← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:19354

Rechtbank Den Haag · 2026-07-10 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL25.33715
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
9.881 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Asiel. Nigeria. Referentiekader. Geloofwaardigheid van de gestelde homoseksualiteit. Beroep ongegrond.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL25.33715 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. J. van Veelen-de Hoop), en de minister van Asiel en Migratie , voorheen de staatssecretaris van Justitie en Veiligheid, verweerder (gemachtigde: mr. J.M. Sanchez Rhemrev). Procesverloop In het besluit van 26 juni 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft het beroep op 1 juli 2026 op een zitting behandeld in Breda. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Beoordeling door de rechtbank 1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1992 en heeft de Nigeriaanse nationaliteit. Hij heeft op 18 mei 2022 asiel aangevraagd in Nederland. 2. Op 25 en 26 juni 2024 is eiser door verweerder gehoord over zijn asielmotieven. Vervolgens heeft hij diverse documenten en een filmpje overgelegd. Op 16 oktober 2024 is eiser aanvullend gehoord. Eiser heeft verklaard dat hij homoseksueel is en dat hij daardoor in Nigeria problemen heeft gekregen. Ook heeft eiser verklaard dat hij door de oom van een vriend is beschuldigd van betrokkenheid bij de dood van de oma van deze vriend. Verder heeft eiser verklaard dat hij werd gediscrimineerd vanwege zijn Igbo-etniciteit en zijn betrokkenheid bij de politieke oppositiepartij IPOB. Deze beweging streeft naar herstel van de voorheen onafhankelijke republiek Biafra. 3. In het bestreden besluit heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 zoals die luidde tot 12 juni 2026. Verweerder heeft de door eiser gestelde identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig geacht, met uitzondering van eisers naam. Eiser heeft namelijk geen plausibele verklaring kunnen geven voor het feit dat op zijn paspoort de voornaam ‘ [voornaam] ’ staat. Ook heeft verweerder geloofwaardig geacht dat eiser betrokken is geweest bij de IPOB. Verweerder heeft echter niet geloofwaardig geacht dat eiser homoseksueel is, dat hij daardoor problemen heeft gekregen, dat hij is beschuldigd door de oom van een vriend en dat hij werd gediscrimineerd vanwege zijn etniciteit. Eiser is daardoor geen vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag 1951, en loopt bij terugkeer naar Nigeria geen reëel risico op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). 4. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit. Hij voert aan dat de gehoren niet conform zijn ontwikkelingsniveau hebben plaatsgevonden. Daarbij wijst hij erop dat hij volgens het door hem overgelegde psychologisch rapport van 11 juli 2024 een IQ heeft lager dan 70, wat betekent dat hij functioneert op het begripsniveau van een achtjarige. In het bestreden besluit is daarom ten onrechte van hem verwacht dat hij meer en beter had kunnen verklaren dan hij heeft gedaan. Verweerder heeft ten onrechte geen nader medisch onderzoek verricht. Ook heeft verweerder te weinig rekening gehouden met zijn culturele achtergrond. Daarnaast voert eiser aan dat hij zijn identiteit voldoende heeft onderbouwd en dat verweerder zijn homoseksualiteit ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. De rechtbank oordeelt als volgt. 5. Anders dan eiser aanvoert, was voorafgaand aan de gehoren bij verweerder bekend dat eiser laagbegaafd is. Dit blijkt namelijk uit het advies aan verweerder over horen en beslissen van MediFirst van 2 maart 2024. Ter zitting heeft verweerder toegelicht dat de hoormedewerkers die eiser hebben gehoord getraind zijn in het horen van kwetsbare asielzoekers en deel uitmaken van de zogenoemde LHBTI-kopgroep, die gespecialiseerd is in het horen van asielzoekers die zich beroepen op hun LHBTI-gerichtheid. Uit de rapporten van de gehoren kan niet worden opgemaakt dat er geen goede communicatie met eiser mogelijk was, dat eiser de gestelde vragen niet begreep, of dat hij niet in staat was om goed op de vragen te antwoorden. Verweerder heeft dan ook terecht geen aanleiding gezien om nader medisch onderzoek te laten doen door MediFirst. 6. Ook bij het beslissen heeft verweerder kenbaar rekening gehouden met eisers laagbegaafdheid. In het bestreden besluit en het daaraan voorafgegane voornemen is dit namelijk expliciet onderkend. Daarnaast volgt uit wat aan eiser is tegengeworpen dat daarbij rekening is gehouden met zijn beperkingen. Zo is niet aan eiser tegengeworpen dat hij de begrippen biseksualiteit en homoseksualiteit door elkaar haalt. 