ECLI:NL:RBDHA:2026:19453
Rechtbank Den Haag · 2026-07-14 · Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Jemen / minister heeft problemen vanwege haar buitenechtelijk kind niet geloofwaardig hoeven achten / geen vrees bij terugkeer / ongegrond
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL26.8813 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiseres, V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. J. Oosterhof) en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. S. Yousef). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres als bedoeld in artikel 28 van de Vw 2000 . 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag als kennelijk ongegrond met toepassing van artikel 6:22 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) in stand kan blijven. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiseres heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 10 februari 2026 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. Bij dit besluit is evenmin een verblijfsvergunning regulier of uitstel van vertrek om medische redenen verleend. Verder heeft de minister in dit besluit eiseres opgedragen onmiddellijk naar Jemen te vertrekken en is aan haar een inreisverbod van twee jaar opgelegd. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit, voor zover daarin de asielaanvraag is afgewezen als kennelijk ongegrond en aan eiseres een terugkeerbesluit en inreisverbod is opgelegd. De inhoudelijke beroepsgronden van eiseres zijn enkel gericht tegen de afgewezen asielaanvraag als kennelijk ongegrond. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, een tolk en de gemachtigde van de minister. De rechtbank heeft het onderzoek ter zitting gesloten. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiseres legt aan haar asielaanvraag het volgende ten grondslag. Zij heeft verklaard de Jemenitische nationaliteit te hebben, tot de bevolkingsgroep van de Arabieren en tot de stam Yafa te behoren. Eiseres woonde vanaf jonge leeftijd in Sanaa bij haar oom en tante door wie zij werd mishandeld. Zij had een vriend van wie zij zwanger is geworden. Nadat zij hem dit vertelde heeft hij de relatie verbroken. Toen zij twee maanden zwanger was werd dit ontdekt door haar oom en tante waarop zij haar ernstig mishandelden. De buren die op het geschreeuw afkwamen, zeiden de oom en tante te stoppen met dit geweld en de overheid zijn werk te laten doen. Eiseres was overgeleverd aan de autoriteiten die haar in de gevangenis hebben gezet. Na enige tijd lukte het een andere tante, de zus van haar vader, om haar vrij te krijgen waarna zij twintig dagen bij een vriendin heeft verbleven. Daarna is zij naar Saoedi-Arabië gevlucht waar zij tussen 2010 en 2018 heeft gewoond, is getrouwd en twee kinderen heeft gekregen. Toen hij ontdekte dat haar oudste dochter een buitenechtelijk kind was, wilde haar ex-man niet meer met haar verder en besloten zij te scheiden. In 2018 zijn eiseres en haar ex-man Saoedi-Arabië uitgezet waarop zij terugkeerden naar Jemen. Eiseres heeft vervolgens twee jaar in Aden en twee jaar in Taiz verbleven. Daarna besloot zij terug te keren naar Sanaa om te proberen zich te verzoenen met haar oom en tante. Met dat doel had zij vanuit Saoedi-Arabië al contact met de tante opgenomen. De oom en tante bleken eiseres echter niet vergeven te hebben en via een buurvrouw hoorde eiseres dat zij haar wilde overleveren aan de Houthi’s zodat zij gestenigd zou worden. Ook dreigde de oom haar dochter te vermoorden. Daarop is eiseres wederom vertrokken. Zij bracht haar dochter naar de zus van haar vader die nu voor haar zorgt. Haar twee andere kinderen wonen bij haar ex-man. Bij terugkeer vreest zij vermoord te worden door haar oom die eerwraak wil om de familienaam te zuiveren. Daarnaast heeft eiseres verklaard niet terug te kunnen vanwege de algemene, instabiele situatie in Jemen. