← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:19489

Rechtbank Den Haag · 2026-07-14 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL25.47847 T
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
ja
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
7.880 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Tussenuitspraak. Beroep tegen afwijzing asielaanvraag. De minister heeft het bestreden besluit kort voor de zitting ingetrokken. De minister moet binnen acht weken opnieuw beslissen op de asielaanvraag van eiser. Als de minister binnen de door de rechtbank bepaalde termijn geen beslissing neemt op de asielaanvraag, is de rechtbank voornemens om zelf in de zaak te voorzien door te beoordelen of aan eiser internationale bescherming moet worden verleend. In voorkomend geval zal de rechtbank daarover een bindende uitspraak doen zoals bedoeld in de arresten van het Hof van 4 juni 2026.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL25.47847 T tussenuitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser, (gemachtigde: mr. R. Balkenende), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. M. Weerman). Procesverloop Eiser heeft op 22 mei 2021 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Hij stelt van Gambiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum 1] 2004. Op 12 november 2021 heeft de minister de asielaanvraag buiten behandeling gesteld. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. Op 24 november 2021 heeft deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, het beroep gegrond verklaard. Hiertegen is de minister in hoger beroep gegaan op 1 december 2021. Op 25 januari 2024 is dit hoger beroep ingetrokken. Op 5 juli 2024 heeft de minister opnieuw een beslissing genomen en heeft de asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Hiertegen heeft eiser beroep ingesteld. Deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle, heeft dit beroep op 22 juli 2025 gegrond verklaard. Met het bestreden besluit van 16 september 2025 heeft de minister opnieuw een beslissing genomen en heeft de minister de asielaanvraag afgewezen als ongegrond. Eiser heeft tegen dit bestreden besluit beroep ingesteld. De minister heeft bij brief van 24 juni 2026 medegedeeld dat het bestreden besluit is ingetrokken. Eiser heeft op 24 juni 2026 de rechtbank laten weten het beroep te willen handhaven. De rechtbank heeft het beroep op 30 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is O. Jobe verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na de behandeling van de zaak heeft de rechtbank het onderzoek ter zitting gesloten. Op 13 juli 2026 heeft de rechtbank partijen bericht dat het onderzoek wordt heropend en dat de rechtbank een tussenuitspraak zal doen. Overwegingen 1. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser; dat eiser afvallig is; dat de vader van eiser imam is en eiser met hem problemen heeft ondervonden. De minister vindt alle asielmotieven geloofwaardig, maar heeft in het bestreden besluit beslist dat aan eiser geen internationale bescherming hoeft te worden verleend. Wel merkt de minister op dat een geboortedatum van [geboortedatum 2] 2000 wordt aangehouden. 2. Eiser stelt zich op het standpunt dat aan hem de vluchtelingenstatus, dan wel een subsidiaire beschermingsstatus moet worden verleend. Volgens eiser kan niet zonder meer worden uitgegaan van zijn meerderjarigheid en is de motivering van de minister daarvoor onvoldoende en onzorgvuldig. Daarnaast miskent de minister dat er sprake is van een gegronde vrees voor vervolging en een reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Gambia. 3. De rechtbank heeft de minister tijdens de zitting gevraagd waarom op 24 juni 2026, zes dagen voor de behandeling van het beroep op zitting, is overgegaan tot het intrekken van het bestreden besluit. De mededeling over de intrekking is namelijk niet toegelicht. Daarop heeft de minister verklaard dat in het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd waarom er geen leeftijdsonderzoek (FMO ) is aangeboden en geen onderzoek naar adequate opvang heeft plaatsgevonden. Dit was wel de opdracht van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle. Het bestreden besluit is volgens de minister ingetrokken om alsnog een zorgvuldig besluit te nemen. De minister heeft verder kenbaar gemaakt dat vanwege het Migratiepact het niet mogelijk is om aan te geven binnen welke termijn een nieuw besluit wordt genomen. 