← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:19471

Rechtbank Den Haag · 2026-07-02 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL25.45412
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
7.516 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Mondelinge uitspraak – asielaanvraag – nova bij opvolgende asielaanvraag – beroep ongegrond.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL25.45412 proces-verbaal van de mondelinge uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. D.S. Harhangi-Asarfi), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. E.N. Spijkerman). Procesverloop Bij besluit van 11 september 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 2 juli 2026 op zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Na afloop van de behandeling van de zaak ter zitting heeft de rechtbank onmiddellijk uitspraak gedaan. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Overwegingen 1. Eiser heeft op 29 juli 2025 een derde, herhaalde asielaanvraag ingediend. 2. Een herhaalde asielaanvraag wordt alleen inhoudelijk beoordeeld als er sprake is van nieuwe feiten of omstandigheden die ertoe leiden dat de vreemdeling in aanmerking komt voor een asielvergunning. Dit worden ‘nova’ genoemd. 3. Eiser stelt zich op het standpunt dat er sprake is van nova, zodat verweerder de asielaanvraag niet als kennelijk ongegrond had kunnen afwijzen, maar een inhoudelijke beoordeling had moeten maken. Het betoog van eiser steunt op de verslagen van zijn gesprekken met de Dienst Terugkeer en Vertrek (DTenV), waaruit blijkt dat de Nederlandse Staat niet alleen probeert om hem te laten vertrekken naar Bangladesh of Pakistan (de landen die in het terugkeerbesluit zijn genoemd), maar dat zij ook proberen een LP te krijgen voor Myanmar. Hieruit kan worden afgeleid dat verweerder inmiddels denkt dat eiser mogelijk toch uit Myanmar komt, terwijl de eerdere asielaanvraag juist is afgewezen op de grond dat eisers stelling dat hij uit dat land komt, ongeloofwaardig is bevonden. Deze handelwijze levert bovendien een schending op van het vertrouwensbeginsel. Daarnaast hebben de autoriteiten van Bangladesh en Pakistan inmiddels formeel laten weten dat zij eiser geen LP zullen verstrekken zodat vertrek naar die landen ook daadwerkelijk niet meer tot de mogelijkheden behoort. Eiser voert verder aan dat recente rechtspraak van de Afdeling nieuw licht werpt op het gebruik van taalanalyses bij de beoordeling van de geloofwaardigheid van een asielaanvraag. Alle genoemde elementen vormen nieuwe feiten en omstandigheden die, zeker in samenhang bezien, volgens eiser een novum vormen. Deze vaststelling leidt er ook toe dat in eerdere procedures aangevoerde documenten (een kopie van een ID kaart van eiser, en het ‘ Report on Citizenship Law: Myanmar ’) in een ander licht kunnen worden gezien en alsnog bij de inhoudelijke beoordeling moeten worden betrokken. Nieuwe feiten of omstandigheden (nova) 4. Anders dan eiser stelt, is de rechtbank van oordeel dat er geen lage drempel geldt voor het aannemen van een novum. Het gegeven dat DTenV pogingen doet om toelating voor eiser te verkrijgen in Myanmar omdat hij zelf stelt dat hij daar vandaan komt, maakt nog niet dat daaruit kan worden afgeleid dat verweerder nu anders denkt over eisers identiteit. Verweerder heeft desgevraagd ter zitting bevestigd dat hiervan geen sprake is. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling is het mogelijk om een vreemdeling te laten terugkeren naar een land waarmee hij zelf stelt banden te hebben, ook als de asielaanvraag is afgewezen omdat het herkomstland niet wordt geloofd. 5. Ook in de weigering van afgifte van een LP door de autoriteiten van Bangladesh en Pakistan ziet de rechtbank geen novum. Het zijn wel nieuwe ontwikkelingen in het terugkeerdossier, maar geen rechtens relevante omstandigheden die een ander besluit ten aanzien van het asielverzoek rechtvaardigen. 6. Ten slotte vormt ook de recente uitspraak van de Afdeling over taalanalyse geen novum. De aangehaalde zaak werpt geen nieuw licht op de overwegingen in het bestreden besluit. Dat besluit rust bovendien op meer dan alleen de taalanalyse. Zo is in de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Rotterdam van 27 september 2023 onder meer meegewogen dat eiser geen originele identiteitspapieren heeft overgelegd en dat hij onder aliassen heeft gereisd. Vertrouwensbeginsel 7. De rechtbank oordeelt dat de handelwijze van verweerder, waarbij hij vertrek van eiser naar Myanmar probeert te realiseren, terwijl dit land niet wordt genoemd in het terugkeerbesluit, geen strijd oplevert met het vertrouwensbeginsel. Wie zich beroept op het vertrouwensbeginsel moet aannemelijk maken dat van de kant van de overheid toezeggingen of andere uitlatingen zijn gedaan of gedragingen zijn verricht waaruit redelijkerwijs kan en mag worden afgeleid dat het bestuursorgaan een bepaalde bevoegdheid zal uitoefenen, en zo ja hoe. Uit de stukken en de behandeling ter zitting blijkt dat verweerder eiser bijstaat om zijn vertrekplicht te realiseren. Naast mogelijke uitzetting naar Bangladesh of Pakistan probeert DTenV om hem te helpen met mogelijk vertrek naar Myanmar, omdat eiser zelf stelt dat hij daar vandaan komt. Door zo te handelen heeft verweerder geen onterechte verwachtingen gewekt, en eisers vertrouwen niet geschonden. Terugkeerbesluit 8. De rechtbank ziet ook in het opgelegde terugkeerbesluit geen aanleiding om het bestreden besluit te vernietigen. De oplegging van het terugkeerbesluit is dwingend voorgeschreven en is bedoeld om formeel vast te stellen dat de vreemdeling geen rechtmatig verblijf heeft in Nederland. Zolang gedwongen uitzetting naar Myanmar niet aan de orde is, hoeft verweerder geen aanvullend terugkeerbesluit te nemen. De jurisprudentie waar eiser in dit verband naar verwijst betreft vreemdelingen die in bewaring zijn geplaatst en is niet doorslaggevend voor zijn situatie. Inreisverbod 9. Het eerder opgelegde inreisverbod is nog steeds geldig. Verweerder was niet gehouden om het inreisverbod ambtshalve opnieuw te beoordelen. Uit wat eiser heeft aangevoerd volgt niet dat het bestreden besluit op dit punt onvoldoende is gemotiveerd. Conclusie en gevolgen 10. Ook in wat verder door eiser is aangevoerd ziet de rechtbank geen aanleiding om het beroep gegrond te verklaren. De aanvraag is terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. 11. Omdat het beroep ongegrond is blijft het bestreden besluit in stand. Het terugkeerbesluit en het inreisverbod van 2 jaar blijven in stand. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Deze uitspraak is uitgesproken in het openbaar op 2 juli 2026 door mr. S.S. van der Velde, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier. Dit proces-verbaal wordt geanonimiseerd gepubliceerd op www.rechtspraak.nl. Dit proces-verbaal is bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking van dit proces-verbaal. Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 7 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3060. Zie de uitspraak van de Afdeling van 19 april 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BW4354, punt 2.1.1. Zie de uitspraak van de Afdeling van 8 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1970, punt 5.1.4. ECLI:NL:RBROT:2023:8980. Zie, bijvoorbeeld, de uitspraak van de Afdeling van 26 februari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:778, punt 13.1. Arrest van het Hof van Justitie van de EU in de zaak [persoon] , C-357/09.