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiseres bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: De identiteit, nationaliteit en herkomst van eiseres; Haar problemen vanwege haar buitenechtelijk kind. 4.1. De minister volgt eiseres in haar nationaliteit en herkomst. Haar identiteit acht de minister ongeloofwaardig omdat haar verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Eiseres heeft wisselend verklaard over haar geboortedatum. In Griekenland heeft zij aangegeven geboren te zijn op 25 april 1994 terwijl zij in Nederland gezegd heeft op 5 april 1993 geboren te zijn. Omdat eiseres een geboorteakte heeft overgelegd die door Bureau Documenten frauduleus is bevonden en eiseres zelf heeft aangegeven dat het gaat om een origineel document dat in Jemen lag en is opgestuurd door haar tante, beschouwt de minister eiseres ook in grote lijnen niet als geloofwaardig. De verklaring van eiseres dat haar ex-man, via haar tante, expres vervalste documenten heeft opgestuurd, acht de minister niet geloofwaardig. Volgens de minister ligt het niet in de rede dat wanneer haar ex-man eiseres geen originele documenten gunt, hij vervolgens wel de moeite zou nemen om echt lijkende vervalste documenten te laat vervaardigen terwijl hij ook enkel kopieën had kunnen versturen. Eiseres haar gestelde vermoedens zijn bovendien niet onderbouwd. 4.2. De door eiseres gestelde problemen vanwege haar buitenechtelijke kind acht de minister ook ongeloofwaardig. De minister rekent het eiseres aan dat zij geen documenten heeft overgelegd om dit asielmotief te onderbouwen en hiertoe ook geen aantoonbare pogingen heeft ondernomen. Te denken valt aan het verkrijgen van geboorteaktes van haar kinderen, een document waaruit blijkt dat eiseres in voorarrest heeft gezeten of een document dat kan aantonen dat eiseres in het ziekenhuis is geweest. Verder vindt de minister haar verklaringen over de totstandkoming van de haar zwangerschap tegenstrijdig. In Griekenland heeft zij verklaard in Saoedi-Arabië te zijn verkracht terwijl zij in Nederland heeft gezegd verliefd te zijn geweest op een Jemenitische jongen en van hem zwanger te zijn geraakt. Ook acht de minister het ongerijmd en weinig plausibel dat eiseres weer contact zou hebben gezocht met haar oom en tante en besloot naar Sanaa te gaan. Eiseres heeft verklaard dat zij in Saoedi-Arabië weer contact met de tante had gelegd terwijl de tante nooit had aangegeven dat de oom haar vergeven had en eiseres bovendien jarenlang door de oom is mishandeld. Nu, zoals ook blijkt uit het Algemeen Ambtsbericht over Jemen van 2022, eerwraak als gevolg van een buitenechtelijke relatie in Jemen voorkomt en een veelvoorkomend motief is voor vrouwen om te vluchten en gelet op haar eigen verklaring dat zij al vier jaar ongemoeid elders in Jemen had verbleven, is de keuze van eiseres om naar Sanaa terug te keren ongerijmd. Dat eiseres vier jaar zonder problemen in Jemen heeft kunnen wonen acht de minister eveneens ongerijmd. Volgens haar verklaringen wil haar oom de familienaam zuiveren. Hij heeft haar mishandeld en gevangen laten zetten en hij wil haar vermoorden of overleveren aan de Houthi’s. Toen eiseres na acht jaar terugkeerde naar Jemen waren haar oom en tante hiervan op de hoogte. Eiseres heeft aangegeven dat zij wisten dat zij in Aden woonde en dat zij van plan was weer naar Sanaa te gaan. Zij is echter nooit persoonlijk bedreigd. Voorts komen de verklaringen van eiseres over de tijdlijn van de detentie niet overeen. In Griekenland heeft zij verklaard dat zij, toen zij met haar dochter terugkeerde uit Saoedi-Arabië, twee maanden is vastgezet, wat duidelijk verschilt met haar verklaring in Nederland dat zij gevangen is gezet toen men hoorde dat ze zwanger was. Omdat eiseres een echtscheidingsakte heeft overgelegd die door Bureau Documenten frauduleus is bevonden en eiseres zelf heeft aangegeven dat het gaat om een origineel document dat in Jemen lag en is opgestuurd door haar tante, beschouwt de minister eiseres ook in dit verband in grote lijnen niet als geloofwaardig. Bovendien heeft eiseres verklaard te zijn gescheiden in Saoedi-Arabië, terwijl op de echtscheidingsakte de plaats Aden in Jemen staat. 