← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:19358

Rechtbank Den Haag · 2026-07-10 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL25.44059
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
10.268 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Asielaanvraag – Jezidi uit de KAR – discriminatie – traumatabeleid – beroep ongegrond

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL25.44059 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. J.J. Bronsveld), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. J.M. Sanchez Rhemrev). Procesverloop Bij besluit van 5 september 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft het beroep op 3 juni 2026 op zitting behandeld in Breda. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, tolk [tolk] , de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank 1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1991 en heeft de Iraakse nationaliteit. Hij heeft op 15 december 2023 een asielaanvraag ingediend in Nederland. 2. Aan de asielaanvraag heeft eiser het volgende ten grondslag gelegd. Eiser is Jezidi. Zijn vader, broer en oom zijn in 2007 overleden toen een vrachtwagen vol explosieven ontplofte. In 2014 is het dorp van eiser aangevallen door IS. Eiser kon aan IS ontsnappen door te vluchten naar de bergen in Sinjar. Eiser heeft daar gedurende drie dagen verbleven in zeer slechte omstandigheden. Eiser is daarna naar het vluchtelingenkamp Shariya in de KAR gegaan. De omstandigheden in dit kamp zijn erbarmelijk. Eiser heeft hier gewoond tot zijn vertrek uit Irak in 2023. 3. Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser en de discriminatie vanwege zijn Jezidi-achtergrond geloofwaardig geacht. Dit maakt volgens verweerder echter niet dat eiser een gegronde vrees voor vervolging heeft of een reëel risico op ernstige schade loopt bij terugkeer. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw, omdat eiser zijn Iraakse paspoort, Griekse paspoort en Griekse verblijfsvergunning opzettelijk heeft weggegooid. 4. Eiser voert het volgende aan. De stelling dat eiser zijn identiteitsbewijs en zijn Griekse documenten heeft weggemaakt, leidt niet automatisch tot de conclusie zoals in het bestreden besluit gesteld. Omdat verweerder de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig heeft geacht, heeft verweerder niet in het kader van de kennelijke ongegrondheid kunnen tegenwerpen dat eiser documenten heeft weggemaakt. Daarnaast heeft verweerder ten onrechte overwogen dat niet aannemelijk is dat eiser bij terugkeer dusdanig gediscrimineerd wordt dat het voor hem onmogelijk is om op maatschappelijk en sociaal gebied te functioneren. Ter onderbouwing wijst eiser op informatie van EUAA en Vluchtelingenwerk Nederland, waaruit blijkt dat ten aanzien van Jezidi in Irak wel degelijk sprake is van stelselmatige maatschappelijke deprivatie. Jezidi kunnen op geen enkel vlak op een normale manier aan het maatschappelijk leven deelnemen. Hieraan doet de theoretische mogelijkheid voor het volgen van onderwijs of toegang tot gezondheidszorg niet af. Verder vreest eiser bij terugkeer voor een schending van artikel 3 van het EVRM. Eiser doet hierbij een beroep op een drietal uitspraken van deze rechtbank. Tot slot doet eiser een beroep op het traumatabeleid. Het kan niet van eiser worden verlangd kan dat hij terugkeert naar Irak, gelet op de traumatische gebeurtenissen die hij aldaar heeft meegemaakt. In dit kader heeft eiser een brief van UNHCR van 12 maart 2026 overgelegd. De rechtbank oordeelt als volgt. Discriminatie bij terugkeer 5. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat de door eiser ondervonden discriminatie niet zodanig ernstig is dat hij bij terugkeer een gegronde vrees heeft voor vervolging. Uit de verklaringen van eiser volgt dat hij in het kamp toegang had tot onderwijs, huisvesting en medische zorg. Ook kon hij in zijn levensonderhoud voorzien met zijn werk als dagloner en is hij door de Iraakse overheid in het bezit gesteld van identificerende documenten. Verweerder heeft dan ook terecht overwogen dat niet is gebleken dat eiser door de discriminatie zo ernstig beperkt werd in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kon functioneren. Eiser heeft niet onderbouwd waarom hij meent bij terugkeer wel te maken te krijgen met dusdanig ernstige discriminatie. De stukken waar eiser een beroep op doet - een rapportage van EUAA van 18 november 2024 en een brief van Vluchtelingenwerk Nederland van 22 augustus 2025 - zijn daartoe onvoldoende, omdat deze stukken niet zien op de situatie van eiser en hieruit ook niet blijkt dat iedere Jezidi in de KAR wegens discriminatie een gegronde vrees heeft voor vervolging. Situatie bij terugkeer in het vluchtelingenkamp 6. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen niet in geschil is dat het vluchtelingenkamp Shariya in de KAR de normale woon- of verblijfplaats is van eiser. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser dit desgevraagd bevestigd. Verder is gesteld noch gebleken dat de humanitaire situatie in dit kamp het gevolg is van acties van strijdende partijen in een conflict. 7. Uit het arrest Sufi en Elmi van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens volgt dat als erbarmelijke humanitaire omstandigheden uitsluitend of zelfs hoofdzakelijk te wijten zijn aan armoede of natuurlijke verschijnselen, slechts sprake kan zijn van een schending van artikel 3 van het EVRM in very exceptional cases where the humanitarian grounds against removal are compelling . 8. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat in het vluchtelingenkamp in de KAR uitzonderlijke omstandigheden zoals bedoeld in het arrest Sufi en Elmi bestaan. De verklaringen van eiser over de leefomstandigheden in het kamp zijn onvoldoende om deze hoge lat te halen. De door eiser overgelegde rapportage van EUAA en de brief van Vluchtelingenwerk Nederland zijn eveneens onvoldoende. Deze zien namelijk niet op de situatie in het kamp in de KAR. In november 2025 is voorts een thematisch ambtsbericht Irak van de minister van Buitenlandse Zaken is verschenen, waar verweerder ter zitting naar heeft verwezen. Ook uit dit ambtsbericht blijkt niet dat de hoge lat van artikel 3 van het EVRM wordt gehaald, nu er basisvoorzieningen aanwezig zijn in de vluchtelingenkampen en de bewoners bewegingsvrijheid hebben. De in beroep overgelegde brief van UNHCR van 12 maart 2024 vormt ook geen aanleiding voor een ander oordeel. De rechtbank betrekt hierbij dat de punten 29 en 30, waar eiser specifiek op heeft gewezen, zien op de trauma’s de Jezidi in Sinjar hebben opgelopen en niet op de situatie in de KAR, waar eiser naar dient terug te keren. Beroep op het traumatabeleid 9. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser geen geslaagd beroep kan doen op het beleid dat neergelegd is in paragraaf C2/3.3.2.2. van de Vc, omdat niet is gebleken van een causaal verband tussen de traumatische gebeurtenis en het vertrek van eiser uit Irak. De gebeurtenissen waar eiser naar heeft verwezen hebben immers plaatsgevonden in 2007 en 2014, terwijl eiser pas in 2023 is vertrokken uit Irak. Reeds daarom wordt niet voldaan aan de voorwaarden uit het beleid van verweerder. 10. Ten aanzien van het standpunt van verweerder dat eiser ook niet heeft aangetoond dat hij psychologische problematiek heeft vanwege de gebeurtenissen waar eiser naar verwijst, merkt de rechtbank op dat uit punt 29 van het door eiser overgelegde UNHCR-rapport volgt dat veel Jezidi’s in Irak psychologische trauma’s hebben. Ook heeft eiser ter zitting gewezen op het algemene trauma van Jezidi’s vanwege wat zij in 2014 hebben meegemaakt. De rechtbank laat in het midden of dit voldoende is om te spreken van psychologische problematiek in de zin van paragraaf C2/3.3.2.2. van de Vc, nu het beroep op dit beleid reeds niet slaagt wegens het ontbreken van een causaal verband met eisers vertrek uit Irak. Afwijzing als kennelijk ongegrond 11. Eiser wordt niet gevolgd in zijn betoog dat verweerder de aanvraag niet als kennelijk ongegrond heeft kunnen afwijzen. Verweerder heeft terecht overwogen dat eiser opzettelijk meerdere identiteitsdocumenten heeft weggegooid. Eiser heeft immers verklaard dat hij zijn Iraakse paspoort heeft weggegooid tijdens zijn reis naar Griekenland en zijn Griekse paspoort en verblijfsvergunning heeft verscheurd en weggegooid na aankomst in Nederland uit angst om teruggestuurd te worden naar Griekenland. Deze documenten hadden kunnen helpen om eisers identiteit en nationaliteit nader te onderbouwen. Verweerder heeft de aanvraag gelet hierop kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d, van de Vw. Dat verweerder de identiteit van eiser wel geloofwaardig heeft geacht op basis van andere documenten die eiser heeft overgelegd, maakt dit niet anders. Conclusie 12. Het beroep is ongegrond. 13. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 10 juli 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Deze uitspraak is bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Koerdische Autonome Regio. Vreemdelingenwet 2000, zoals deze gold tot 12 juni 2026. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden. Uitspraken van zittingsplaats Rotterdam (zaaknummer NL25.17221) en zittingsplaats Groningen (zaaknummers NL25.63330, NL25.41930 en NL25.41931). Arrest van 28 juni 2011, zaaknummers 8319/07 en 11449/07. Vreemdelingencirculaire 2000, zoals deze gold tot 12 juni 2026.