← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:19372

Rechtbank Den Haag · 2026-04-14 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL26.3925 en NL26.3926
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
11.728 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

HASA Algerije, seksuele gerichtheid, beroep ongegrond, vovo afgewezen.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Amsterdam Bestuursrecht Zaaknummers: NL26.3925 (beroep) NL26.3926 (voorlopige voorziening) V-nummer: [V-nummer] uitspraak van de enkelvoudige kamer en de voorzieningenrechter in de zaken tussen [eiser] , geboren op [geboortedag] 1975, van Algerijnse nationaliteit, eiser/verzoeker (hierna: eiser), (gemachtigde: mr. N. Birrou), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder, (gemachtigde: mr. S. Deniz). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank/voorzieningenrechter (hierna: rechtbank) het beroep van eiser tegen de kennelijke ongegrondverklaring van zijn aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd en zijn verzoek om een voorlopige voorziening. 1.1. Eiser heeft op 9 januari 2026 een asielaanvraag ingediend. Verweerder heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 22 januari 2026 kennelijk ongegrond verklaard. Bij het bestreden besluit heeft verweerder aan eiser een inreisverbod voor de duur van twee jaar uitgevaardigd. 1.2. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld en de voorzieningenrechter gevraagd een voorlopige voorziening te treffen. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 8 april 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, H. Bal-Ponne als tolk in de Arabisch-Algerijnse taal en de gemachtigde van verweerder deelgenomen. De gemachtigde van eiser heeft via een audioverbinding deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt de kennelijke ongegrondverklaring van de asielaanvraag van eiser. Zij doet dat aan de hand van de beroepsgronden van eiser. 3. Naar het oordeel van de rechtbank is het beroep ongegrond. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel is gekomen en welke gevolgen dit oordeel heeft. Achtergrond 4. Eiser heeft eerder op 3 november 2023 een asielaanvraag ingediend. Deze aanvraag is met het besluit van 10 januari 2024 afgewezen als ongegrond. Verweerder heeft toen ook een terugkeerbesluit uitgevaardigd. Eiser is vervolgens met onbekende bestemming vertrokken. Op 9 januari 2026 heeft eiser de huidige asielaanvraag ingediend. Asielrelaas 5. Eiser heeft het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Eiser heeft verklaard dat hij opnieuw een asielaanvraag heeft ingediend omdat hij op mannen valt en betrapt is met [persoon 1] . Hij wordt bedreigd door [persoon 2] , de broer van [persoon 1] . Daarom is eiser gaan onderduiken, uit zijn land vertrokken en hij vreest bij terugkeer vermoord te worden door [persoon 2] . In Europa wordt eiser ook bedreigd door [persoon 2] . Bestreden besluit 6. Volgens verweerder bestaat het asielrelaas van eiser uit de volgende asielmotieven: identiteit, nationaliteit en herkomst; problemen vanwege seksuele gerichtheid. 6.1. Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. De problemen van eiser vanwege zijn seksuele gerichtheid heeft verweerder niet geloofwaardig geacht. De verklaringen van eiser vormen namelijk geen samenhangend en aannemelijk geheel en eiser kan in grote lijnen niet als geloofwaardig worden beschouwd. Eiser heeft namelijk onder andere tegenstrijdig verklaard over de persoon met wie hij een relatie heeft gehad en de persoon voor wie hij vreest; hij heeft de namen van [persoon 1] en [persoon 2] door elkaar gehaald. Bovendien heeft hij tegenstrijdig verklaard over het moment van vertrek uit Algerije. Ook heeft eiser nooit eerder gesteld homoseksueel te zijn en heeft hij tot het laatste moment gewacht met het aanvoeren van dit asielmotief. Geloofwaardigheidsbeoordeling 7. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiser nog aan de gronden toegevoegd dat het door verweerder toegepaste toetsingskader bij de geloofwaardigheidsbeoordeling uit Werkinstructie 2024/6 in strijd is met het Unierecht. De gemachtigde van eiser verwijst hierbij naar de prejudiciële vragen van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 17 januari 2025. 7.1. Verweerder heeft zich op de zitting op het standpunt gesteld dat het op zitting naar voren brengen van een nieuwe beroepsgrond in strijd is met de goede procesorde. Wat hier ook van zij, de rechtbank is van oordeel dat eiser geen individuele omstandigheden aangevoerd waarom de toepassing van de werkinstructie in deze zaak in strijd is met het Unierecht. De beroepsgrond slaagt niet. Geloofwaardigheid van het asielrelaas 8. Eiser stelt dat de conclusie van verweerder over de geloofwaardigheid van het asielrelaas gebaseerd is op verwarring die tijdens het nader gehoor ontstond tussen de personen [persoon 1] en [persoon 2] . Verweerder heeft deze verwarring ten onrechte gekwalificeerd als tegenstrijdige verklaringen. Eiser voert aan dat [persoon 1] de persoon is met wie hij een affectieve en intieme relatie heeft gehad, terwijl [persoon 2] de broer van [persoon 1] is en de persoon is voor wie eiser vreest. Doordat de namen tijdens het gehoor in hoog tempo door elkaar zijn gebruikt heeft dit bij hem tot verwarring geleid, wat voortkomt uit zijn beperkte taalvaardigheid en stress. Verder stelt eiser dat verweerder ten onrechte verstrekkende gevolgen verbindt aan vermeende tegenstrijdigheden in jaartallen omtrent zijn vertrek uit Algerije. Daarbij wordt zwaar geleund op verklaringen uit een eerdere procedure waarin eiser zou hebben gezegd dat hij in 2015 uit Algerije is vertrokken. Eiser heeft gemotiveerd uiteengezet dat deze verklaring onjuist is geweest. In 2020 vond namelijk de confrontatie plaats die heeft geleid tot bedreigingen in verband met zijn seksuele gerichtheid, waarna eiser uiteindelijk in september 2021 Algerije definitief heeft verlaten. Tot slot heeft verweerder nagelaten om het referentiekader van eiser te betrekken bij de geloofwaardigheidsbeoordeling. Eiser heeft namelijk moeite te verklaren over zijn homoseksualiteit, wat komt door zijn culturele achtergrond. 