4. De rechtbank overweegt dat het zonder enige toelichting intrekken van een besluit kort voor de zitting waar de rechtmatigheid van dat besluit en het daartegen gerichte beroep worden behandeld om meerdere redenen storend is. Eiser heeft al op 22 mei 2021 zijn asielaanvraag ingediend. De eerdere besluiten op de asielaanvraag van eiser, namelijk de besluiten van 12 november 2021 en 5 juli 2024, zijn daarnaast vernietigd. Met de intrekking van het bestreden besluit is nog altijd niet definitief op de asielaanvraag van eiser beslist. De rechtbank overweegt daartoe dat deze handelswijze onbehoorlijk is jegens eiser die recht heeft op een tijdige en deugdelijke beoordeling van zijn asielaanvraag. 5. Eiser heeft de rechtbank verzocht zelf een bindende uitspraak te doen over de aannemelijkheid van de vrees die eiser heeft of bij tussenuitspraak te bepalen dat de minister binnen een termijn van vier weken dient te beslissen op de asielaanvraag van eiser en als de minister dat niet tijdig doet alsnog zelf een bindende uitspraak te doen. 6. De rechtbank ziet aanleiding om het intrekkingsbesluit in deze procedure niet te vernietigen, maar de minister op te dragen om opnieuw te beslissen op de asielaanvraag die eiser op 22 mei 2021 heeft ingediend. De rechtbank bepaalt hiervoor een termijn van acht weken. De rechtbank merkt daarbij op dat de minister tijdens de zitting heeft laten weten dat er geen leeftijdsonderzoek (FMO) zal worden aangeboden en ook geen onderzoek naar adequate opvang noodzakelijk is, omdat eiser inmiddels meerderjarig is. Wel dient de minister, naar eigen zeggen, goed te motiveren waarom deze onderzoeken niet worden uitgevoerd. De rechtbank acht de minister om deze reden dan ook in staat om binnen acht weken te beoordelen of het eerder geloofwaardig geachte relaas leidt tot het verlenen van internationale bescherming en een eventueel afwijzend besluit draagkrachtig te motiveren. Eiser zal in de gelegenheid worden gesteld om beroepsgronden aan te voeren tegen het nieuw te nemen besluit en de rechtbank zal daarvoor na bekendmaking van het nieuw te nemen besluit een termijn bepalen. 7. De rechtbank deelt partijen mee dat als de minister binnen de door de rechtbank bepaalde termijn van acht weken geen beslissing neemt op de asielaanvraag, de rechtbank voornemens is om zelf in de zaak te voorzien door te beoordelen of aan eiser internationale bescherming moet worden verleend. In voorkomend geval zal de rechtbank daarover een bindende uitspraak doen zoals bedoeld in de arresten van het Hof van 4 juni 2026. 8. De rechtbank wijst in dit verband op artikel 67, derde lid, van Verordening 2024/1348, dat een op dit punt vergelijkbare bepaling kent over het recht op een doeltreffende voorziening in rechte, zodat de bovengenoemde arresten ook betekenis hebben voor rechterlijke uitspraken vanaf 12 juni 2026. 9. De rechtbank houdt iedere verdere beslissing aan tot de einduitspraak op het beroep. Dat laatste betekent ook dat zij over de proceskosten en het griffierecht nu nog geen beslissing neemt. Beslissing De rechtbank: - draagt de minister op om binnen acht weken na bekendmaking van deze tussenuitspraak een beslissing te nemen op de asielaanvraag die eiser op 22 mei 2021 heeft ingediend; - houdt iedere verdere beslissing aan. Deze uitspraak is gedaan door mr. T.M. Weeda, rechter, in aanwezigheid van mr.M.L. Tijssen, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Tegen deze tussenuitspraak staat nog geen hoger beroep open. Tegen deze tussenuitspraak kan hoger beroep worden ingesteld tegelijkertijd met hoger beroep tegen de (eventuele) einduitspraak in deze zaak. Geregistreerd onder zaaknummer NL21.17799. Geregistreerd onder zaaknummer NL24.28000. Forensisch medisch onderzoek. Geregistreerd onder zaaknummer NL24.28000. Onder verwijzing naar de arresten van het Hof van Justitie van de Europese Unie (Hof) van 4 juni 2026, in de zaken Quotal, ECLI:EU:C:2026:447, en Ebilum, ECLI:EU:C:2026:448. Onder verwijzing naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 16 juni 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:16421. ECLI:EU:C:2026:447 en ECLI:EU:C:2026:448.