4.3. De minister stelt zich verder op het standpunt dat eiseres geen vluchteling is en bij terugkeer naar Jemen geen reëel risico loopt op ernstige schade als bedoeld in artikel 3 van het EVRM. De minister stelt zich op het standpunt dat eiseres niet als gevolg van discriminatie zo ernstig werd beperkt in haar bestaansmogelijkheden dat ze onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kon functioneren en dat er geen vrees bestaat voor herbesnijdenis van eiseres zelf dan wel besnijdenis van haar dochter die op dit moment bij haar tante in Jemen woont. Uit openbare bronnen blijkt dat er geen besnijdenis voorkomt in de regio’s waar eiseres haar dochter verblijft en waar eiseres naar dient terug te keren. Hoewel in delen van Jemen, zoals Sanaa, er sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld, dient eiseres voorts aannemelijk te maken dat zij specifiek risico loopt en in dit verband individuele omstandigheden naar voren brengen. Hierin is eiseres niet geslaagd. Haar enkele stelling dat zij een alleenstaande vrouw is, vindt de minister niet aannemelijk. Eiseres heeft een ondersteunend netwerk in Jemen, waaronder een tante die eiseres al jaren heeft gesteund en op dit moment voor haar dochter zorgt en een vriendin bij wie ze heeft verbleven. Verder is de echtscheiding volgens de minister niet onderbouwd, omdat eiseres een frauduleus document heeft overgelegd. 4.4. Tot slot concludeert de minister dat de aanvraag op grond van artikel 30b, eerste lid, onder c, van de Vw 2000 kennelijk ongegrond is, omdat eiseres frauduleuze documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van haar identiteit. Ten aanzien van de ongeloofwaardig gevonden asielmotieven 5. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte haar identiteit en haar problemen vanwege haar buitenechtelijk kind ongeloofwaardig heeft geacht. 5.1. Deze beroepsgronden slagen niet. De rechtbank overweegt daartoe het volgende. 6. Vast staat dat eiseres in 12 november 2022 internationale bescherming heeft gekregen in Griekenland en dat zij op 31 mei 2023 in Nederland nogmaals een aanvraag heeft gedaan voor internationale bescherming. De minister heeft deze aanvraag niet op grond van artikel 33, eerste lid en tweede lid, aanhef en onder a van de Procedurerichtlijn niet niet-ontvankelijk verklaard, maar inhoudelijk beoordeeld. Uit de uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025 volgt dat de minister in een dergelijk geval, voorafgaand aan het nemen van het nieuwe besluit, contact moet opnemen met de Griekse autoriteiten. Dit om informatie uit te wisselen over het verzoek van betrokkene om internationale bescherming, haar standpunt daarover en de door Griekenland verleende vluchtelingenstatus. Met deze informatie moet de minister de asielaanvraag opnieuw individueel, volledig en naar de actuele stand van zaken onderzoeken aan de hand van de in de Procedurerichtlijn en Kwalificatierichtlijn neergelegde criteria. Bij deze beoordeling moet de minister, gelet op het arrest QY , ten volle rekening houden met de door de Griekse autoriteiten verstrekte informatie waarover zij beschikt en die tot toekenning van de status heeft geleid. Die informatie moet de minister kenbaar in haar beoordeling betrekken. 6.1. Op grond van artikel 16 van de Procedurerichtlijn, geïmplementeerd in artikel 3.113, eerste lid, van het Vb 2000 , is de minister verplicht om eiseres in de gelegenheid te stellen om tijdens het nader gehoor uitleg te geven over eventueel ontbrekende elementen of over inconsistenties of tegenstrijdigheden in haar verklaringen. Dit is blijkens het verslag van het nader gehoor op 5 maart 2025 gebeurd. Na het gehoor zijn er op 30 november 2025 nieuwe feiten en omstandigheden bekend geworden, namelijk het vertaalde Griekse dossier met daarin nieuwe feiten en omstandigheden. Op grond van artikel 3.119 van het Vb 2000 is het dan voldoende om eiseres in de gelegenheid te stellen een zienswijze hierover naar voren te brengen nadat een nieuw voornemen is genomen. De minister heeft derhalve kunnen volstaan met het bieden van een mogelijkheid om een zienswijze over het voornemen in te dienen. 