8.1. De rechtbank is van oordeel dat verweerder de seksuele gerichtheid van eiser niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Uit het nader gehoor valt af te leiden dat eiser de namen van [persoon 1] en [persoon 2] door elkaar haalde nog voordat de gehoormedewerker vragen over hen had gesteld. Dat door elkaar halen kan dus niet worden verklaard door de wijze van vraagstelling. Omdat eiser bovendien stelt met [persoon 1] een langdurige affectieve liefdesrelatie te hebben gehad en vreest voor [persoon 2] mag van hem verwacht worden dat hij eenduidig over hen kan verklaren en de namen niet door elkaar haalt. Dat de verwarring is ontstaan door de gehoormedewerker volgt de rechtbank daarom niet. Uit het nader gehoor blijkt tevens niet dat eiser door zijn culturele achtergrond lastig kan verklaren over zijn seksualiteit. Eiser heeft tijdens het nader gehoor aangegeven dat hij zich op zijn gemak voelde, dat hij goed antwoord kon geven op de vragen van de gehoormedewerker en dat hij de tolk goed kon verstaan. Op de zitting heeft eiser benadrukt dat hij door de gehoormedewerker op zijn gemak is gesteld en dat hij goed heeft kunnen verklaren over zijn gevoelens. Het feit dat eiser op de zitting heeft aangegeven dat hij zich in Algerije niet op zijn gemak voelde om zijn gevoelens naar voren te brengen doet hier niet aan af. Eiser was ten tijde van het gehoor immers al lange tijd in Nederland. 8.2. Verder oordeelt de rechtbank dat verweerder terecht aan eiser heeft tegengeworpen dat hij wisselend heeft verklaard over zijn vertrek uit Algerije. In de gehoren van de procedure van zijn eerste asielaanvraag heeft eiser verklaard dat hij in 2015 uit Algerije is vertrokken. De verklaringen van eiser in de huidige procedure dat hij door het voorval in 2020 uiteindelijk in september 2021 Algerije heeft verlaten zijn onverenigbaar met de eerdere verklaring dat hij in 2015 al is vertrokken. Eiser heeft naar het oordeel van de rechtbank niet aannemelijk gemaakt dat zijn verklaringen in de vorige procedure onjuist waren en dat zijn verklaringen in de huidige procedure de juiste gang van zaken beschrijven. 8.3 Alleen al gelet op het bovenstaande heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat deze omstandigheden bijdragen aan de ongeloofwaardigheid van het asielrelaas van eiser. De beroepsgrond slaagt niet. Reëel risico op ernstige schade 9. Eiser voert aan dat verweerder ten onrechte heeft geconcludeerd dat eiser bij terugkeer naar Algerije geen reëel risico loopt op behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM omdat de seksuele gerichtheid van eiser ongeloofwaardig is geacht. Daarmee gaat verweerder voorbij aan het autonome karakter van artikel 3 van het EVRM. Ook wanneer verweerder twijfels heeft bij het beoordelen van het asielrelaas, moet zelfstandig, actueel en ex nunc beoordeeld worden of eiser bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt. Dit geldt temeer omdat eiser heeft verklaard te vrezen voor eer-gerelateerd geweld door een religieus-extremistisch familielid en omdat hij tot de LHBTI-gemeenschap hoort. 9.1. De rechtbank is van oordeel dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet is gebleken dat eiser bij terugkeer naar Algerije een reëel risico op ernstige schade loopt in de zin van artikel 3 van het EVRM, nu verweerder de gestelde problemen van eiser als gevolg van zijn seksuele gerichtheid niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. Het enkele feit dat eiser afkomstig is uit Algerije is geen grond om te oordelen dat eiser bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade loopt. Eiser heeft ook geen individuele omstandigheden aangevoerd, anders dan zijn niet geloofwaardig bevonden seksuele gerichtheid, waardoor verweerder hier anders over had moeten besluiten. De beroepsgrond slaagt niet. Terugkeerbesluit en inreisverbod 10. Het terugkeerbesluit en inreisverbod zijn volgens eiser disproportioneel en onvoldoende individueel gemotiveerd. 10.1. De rechtbank is van oordeel dat verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd waarom het eerder opgelegde terugkeerbesluit in stand blijft en het inreisverbod is uitgevaardigd. Eiser heeft zowel in de zienswijze als in de gronden van beroep geen individuele omstandigheden aangevoerd waardoor verweerder anders had moeten besluiten. De beroepsgrond slaagt niet. Conclusie en gevolgen 11. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. 12. Nu op het beroep is beslist bestaat geen aanleiding tot het treffen van een voorlopige voorziening. Het verzoek hiertoe wordt daarom afgewezen. 13. De rechtbank ziet geen aanleiding om de proceskosten te vergoeden. Beslissing De rechtbank, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.3925: - verklaart het beroep ongegrond. De voorzieningenrechter, in de zaak geregistreerd onder zaaknummer NL26.3926: - wijst het verzoek af. Deze uitspraak is gedaan door mr. H.J. Schaberg, (voorzieningen)rechter, in aanwezigheid van mr. B. Kingma, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Tegen de uitspraak op het verzoek om een voorlopige voorziening staat geen rechtsmiddel open. ECLI:NL:RBDHA:2025:139. Verdrag inzake de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden.