien deze elementen niet met documenten zijn onderbouwd en de vreemdeling er niet in slaagt deze op een andere manier aan te tonen, beoordeelt verweerder de asielaanvraag in de regel niet inhoudelijk. Vast staat dat eiser geen geldig, authentiek identiteitsdocument heeft overgelegd. Uit de stukken blijkt echter wel dat hij een Nederlandse geboorteakte heeft overgelegd en dat er een oud W-document op zijn naam, geldig tot 6 mei 2005, bekend is. Daarmee heeft eiser een begin gemaakt met het aantonen van zijn identiteit. Verweerder heeft de geldigheid van de genoemde documenten niet betwist en hij heeft de asielaanvraag van eiser wel inhoudelijk beoordeeld, daarbij uitgaand van de door eiser gestelde identiteit. Daarmee verhoudt zich niet dat verweerder vasthoudt aan het standpunt dat eisers identiteit ongeloofwaardig is, zeker niet nadat verweerder de tegenwerping dat eiser tegenstrijdig heeft verklaard over het verlies van zijn paspoort heeft teruggenomen. Het bestreden besluit is op dit punt dan ook niet deugdelijk gemotiveerd. De rechtbank passeert dit gebrek echter op grond van artikel 6:22 van de Awb omdat eiser hiermee niet in zijn belangen is geschaad omdat verweerder eisers asielaanvraag wel inhoudelijk heeft beoordeeld en daarbij is uitgegaan van de door eiser gestelde identiteit. LHBTI-motief 8. De rechtbank is van oordeel dat verweerder het LHBTI-motief en de daaruit voortvloeiende problemen die eiser aan zijn asielaanvraag ten grondslag heeft gelegd, terecht ongeloofwaardig heeft geacht. Zij overweegt daartoe als volgt. 9. Verweerder heeft zich in het bestreden besluit terecht op het standpunt gesteld dat eiser onvoldoende inzicht heeft gegeven in hoe hij achter zijn gevoelens voor mannen kwam en hoe hij zich daarbij voelde. Verweerder heeft zich daarbij voldoende rekenschap gegeven van het referentiekader van eiser, door bij de beoordeling de nationaliteit en herkomst van eiser te betrekken, zijn leeftijd, zijn geloofsovertuiging en -beleving, zijn sociale context (school, familie) en de wijze waarop hij na aankomst in Nederland invulling heeft gegeven aan zijn gestelde seksuele gerichtheid. Eiser heeft in de verschillende gehoren verteld over de ontdekking en ontwikkeling van zijn seksuele gerichtheid waarbij hij feitelijk heeft verklaard over de problemen die homoseksuelen – en dus ook hijzelf – ervaren of kunnen ervaren in de samenleving waarin hij is opgegroeid. Hij heeft verklaard dat homoseksualiteit in zijn gemeenschap niet geaccepteerd is, dat hij niet naar school kon gaan omdat hij een oorbel droeg, dat hij zich ten overstaan van zijn oma, met wie hij samenwoonde, en de kerkgemeenschap waarvan hij deel uitmaakte, niet kon uitlaten over zijn seksuele gerichtheid, en dat hij zijn eerste vriendje, [persoon] , alleen in het geheim kon ontmoeten. De rechtbank is met verweerder van oordeel dat eiser hierover weliswaar uitvoerig heeft verklaard, maar dat deze verklaringen nauwelijks inzicht geven in wat deze ervaringen persoonlijk met hem hebben gedaan. Niet valt in te zien dat dit niet van eiser verwacht kon worden. Tijdens de gehoren zijn aan eiser open vragen gesteld en aan hem is voldoende gelegenheid geboden om te verklaren. 10. De rechtbank kan het standpunt van eiser niet volgen dat hij zich, gezien de context waarin hij is opgegroeid, enerzijds beperkt voelt om veel inzicht te geven in de ontwikkeling van zijn gevoelsleven en zich daarom meer beschouwend uitlaat, maar anderzijds stelt dat hij met zijn verklaringen wel degelijk goed inzichtelijk heeft gemaakt hoe zijn gevoelsleven zich heeft ontwikkeld. 11. Volgens Werkinstructie 2019/17 moet vóór een besluit wordt genomen in een zaak waarin een LHBTI-motief speelt, een LHBTI-coördinator geraadpleegd worden. De verklaring van verweerder dat een LHBTI-coördinator is betrokken bij de besluitvorming in de voorliggende zaak, is voldoende om dit te onderbouwen. In het verweerschrift en ter zitting heeft verweerder verklaard dat dit het geval is. Het bestreden besluit is dus in lijn met Werkinstructie 2019/17 tot stand gekomen. Dat dit niet als zodanig is opgenomen in het bestreden besluit, maakt niet dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Conclusie en gevolgen 12. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. 13. Wegens het onder rechtsoverweging 6 gepasseerde motiveringsgebrek veroordeelt de rechtbank verweerder in de door eiser gemaakte proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-. Deze uitspraak is gedaan op 13 juli 2026 door mr. S.S. van der Velde, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Deze uitspraak is bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2015:4061 en ECLI:NL:RVS:2017:292. Algemene wet bestuursrecht. Zie, bijvoorbeeld, ECLI:NL:RBROT:2024:3226 en ECLI:NL:RBDHA:2026:1994.