ECLI:NL:RBDHA:2026:19413
Rechtbank Den Haag · 2026-07-07 · Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing niet voldoet aan de regels van de wet. Verweerder heeft eisers individuele en persoonlijke omstandigheden onvoldoende kenbaar getoetst en onvoldoende gemotiveerd dat deze niet zonder meer tot een risico leiden in Turkije. Ook heeft verweerder eisers politieke overtuiging onvoldoende beoordeeld binnen het kader dat daarvoor geldt.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: NL25.4461 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser, V-nummer: [nummer] (gemachtigde: mr. E. Arslan), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. S. Beyik-Kocer). Samenvatting 1. De rechtbank heeft de zaak van [eiser] op zitting behandeld en een uitspraak geschreven. De rechtbank zal hieronder een samenvatting geven van de uitspraak. Die is bedoeld voor [eiser] . De rechtbank zal hem hierna eiser noemen. 1.1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens en heeft daarvoor argumenten gegeven. Deze argumenten noemt de rechtbank de beroepsgronden. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing niet voldoet aan de regels van de wet. Verweerder heeft eisers individuele en persoonlijke omstandigheden onvoldoende kenbaar getoetst en onvoldoende gemotiveerd dat deze niet zonder meer tot een risico leiden in Turkije. Ook heeft verweerder eisers politieke overtuiging onvoldoende beoordeeld binnen het kader dat daarvoor geldt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft op 14 juli 2023 een asielaanvraag ingediend. 2.1. Bij besluit van 14 januari 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder deze aanvraag afgewezen. 2.2. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 1 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Beoordeling door de rechtbank Wat heeft eiser aan zijn asielrelaas ten grondslag gelegd? 3. Eiser is geboren op [datum] 1995 en heeft de Turkse nationaliteit. Hij legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eisers vader is veroordeeld tot een gevangenisstraf vanwege betrokkenheid bij de Gülenbeweging. Eisers vader is voorwaardelijk vrijgelaten en is nu in Nederland. Vanaf 2022 kwam eiser in aanraking met de politie. Eiser is tientallen keren ondervraagd over de verblijfplaats van zijn vader. In juni 2023 dreigde de politie eiser op te pakken als eiser niet zou vertellen waar zijn vader was. Eiser heeft Turkije daarna verlaten. Een jaar later is de politie naar eisers ouderlijk huis gekomen om te vragen naar eisers vader en naar eiser. Wat staat er in het bestreden besluit? 4. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser als ongegrond afgewezen en aan hem een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Volgens verweerder bevat het asielrelaas van eiser de volgende relevante elementen: 1. Identiteit, nationaliteit en herkomst; 2. Problemen vanwege eisers vader en betrokkenheid bij de Gülenbeweging. 4.1. Verweerder acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig, maar de problemen vanwege eisers vader en betrokkenheid bij de Gülenbeweging niet. Eiser heeft zijn verklaringen niet onderbouwd met objectieve documenten die dit asielmotief volledig onderbouwen. Verweerder acht het relaas niet alsnog geloofwaardig. Verweerder stelt immers dat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Dit vindt verweerder op grond van het volgende. Eiser heeft geen documenten overgelegd die zijn persoonlijke problemen onderbouwen. Ook heeft hij wisselend verklaard over zijn asielmotief. Verweerder stelt verder dat eiser ondanks herhaaldelijk contact met de autoriteiten niet is opgepakt en na het laatste contact nog enkele weken in Turkije is verbleven en heeft gewerkt zonder problemen te ondervinden. Ten slotte heeft eiser onlogische verklaringen afgelegd die uitsluitend zijn gebaseerd op vermoedens. Hij is dan ook geen vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag en heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder wijst eisers asielaanvraag daarom af als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, in samenhang met artikel 30b, lid 1 onder c, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). 