ECLI:NL:RBDHA:2026:19374
Rechtbank Den Haag · 2026-07-13 · Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Asiel - Nigeria - opvolgende asielaanvraag - de minister was niet gehouden in de zaak waarin eisers homoseksuele geaardheid ten grondslag ligt, een procedure-overstijgende integrale geloofwaardigheidsbeoordeling te maken als bedoeld in de uitspraak van de Afdeling van 28 september 2022 - gelet op de arresten in de zaken Ebilum en Quotal toetst de rechtbank het besluit vol - de minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser, ten opzichte van de voorgaande procedure, zijn seksuele geaardheid niet alsnog aannemelijk heeft gemaakt met zijn verklaringen - eiser heeft geen inzicht gegeven in zijn gedachtegang en identiteitsgroei - het rapport van LGBT Asylum Support maakt het niet anders - de minister hoefde eiser niet het voordeel van de twijfel te geven - de minister heeft eisers gestelde seksuele geaardheid terecht ongeloofwaardig geacht en daarnaast terecht een inreisverbod voor de duur van twee jaar aan eiser opgelegd - het beroep is ongegrond verklaard.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL26.3973 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam] , eiser, geboren op [geboortedatum] , van Nigeriaanse nationaliteit, V-nummer: [nummer] , (gemachtigde: mr. H.A. Jeuring), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. D.J. Halbesma). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de opvolgende asielaanvraag van eiser als bedoeld in artikel 28 van de Vw . Eiser is het hier niet mee eens en voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Mede aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven, omdat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom eiser in de opvolgende aanvraag niet heeft weten te overtuigen van identiteitsgroei over zijn homoseksualiteit. Eiser krijgt daarom geen gelijk en het beroep is ongegrond. Procesverloop 2. Eiser heeft op 8 oktober 2024 een opvolgende aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 15 januari 2026 deze aanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond. Het reeds opgelegde terugkeerbesluit geldt nog steeds. Tevens is aan eiser een inreisverbod opgelegd voor de duur van twee jaar. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. Hij heeft verder de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. Hierop wordt bij afzonderlijke uitspraak beslist. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 18 mei 2026, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening, op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Ook is er een tolk verschenen. Daarnaast is de heer [persoon] van LGBT Asylum Support verschenen. Het onderzoek is op zitting gesloten. Beoordeling door de rechtbank Eerdere asielaanvraag 3. Eiser heeft eerder op 8 juli 2018 een asielaanvraag ingediend. In deze procedure heeft hij als asielmotief aangevoerd dat hij in Nigeria problemen heeft ondervonden als gevolg van zijn homoseksuele geaardheid. Bij besluit van 15 juli 2020 heeft de minister deze aanvraag afgewezen als ongegrond en de gestelde homoseksualiteit van eiser ongeloofwaardig geacht. Bij uitspraak van de rechtbank Den Haag van 9 november 2020 is het daartegen door eiser ingestelde beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 5 augustus 2021 van de Afdeling is het hoger beroep tegen deze uitspraak gegrond verklaard. 3.1. Met het besluit van 2 december 2022 heeft de minister opnieuw op de asielaanvraag van eiser beslist en de aanvraag afgewezen als ongegrond. Op 12 december 2022 heeft de minister een aanvullend besluit genomen. Bij uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem, van 2 augustus 2024, is het daartegen door eiser ingestelde beroep ongegrond verklaard. Bij uitspraak van 18 september 2024 van de Afdeling is het hoger beroep tegen deze uitspraak ongegrond verklaard. Daarmee staat de afwijzing van eisers eerste asielaanvraag in rechte vast. Huidige asielaanvraag 4. Eiser heeft aan zijn opvolgende asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij een identiteitsgroei heeft doorgemaakt met betrekking tot zijn homoseksuele geaardheid. Eiser heeft zich aangesloten bij LGBT Asylum Support, zijn kennis is gegroeid en hij is beter in staat om uitleg te geven over zijn ontwikkeling. Ter onderbouwing hiervan heeft hij een rapport overgelegd van 1 oktober 2024 van de heer [persoon] , voorzitter van LGBT Asylum Support, een ingevulde vragenlijst over identiteitsgroei, verklaringen van medebewoners van het AZC [plaats 1] en foto’s van eiser bij LHBTI gerelateerde bijeenkomsten. Eiser vreest bij terugkeer problemen met de Nigeriaanse autoriteiten in verband met zijn seksuele geaardheid. Het bestreden besluit 5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: 1. Identiteit, nationaliteit en herkomst; 2. Homoseksuele geaardheid. 5.1. De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De verklaringen van eiser over zijn seksuele geaardheid en zijn identiteitsgroei, vindt de minister (nog altijd) niet geloofwaardig. De minister meent dat eiser geen gegronde vrees heeft voor vervolging in de zin van het Vluchtelingenverdrag en dat hij bij terugkeer naar Nigeria ook geen reëel risico loopt op ernstige schade. De minister verwijst naar het op 2 december 2022 opgelegde terugkeerbesluit dat nog steeds geldig is. Ook krijgt eiser een inreisverbod van twee jaar. 5.2. Eiser heeft de juistheid van het standpunt van de minister gemotiveerd betwist. Op wat hij in dit verband in de beroepsgronden heeft aangevoerd zal hieronder – voor zover van belang – worden ingegaan. Beoordelingskader 6. Eiser voert aan dat de minister bij de beoordeling van zijn opvolgende asielaanvraag ten onrechte geen procedure-overstijgende integrale geloofwaardigheidsbeoordeling heeft gemaakt. Ter onderbouwing van zijn standpunt verwijst eiser naar de uitspraak van de Afdeling van 28 september 2022 over de wijze waarop de minister asielaanvragen waaraan voortzetting van een eerder ongeloofwaardig geachte bekering en geloofsgroei ten grondslag is gelegd, onderzoekt en beoordeelt. Eiser vindt dat er overlappende toetsingscriteria zijn tussen geloofsgroei en identiteitsgroei. De minister had in dat kader eveneens moeten motiveren waarom de sterkere elementen in de huidige procedure de zwakkere elementen uit de vorige procedure niet kunnen compenseren. De minister heeft de nieuwe elementen enkel afzonderlijk beoordeeld in plaats van in combinatie met de voorgaande procedure. 6.1. De rechtbank stelt voorop dat het gaat om een opvolgende aanvraag en dat in rechte vaststaat dat de seksuele geaardheid van eiser en de daardoor ondervonden problemen in Nigeria niet geloofwaardig zijn bevonden. De uitkomst van de voorgaande procedure vormt dan ook het uitgangspunt bij de beoordeling van de opvolgende asielaanvraag. De rechtbank overweegt verder dat de Afdeling in de uitspraak van 28 september 2022 heeft geoordeeld dat de minister een procedure-overstijgende beoordeling dient te maken, conform Werkinstructie (WI) 2022/3 (bekering en afvalligheid). Dit betekent voor zaken over geloofsgroei dat de minister de als nieuw aangedragen elementen en bevindingen moet beoordelen in samenhang met wat de vreemdeling in de voorgaande procedure over de gestelde bekering heeft aangevoerd. 6.2. De rechtbank ziet geen aanleiding om het hiervoor weergegeven toetsingskader over geloofsgroei eveneens toe te passen in eisers zaak, waarin hij stelt dat sprake is van identiteitsgroei ten aanzien van zijn homoseksuele geaardheid. De rechtbank overweegt hiertoe dat de Afdeling in de uitspraak van 28 september 2022 heeft overwogen dat uit WI 2022/3 volgt dat de beoordeling in het geval van bekering en afvalligheid niet alleen binnen de kaders van één procedure, maar procedure-overstijgend moet plaatsvinden. De rechtbank stelt vast dat de minister bij de beoordeling van de opvolgende asielaanvraag WI 2019/17 heeft toegepast. De rechtbank ziet in WI 2019/17 en de hiervoor genoemde Afdelingsuitspraak geen aanknopingspunten om te oordelen dat de minister gehouden is in de onderhavige zaak waarin eisers homoseksuele geaardheid ten grondslag ligt, een dergelijke beoordeling te maken. 6.3. De rechtbank stelt verder vast dat de minister in het bestreden besluit de nieuwe elementen wel in samenhang met de eerdere procedure heeft beoordeeld. Hierbij heeft de minister beoordeeld hoe eisers verklaringen over zijn identiteitsgroei zich verhouden tot de verklaringen uit de voorgaande procedure. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn stelling dat de nieuwe elementen enkel afzonderlijk zijn beoordeeld en niet in samenhang met de voorgaande procedure. De rechtbank licht dit hieronder toe. De toets door de rechtbank 7. Uit de arresten van 4 juni 2026 in de zaken Ebilum en Quotal heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie overwogen dat de terughoudende toets, zoals de Nederlandse rechter die nu in asielzaken verricht, niet verenigbaar is met het Europees recht. In lijn met deze rechtspraak toetst de rechtbank het besluit daarom vol. Geloofwaardigheid seksuele geaardheid en identiteitsgroei 8. Eiser heeft aan de onderhavige aanvraag ten grondslag gelegd dat sprake is van identiteitsgroei. Ter onderbouwing daarvan heeft hij een rapport van LGBT Asylum Support ingebracht waarin eveneens een identiteitsgroei-vragenlijst, verschillende verklaringen van medebewoners van het AZC [plaats 1] en verschillende foto’s zijn bijgevoegd. Eiser wijst verder op de LHBTI-whatsappgroepen waaraan hij deelneemt. Voornoemde stukken zijn volgens eiser onvoldoende betrokken bij de beoordeling. Eiser voert verder aan dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat de verplaatsing van AZC [plaats 2] naar AZC [plaats 1] niet relevant is voor eisers identiteitsgroei. Ook is onvoldoende gemotiveerd waarom het incident met het ophangen van een regenboogvlag en het openlijk uitkomen voor zijn geaardheid niet bijdraagt aan de geloofwaardigheid. De minister heeft de verschillende thema’s uit WI 2019/17 dan ook ondeugdelijk gemotiveerd. Eiser heeft in beroep tot slot een brief van een medebewoner en een brief van LGBT Asylum Support overgelegd. 9. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser, ten opzichte van de voorgaande procedure, zijn seksuele geaardheid niet alsnog aannemelijk heeft gemaakt met zijn verklaringen. De rechtbank acht daarbij van belang dat eiser aan de opvolgende aanvraag ten grondslag heeft gelegd dat hij, ten opzichte van de vorige procedure, persoonlijk een identiteitsgroei heeft meegemaakt. Volgens eiser hebben de contacten met andere LHBTI’ers in het AZC en met LHBTI-organisaties en het bijwonen van bijeenkomsten geleid tot zijn identiteitsgroei. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser tijdens het gehoor opvolgende aanvraag niet aannemelijk heeft weten te maken dat de contacten met andere LHBTI’ers in het AZC [plaats 1] en met LHBTI-organisaties tot zijn identiteitsgroei hebben geleid. Daarbij heeft de minister terecht overwogen dat eiser heeft verklaard dat er voor hem geen groot verschil zit tussen het AZC in [plaats 2] en het AZC in [plaats 1] , enkel dat hij nu meer mensen kent en zich hierdoor veilig voelt om te praten over wie hij is. De minister heeft daarbij eisers verklaringen tijdens de eerste procedure betrokken, waarin eiser heeft aangegeven dat hij ook tijdens zijn verblijf in het AZC [plaats 2] heeft gesproken over zijn homoseksualiteit. De minister heeft verder terecht overwogen dat eiser, met zijn aanvullende verklaringen, geen inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang over zijn leven in Nederland. De verklaring van eiser dat hij aan zijn verblijf op een locatie met mensen van de LHBTI-gemeenschap een goed gevoel heeft overgehouden, is onvoldoende om uit te gaan van identiteitsgroei bij eiser. Ook de situatie waarin eiser een regenboogvlag heeft opgehangen, heeft de minister terecht onvoldoende gevonden, nu eiser hiermee geen inzicht heeft gegeven in zijn gedachtegang over zijn leven in Nederland. 10. De rechtbank volgt eiser verder niet in zijn standpunt dat de minister de door eiser overgelegde stukken onvoldoende bij de beoordeling heeft betrokken. De minister heeft immers overwogen dat het rapport van LGBT Asylum Support niet tot de conclusie leidt dat eisers homoseksuele geaardheid alsnog geloofwaardig moet worden bevonden. Voor wat betreft de identiteitsgroei-vragenlijst is overwogen dat dit geen ander perspectief op eisers seksuele gerichtheid levert en de vragenlijst grotendeels vragen bevat die ook in de vorige procedure aan eiser zijn gesteld. Het rapport biedt dan ook onvoldoende tegenwicht om eisers seksuele geaardheid alsnog geloofwaardig te achten. Dat de aan eiser gestelde vragen niet exact hetzelfde zouden zijn als tijdens de eerste procedure, leidt naar het oordeel van de rechtbank niet tot een ander oordeel. Door eiser is in dit kader evenmin nader onderbouwd welke vragen onvoldoende bij de beoordeling zouden zijn betrokken. De