6.2. Eiseres heeft op 9 februari 2026 een zienswijze ingediend. Eiseres stelt dat zij op dat moment nog geen inzage had gekregen in het Griekse dossier. De minister heeft deze stelling van eiseres niet bestreden. De rechtbank is gelet hierop van oordeel dat de beroepsgrond van eiseres dat de besluitvormingsprocedure onzorgvuldig is geweest, slaagt. De minister heeft immers nagelaten eiseres tijdig de gelegenheid te geven het Griekse dossier in te zien. De rechtbank is echter van oordeel dat eiseres door dit zorgvuldigheidsgebrek niet is benadeeld, omdat zij in deze beroepsprocedure kennis heeft kunnen nemen van het Grieks dossier en, zoals uit het hiernavolgende zal blijken, de rechtbank van oordeel is dat de minister mede op basis van het Griekse dossier zich op het standpunt heeft mogen stellen dat de identiteit van eiseres en de problemen vanwege haar buitenechtelijke kind ongeloofwaardig zijn. De rechtbank passeert dit gebrek dan ook met toepassing van artikel 6:22 van de Awb en overweegt verder het volgende. 7. Eiseres betoogt dat de door haar in Griekenland afgelegde verklaringen haar niet kunnen worden tegengeworpen omdat haar verklaringen aldaar niet juist zouden zijn genoteerd en er geen advocaat was met wie zij de inhoud van het gehoor kon controleren. Dit betoog faalt. Uit de hiervoor reeds genoemde uitspraak van de Afdeling van 2 juli 2025 volgt dat de minister bij zijn beoordeling ten volle rekening moet houden met de beslissing van de Griekse autoriteiten om de vluchtelingenstatus toe te kennen en met de elementen waarop die beslissing is gebaseerd. Dit heeft de minister gedaan. Vast staat verder dat eiseres op wezenlijke punten van haar asielrelaas tegenstrijdig heeft verklaard. Dit heeft de minister haar mogen tegenwerpen nu hij op basis van het interstatelijke vertrouwensbeginsel van de juistheid van de inhoud van het Griekse dossier mag uitgaan. Dat de tegenstrijdige verklaringen het gevolg zouden zijn geweest van de manier waarop in Griekenland het gehoor zou zijn afgenomen blijkt niet uit het overgelegde Griekse dossier en is ook niet op andere wijze onderbouwd. Daar komt bij dat uit artikel 20, tweede lid, van de Procedurerichtlijn volgt dat er geen verplichting bestaat tot het aanbieden van kosteloze rechtsbijstand in eerste aanleg, aangezien het om een kan-bepaling gaat. 8. De minister heeft eiseres evenmin hoeven volgen in haar verklaringen over de door Bureau Documenten frauduleus bevonden geboorte- en echtscheidingsakte. De minister heeft eiseres haar uitleg dat deze zouden zijn vervalst door haar ex-echtgenoot, niet aannemelijk mogen vinden. De rechtbank vindt de door de minister gegeven motivering in het voornemen en het bestreden besluit hierover deugdelijk. Eiseres heeft voorafgaand aan de zitting op 19 juni 2026 een nieuwe kopie van haar geboorteakte overgelegd en daarbij aangegeven dat haar tante de originele stukken heeft toegezonden. De rechtbank is met de minister van oordeel dat deze kopieën te laat zijn ingebracht, omdat eiseres al vanaf het moment dat ze wist dat de documenten frauduleus waren bevonden, documenten had kunnen overleggen. Dit heeft eiseres niet gedaan en mag haar worden tegengeworpen. Verder betreft het thans enkel een kopie van een geboorteakte en een vertaling van een overlijdensakte van haar ex-man, die volgens eiseres plotseling zou zijn overleden. De minister heeft verder terecht opgemerkt dat in de vertaling is aangegeven dat de man gehuwd was, hetgeen niet overeenkomt met de stelling van eiseres dat het haar ex-man betreft. De enkele stelling van eiseres dat de man nadien met een ander is getrouwd, zodat er om die reden gehuwd staat vermeld, is op geen enkele wijze onderbouwd en niet aannemelijk geworden. Aan deze stukken kan derhalve gelet op het voorgaande niet de door eiseres verlangde doorslaggevende bewijswaarde worden gehecht. 9. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister ook deugdelijk heeft gemotiveerd dat asielmotief 2 ongeloofwaardig is. De minister heeft in dat verband eiseres mogen tegenwerpen dat zij geen documenten, zoals de geboorteaktes van haar kinderen, heeft overgelegd en daartoe ook geen aantoonbare pogingen heeft ondernomen. De door eiseres gestelde bewijsnood is op geen enkele wijze aannemelijk geworden. Bovendien staat vast dat eiseres geen aantoonbare pogingen heeft gedaan om aan de documenten zoals die onder rechtsoverweging 4.2. zijn aangegeven, te komen. De minister heeft zich voorts terecht op het standpunt gesteld dat de verklaringen van eiseres over de tijdlijn van de detentie door het toedoen van de oom tegenstrijdig zijn met de verklaringen van eiseres in Griekenland, zoals deze blijken uit het Grieks dossier. De minister heeft verder deugdelijk gemotiveerd dat eiseres haar verklaringen ook in dit verband geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Ook de rechtbank stelt vast dat eiseres tegenstrijdig heeft verklaard over de totstandkoming van haar zwangerschap van haar buitenechtelijke kind. Verder is de rechtbank van oordeel dat de minister het ongerijmd heeft mogen vinden dat eiseres gezien de eerdere mishandelingen en bedreigingen door haar oom en de vrees die eiseres stelt te hebben voor de eerwraak waarmee haar oom dreigt, via haar tante opnieuw toenadering tot haar ook oom heeft gezocht. Bovendien heeft zij zelf verklaard dat hij wist dat zij in Aden woonde en dat hij haar daar heeft gezocht. De minister heeft gelet op het voorgaande ook ongerijmd mogen vinden dat eiseres lange tijd probleemloos zou hebben kunnen leven in Jemen. Ten aanzien van de gestelde vrees van eiseres 10. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister op goede gronden en deugdelijk gemotiveerd eiseres niet als vluchteling heeft aangemerkt en geen gegronde vrees aanwezig acht voor ernstige schade bij terugkeer naar Jemen. De rechtbank verwijst hiervoor naar het onder rechtsoverweging 4.3 weergegeven standpunt van de minister. Eiseres haar stelling dat zij geen mannelijk netwerk heeft is onvoldoende aannemelijk gemaakt, nu onduidelijk is gebleven of ze werkelijk van haar man is gescheiden en of de laatste is overleden. Bovendien staat wel vast dat eiseres kan terugvallen op haar tante en een vriendin in Jemen. De minister heeft ook de humanitaire omstandigheden in Jemen voldoende en op deugdelijke wijze betrokken en zich op het standpunt kunnen stellen dat hoewel in delen van Jemen, zoals Sanaa, er sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld, eiseres niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij specifiek risico. De enkele verwijzing van eiseres naar het landgebonden beleid Jemen (WBV 2025/20) doet aan het voorgaande niet af. De beroepsgronden van eiseres falen. 11. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister terecht de asielaanvraag heeft afgewezen als kennelijk ongegrond, omdat vaststaat dat eiseres frauduleuze documenten heeft overgelegd ter onderbouwing van haar identiteit. Conclusie en gevolgen 8. De minister heeft de asielaanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het bestreden besluit in stand blijft. 8.1. Vanwege de toepassing van artikel 6:22 van de Awb (zie rechtsoverweging 6.2) heeft eiseres recht op vergoeding van de proceskosten. De rechtbank stelt deze kosten op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vast op in totaal € 1868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - veroordeelt de minister in de proceskosten van eiseres tot een bedrag van € 1868,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. P.C.J. Lindeijer, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Vreemdelingenwet 2000 Richtlijn 2013/32/EU. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad State. ECLI:NL:RVS:2025:2865. Arrest van het Hof van 18 juni 2024 in zaak C-753/22, QY, ECLI:EU:C:2024:524 punt 78. Vreemdelingenbesluit 2000.