4.2. Verweerder heeft verder beoordeeld of eiser in aanmerking komt voor het verkrijgen van een afgeleide verblijfsvergunning. Eisers vader heeft voor eiser een aanvraag afgifte mvv ingediend. Eiser heeft de behandeling van die aanvraag niet afgewacht en is zelfstandig naar Nederland gekomen om asiel aan te vragen. Verweerder concludeert dat de feitelijke gezinsband niet aannemelijk is gemaakt. Eiser is immers geen jongvolwassene en heeft niet aangetoond dat sprake is van een meer dan gebruikelijke afhankelijkheid tussen hem en zijn vader. Eiser krijgt geen reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. Wat is de omvang van het geschil? 5. De rechtbank constateert dat eiser geen beroepsgronden heeft gericht tegen de afwijzing van de afgeleide reguliere vergunning. De rechtbank stelt verder vast dat eiser op de zitting enkele beroepsgronden, gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag, heeft ingetrokken. De grond gericht tegen de beleidswijziging ten aanzien van Gülenisten per 1 december 2023, de grond die ziet op het individualiseringsvereiste waarvan de toepassing volgens eiser in strijd is met het arrest Salah Sheekh en de grond die ziet op het rechtszekerheidsbeginsel, heeft eiser op zitting laten vallen. De rechtbank bespreekt hieronder de overige beroepsgronden. Heeft verweerder artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c van de Vw juist toegepast? 6. Eiser voert aan dat verweerder artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c van de Vw heeft toegepast op een wijze in strijd met het Unierecht. Uit de besluitvorming blijkt niet dat verweerder eisers verklaringen heeft beoordeeld binnen een integrale weging van alle relevante elementen, maar deze afzonderlijk heeft getoetst aan de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, aanhef onder c van de Vw. Daarbij heeft verweerder doorslaggevend gewicht toegekend aan door hem gestelde tekortkomingen, zoals het ontbreken van objectieve bewijsstukken en vermeende inconsistenties of onlogische elementen, waarna is geconcludeerd dat de verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen en het asielrelaas ongeloofwaardig is. Uit verweerders motivering blijkt echter niet dat verweerder na deze deelbeoordelingen nog een afzonderlijke en kenbare eindweging heeft verricht waarin het asielrelaas als geheel, bezien in samenhang met de geloofwaardig geachte elementen, de context van het relaas en de door eiser overgelegde landeninformatie, alsnog aanleiding gaf om het relaas geloofwaardig te achten dan wel om het voordeel van de twijfel te verlenen. 6.1. De rechtbank stelt zich met verweerder op het standpunt dat artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw juist is toegepast. Er is beoordeeld of eiser aan de vijf voorwaarden van dat artikel voldoet. Dat eisers verklaringen niet samenhangend en aannemelijk zijn bevonden komt niet omdat eiser zijn asielmotief niet volledig met objectief bewijsmateriaal heeft onderbouwd of onlogisch heeft verklaard, maar ook omdat eiser wisselend heeft verklaard over zijn betrokkenheid bij de Gülenbeweging. Ook over de dreiging vanuit de Turkse autoriteiten heeft eiser niet eenduidig verklaard. Dat eisers vingerafdruk te linken zou zijn aan de Gülenbeweging, heeft hij evenmin aannemelijk gemaakt. Verweerder heeft op de zitting nog de volgende, nieuwe, tegenstrijdigheid opgeworpen. Eiser heeft in zijn gehoor verklaard dat hij op 4 juli 2023 Turkije illegaal via Griekenland is uitgereisd. Op 28 april 2026 heeft eiser in zijn aanvullende gronden een analyse rapport overgelegd. Hieruit blijkt volgens verweerder dat eiser op 11 juli 2023 via de luchthaven in Izmir met een vlucht naar Skopje is gevlogen. Op de zitting heeft eiser dit niet weersproken. Eiser heeft Turkije dus, anders dan hij heeft verklaard, legaal verlaten. De rechtbank constateert met verweerder dat ook hier sprake is van een wisselende verklaring. Eiser heeft voor deze wisselende verklaring op zitting geen verschoonbare verklaring kunnen geven. Heeft verweerder zich op het standpunt kunnen stellen dat eiser bij terugkeer geen risico loopt? 7. Eiser voert aan dat verweerder landeninformatie miskent en het individualiseringsvereiste onjuist toepast. De door eiser aangehaalde landeninformatie is juist toegespitst op het profiel van (toegedichte) aanhangers van de Gülenbeweging en op de indicatoren die door de Turkse autoriteiten worden gehanteerd bij verdenking, opsporing en vervolging. Uit deze landeninformatie volgt dat vervolging niet uitsluitend plaatsvindt ten aanzien van hooggeplaatste Gülenisten, maar ook jegens personen die voldoen aan een breed en diffuus scala aan indicaties, waaronder familiebanden met personen die als Gülenist worden aangemerkt. Juist omdat Gülenisten als risicogroep worden aangemerkt, dient verweerder bij de individuele beoordeling expliciet te betrekken dat eiser tot een kwetsbare groep behoort en dat reeds beperkte individuele aanwijzingen in samenhang met deze groepspositie tot een verhoogd risico kunnen leiden. Eiser voldoet bovendien aan meerdere indicatoren die in de landeninformatie worden genoemd. Eiser is betrokken geweest bij Gülen-gerelateerde activiteiten en zijn vader is vervolgd en veroordeeld wegens toegedichte Gülen-betrokkenheid. Dat eiser niet direct is aangehouden of formeel is vervolgd, betekent niet dat geen sprake is van negatieve belangstelling. Verweerder motiveert niet waarom herhaald contact met de politie, in combinatie met het Gülen- profiel en de context van familiale vervolging, niet reeds als relevante indicatie van negatieve aandacht moet worden beschouwd. 7.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij terugkeer persoonlijk te vrezen heeft voor vervolging. Verweerder volgt dat eiser betrokken is geweest bij de Gülenbeweging, zijn vrees wordt echter niet gevolgd. Gelet op de landeninformatie zijn Gülenisten als risicoprofiel opgenomen in het landenbeleid. Bij de beoordeling van eisers asielaanvraag is dan ook rekening gehouden met de positie van Gülenisten in Turkije in het algemeen. Uit het algemeen ambtsbericht van augustus 2023 volgt dat de intensiteit van vervolging is afgenomen. Bovendien kan worden geconcludeerd dat de willekeur die voorheen prominent speelde bij de strafrechtelijke vervolging van Gülenisten niet in dezelfde mate aan de orde is. Er geldt een individualiseringsvereiste. Verweerder stelt dat eiser met het indienen van de door hem overgelegde informatie nog steeds niet aan dit vereiste heeft voldaan. Eiser heeft niet toegelicht in welk opzicht deze informatie van toepassing is op zijn persoonlijke situatie en op zijn persoonlijke vrees op vervolging. Eiser heeft vele malen contact gehad met de autoriteiten maar geen enkele keer heeft dit tot persoonlijke problemen geleid vanwege zijn betrokkenheid bij de Gülenbeweging. 7.2. De rechtbank betrekt bij haar beoordeling allereerst het volgende. De Afdeling Bestuursrechtbank van de Raad van State (de Afdeling) heeft in één van de uitspraken van 25 maart 2026 overwogen dat alhoewel het algemeen ambtsbericht van 2023 vermeldt dat het ‘met name’ gaat om familieleden van hooggeplaatste Gülenisten die vervolgd worden, niet is uitgesloten dat ook familieleden van andere Gülenisten een dergelijk risico lopen. De Afdeling wijst in dit verband op het rapport van de Finse Immigratiedienst ‘Individuals associated with the Gülen movement’ van juni 2024, waar eiser ook een beroep op heeft gedaan. Daarin staat dat de strafrechtelijke vervolging van familieleden nog steeds willekeurig is, al is die willekeur afgenomen sinds de jaren na de mislukte coupe, en dat de autoriteiten zich met name richten op de partners, kinderen en broers en zussen van Gülenisten. De Afdeling leidt uit de ambtsberichten van 2023 en 2025 af dat het moet gaan om prominente Gülenisten, maar dat het niet per se gaat om personen die aan de top van de Gülenbeweging staan. 