rechtbank stelt verder vast dat de minister in de besluitvorming heeft overwogen dat de brieven van medebewoners en de overgelegde foto’s niet tot een ander oordeel leiden. De minister neemt in dit kader aan dat eiser deelgenomen heeft aan verschillende activiteiten, maar heeft terecht overwogen dat het feit dat eiser nu meer evenementen bijwoont dan tijdens de vorige procedure, niet maakt dat eisers homoseksuele geaardheid geloofwaardig moet worden geacht. Eiser heeft immers niet inzichtelijk gemaakt waarom het voor hem belangrijk is om deel te nemen aan deze activiteiten. Voor wat betreft de brieven heeft de minister verder terecht overwogen dat hieraan niet de waarde wordt gehecht die eiser wenst nu het om subjectieve documenten gaat. Dit geldt eveneens voor de in beroep overgelegde verklaring van een medebewoner van het AZC van 20 januari 2026. Bovendien maken de verklaringen van eiser niet inzichtelijk hoe hij zijn (gestelde) identiteitsgroei van zijn seksuele geaardheid heeft meegemaakt sinds de vorige aanvraag. 11. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister niet gehouden was eiser opnieuw te bevragen over alle thema’s uit WI 2019/17, nu het in het onderhavige geval een opvolgende asielaanvraag betreft. De minister is naar het oordeel van de rechtbank daarom terecht ingegaan op de door eiser aangevoerde nieuwe omstandigheden en heeft deze voldoende in samenhang met de voorgaande procedure beoordeeld. De stelling van eiser dat de minister in het bestreden besluit onvoldoende heeft gereageerd op de in de zienswijze aangevoerde argumenten, volgt de rechtbank niet. 12. De rechtbank stelt daarnaast vast dat in het door eiser in beroep ingebrachte rapport van het LGBT Asylum Support van 14 mei 2026 onder meer is uiteengezet dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader. Daarnaast is erop gewezen dat WI 2019/17 geen toetsingskader bevat voor identiteitsgroei en dat de minister geen beleid heeft om de geloofwaardigheid van identiteitsgroei te beoordelen. De rechtbank stelt vast dat het referentiekader van eiser in de eerste procedure is uiteengezet en betrokken bij de beoordeling. Dit oordeel staat in rechte vast. De rechtbank ziet in de enkele stelling dat eiser het lastig vindt om over zijn gevoelens te praten en dat onvoldoende rekening is gehouden met eisers karakter, geen aanleiding om te oordelen dat onvoldoende rekening is gehouden met het referentiekader. De rechtbank is verder van oordeel dat het gegeven dat de minister geen beleid heeft ten aanzien van de beoordeling van identiteitsgroei, niet maakt dat de minister de door eiser gestelde identiteitsgroei niet heeft kunnen beoordelen. Uit de besluitvorming volgt immers dat eisers verklaringen ten aanzien van de identiteitsgroei kenbaar bij de beoordeling zijn betrokken. De rechtbank stelt verder vast dat in het rapport van LGBT Asylum Support analyses staan van specifieke (delen van) verklaringen van eiser over zijn gedachten en identiteitsgroei waarover hij tijdens het gehoor opvolgende aanvraag heeft verklaard. De analyse in het rapport biedt geen aanknopingspunten om te twijfelen aan het standpunt van de minister dat eisers verklaringen over de identiteitsgroei ten opzichte van de vorige procedure niet geloofwaardig zijn. Van een motiveringsgebrek op dat punt is dan ook geen sprake. De rechtbank volgt eiser – gelet op wat hiervoor is overwogen – niet in zijn standpunt dat de minister hem het voordeel van de twijfel had dienen te geven. 13. Gelet op al het voorgaande, in onderlinge samenhang bezien, heeft de minister eisers gestelde seksuele geaardheid terecht ongeloofwaardig geacht. Daarnaast heeft de minister terecht een inreisverbod voor de duur van twee jaar aan eiser opgelegd. De beroepsgronden slagen daarom niet. Conclusie en gevolgen 14. De minister heeft de opvolgende aanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is daarom ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. E.A. Ruiter, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Dit staat in het besluit van 2 december 2022. Zaaknummer NL26.3974. Zaaknummer NL20.14362 (niet gepubliceerd). Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2021:1766. ECLI:NL:RBDHA:2024:12355. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2024:3736. ECLI:NL:RVS:2022:2713. ECLI:EU:C:2026:448 en ECLI:EU:C:2026:447.