7. Uit verweerders werkinstructie 2024/6 over de geloofwaardigheidsbeoordeling in asielzaken volgt dat verweerder het referentiekader in kaart moet brengen. Daarmee wordt het geheel van persoonlijke factoren bedoeld dat van invloed is op de wijze waarop een individuele asielzoeker in staat is om te verklaren over zijn asielrelaas. Uit het voornemen en het bestreden besluit volgt dat verweerder rekening heeft gehouden met eisers laagbegaafdheid, zijn leeftijd, zijn mate van zelfredzaamheid en zijn afkomst uit Nigeria, waar het veel minder gebruikelijk is dan in Nederland om te spreken over gevoelens en over LHBTI-gerichtheid. Eiser kan dan ook niet worden gevolgd in zijn stelling dat verweerder zijn referentiekader onvoldoende in kaart heeft gebracht. Eiser heeft gewezen op kritiek in de rechtspraak op de werkinstructie 2024/6. Deze rechtbank en zittingsplaats acht deze werkinstructie echter niet onrechtmatig. Hierbij wordt verwezen naar de uitspraak van de meervoudige kamer van 15 november 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:18978, en latere uitspraken. 8. Dit brengt mee dat eiser niet gevolgd kan worden in zijn stelling dat verweerder ten onrechte van hem heeft verwacht dat hij meer en betere verklaringen aflegt over zijn naam. Hoewel verweerder tijdens de zitting heeft onderkend dat dit voor de verdere beoordeling geen gevolgen heeft, heeft hij eisers naam terecht ongeloofwaardig geacht. 9. Naast de hiervoor genoemde aspecten van eisers referentiekader, heeft verweerder ook terecht vastgesteld dat eiser volgens zijn eigen verklaringen al in Nigeria op zoek ging naar mannelijk gezelschap, dat hij al vijftien jaar weet dat hij homoseksueel is en dat hij vóór zijn komst naar Nederland in verschillende Europese landen heeft gewoond, waar het mogelijk is om open te zijn over homoseksualiteit. Verweerder heeft daar terecht de verwachting aan verbonden dat eiser ondanks zijn begripsniveau in staat moet zijn om inzicht te geven in zijn asielrelaas. Eiser kan dan ook niet worden gevolgd in zijn stelling dat de tegenwerpingen die in dit kader door verweerder in stelling zijn gebracht geen stand houden vanwege zijn referentiekader. Ook kan eiser niet worden gevolgd in zijn stelling dat hij zijn asielrelaas heeft onderbouwd met het overleggen van een filmpje. Uit de verklaring van onderzoek van het Bureau Documenten van verweerder van 7 november 2024 volgt dat het filmpje onvoldoende gedetailleerde gezichtselementen bevat om te kunnen vaststellen dat eiser op dit filmpje zichtbaar is. De rechtbank komt aan de hand van de schermafbeeldingen van dit filmpje die zich in het dossier bevinden tot dezelfde conclusie. Dat volgens eiser op het filmpje de [naam] genoemd wordt, is onvoldoende. 10. Uit het voorgaande volgt dat de door eiser aangehaalde uitspraken hem niet kunnen baten. In die zaken was namelijk, anders dan in deze zaak, wel sprake van een onzorgvuldige beoordeling op het punt van de medische omstandigheden, het referentiekader of de geloofwaardigheidsbeoordeling. 11. De conclusie is dat het beroep ongegrond moet worden verklaard. Dit betekent dat eiser geen gelijk krijgt en dat het bestreden besluit in stand blijft. 12. Om die reden bestaat er geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 10 juli 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S. Hamans, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. Deze uitspraak is bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Eiser heeft verwezen naar de uitspraken van de: -Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 26 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1622 -Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, 27 september 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:14537 -Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Roermond, 6 november 2023, ECLI:NL:RBDHA:2023:16632 -Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Rotterdam, 27 september 2024, ECLI:NL:RBDHA:2024:16018 -Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem, 3 maart 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:3958 -Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Utrecht, 10 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:10057 -Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Middelburg, 21 november 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:22083 -Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 25 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1012 -Rechtbank Den Haag, zittingsplaats Amsterdam, 25 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:6560 -Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State, 15 april 2026, ECLI:NL:RVS:2026:1998