7.3. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser betrokken is bij de Gülenbeweging. Daarnaast is eisers vader een veroordeeld Gülenist. De politie is herhaaldelijk bij eiser langsgekomen om te informeren naar de verblijfplaats van zijn vader. Eiser is actief is bij de Gülenbeweging in Nederland en heeft op zitting een begin van bewijs geleverd dat deze activiteiten gemonitord kunnen worden. De rechtbank volgt eisers standpunt dat verweerder in de besluitvorming niet kenbaar heeft getoetst hoe deze factoren in samenhang zijn beoordeeld. De rechtbank merkt daarbij op dat het individualiseringsvereiste zich niet enkel beperkt tot wat eiser persoonlijk heeft ondervonden, maar dat ook relevant kan zijn wat zijn familie heeft ondergaan. Bij een nieuw te nemen besluit dient verweerder de veroordeling van eisers vader in samenhang te beoordelen met de eisers eigen betrokkenheid bij de Gülenbeweging en dient hij gemotiveerd in te gaan op eisers betoog dat zijn activiteiten in Nederland gemonitord kunnen worden. Dit staat los van de omstandigheid dat eiser in het verleden niet heeft vastgezeten of is vervolgd. Heeft verweerder ten onrechte geen toepassing gegeven aan het gelijkheidsbeginsel? 8. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte voorbij gaat aan eisers beroep op het gelijkheidsbeginsel. Verweerder stelt ten onrechte dat niet wordt ingegaan op individuele andere zaken, omdat niet kan worden uitgegaan van één op één vertaalbare identieke omstandigheden en redenen om zijn aanvraag in te willigen. Verweerder overweegt voorts ten onrechte dat in een groot deel van de door eiser aangehaalde zaken bovendien is beslist vóór de beleidswijziging van 1 december 2023, zodat geen sprake zou zijn van een identieke situatie. Dit standpunt is volgens eiser onvoldoende gemotiveerd en miskent de strekking van het beroep op het gelijkheidsbeginsel. Eiser heeft immers niet volstaan met een verwijzing naar willekeurige zaken, maar heeft concrete inwilligende beschikkingen ingebracht waaruit volgt dat het ging om familieleden van (vermeende) Gülenisten met een vergelijkbaar asielrelaas, waarbij eveneens sprake was van problemen die voortvloeiden uit de vervolging van een gezinslid, zonder dat betrokkene zelf reeds formeel strafrechtelijk vervolgd hoefde te zijn. Eiser verwijst in dit verband naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam, van 2 april 2025. 8.1. Verweerder stelt zich op het standpunt dat een beroep op het gelijkheidsbeginsel niet slaagt. Er wordt niet ingegaan op individuele andere zaken zoals eiser aanvoert. Er kan namelijk niet worden uitgegaan van één op één vertaalbare identieke omstandigheden en redenen om in te willigen. In een groot deel van deze zaken is bovendien beslist vóór de beleidswijziging van 1 december 2023, waardoor geen sprake is van een identieke situatie. 8.2. De rechtbank volgt eisers standpunt dat verweerder onvoldoende is ingegaan op de v-nummers van de zaken waarin een gelijke situatie speelde. Verweerder gaat niet gemotiveerd in op wat eiser zegt over de gelijkenis tussen zijn zaak en de zaken van de anderen, namelijk dat in die andere zaken ook sprake was van problemen ondervonden door familieleden zonder dat betrokkenen zelf al officieel waren vervolgd door de Turkse autoriteiten. Verweerder legt niet uit wat de – tot een verschillende uitkomst nopende - verschillen zijn tussen deze andere zaken en de zaak van eiser. Verweerders stelling dat van gelijkenis geen sprake kan zijn door de wijziging in beleid, biedt daarvoor naar het oordeel van de rechtbank een onvoldoende weerlegging. Heeft verweerder nagelaten eisers politieke overtuiging te beoordelen conform IB 2024/10? 9. Eiser voert – kort gezegd – aan dat verweerder zijn politieke overtuiging ten onrechte niet heeft beoordeeld aan de hand van IB 2024/10 inzake politieke overtuiging. Hij heeft consistent en geloofwaardig verklaard over zijn politieke overtuiging en verweerder heeft deze verklaringen niet conform zijn eigen informatiebericht beoordeeld. 9.1. De rechtbank is van oordeel dat verweerder in de besluitvorming ten onrechte heeft nagelaten om, overeenkomstig IB 2024/10, te onderzoeken en te beoordelen of eiser bij terugkeer zijn overtuiging wenst te uiten en welke risico’s daaraan verbonden zijn. Uit de besluitvorming blijkt niet duidelijk of verweerder uitgaat van het bestaan van een politieke overtuiging bij eiser. In zoverre slaagt de grond al. Verweerder heeft op de zitting erkend dat deze beoordeling niet duidelijk uit de besluitvorming blijkt, maar dat de beoordeling impliciet wel is gemaakt. Verweerder heeft op de zitting toegelicht dat de activiteiten die eiser wil gaan doen geen activiteiten zijn waardoor hij als Gülenist gevaar loopt. Het helpen van familieleden van gedetineerde Gülenisten en het financieel bijstaan van studenten en leerlingen zijn volgens verweerder daden die je als goed mens doet, maar staan los van activiteiten uit politieke overtuiging. De rechtbank volgt verweerder niet in deze nadere toelichting. Juist het helpen van andere Gülenisten kan niet anders worden gezien dan een activiteit uit politieke overtuiging. De rechtbank vindt hiervoor steun in het algemeen ambtsbericht Turkije van februari 2025. ‘Niet alle opgepakte Gülenverdachten behoorden tot de politie, het leger en het ambtenarenapparaat. Zoals reeds aangegeven, was er sprake van een ‘restcategorie’. Tot deze categorie behoorden onder andere burgers die gevangengezette familieleden, vrienden en collega’s en/of hun familieleden hielpen. Deze hulp bestond bijvoorbeeld uit geld of voedsel. De Turkse autoriteiten verdachten personen die gevangengezette Gülenisten en/of hun families ondersteunden van het ‘herstructureren’ van de Gülenbeweging.’ 9.2. Hieruit blijkt naar het oordeel van de rechtbank genoegzaam dat de door eiser aangegeven politieke activiteiten wel degelijk een risico kunnen opleveren. Verweerders stelling dat eisers beoogde activiteiten geen hooggeplaatst werk inhouden, en dat eiser geen belangrijke functie bekleedt, gaat voorbij aan het algemeen ambtsbericht. Verweerder heeft dan ook onvoldoende en in strijd met IB 2024/10 gemotiveerd of eiser te vrezen heeft vanwege een politieke overtuiging. Conclusie en gevolgen 10. Concluderend oordeelt de rechtbank dat verweerder het bestreden besluit op onvoldoende zorgvuldige wijze heeft voorbereid en ondeugdelijk heeft gemotiveerd. Het bestreden besluit is daarmee in strijd met artikelen 3:2 en 3:46 van de Algemene wet bestuursrecht. Het beroep gericht tegen het bestreden besluit is gegrond en de rechtbank vernietigt het bestreden besluit. 11. Verweerder zal een nieuw besluit moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank stelt hiervoor een termijn van zes weken. 12. Omdat het beroep gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende rechtsbijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van een beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- bij een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit; - draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag met inachtneming van deze uitspraak; - veroordeelt verweerder tot betaling van de gemaakte proceskosten van eiser voor een bedrag van € 1.868,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. E.P.W. van de Ven, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M.T. Zoon, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Machtiging tot voorlopig verblijf. Het verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Artikel 4 van de Kwalificatierichtlijn (Richtlijn 2011/95/EU). ECLI:NL:RBAMS:2025:2160. Informatiebericht 2024/10 – Werkwijze politieke overtuiging. Algemeen ambtsbericht Turkije van februari 2025 pagina 49.