ECLI:NL:RBDHA:2026:19321
Rechtbank Den Haag · 2026-07-09 · Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Dublin, Kroatië, beroep, 3 EVRM, geloofwaardigheid, 17 Dvo.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL26.30090 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser, V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. K. Mohasselzadeh), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. Procesverloop Bij besluit van 28 mei 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen, omdat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank doet op grond van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb uitspraak zonder zitting. Overwegingen 1. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2004 en de Soedanese nationaliteit te hebben. Hij heeft op 17 februari 2026 een asielaanvraag in Nederland ingediend. 2. Verweerder heeft de asielaanvraag van eiser niet in behandeling genomen. Uit onderzoek in Eurodac is gebleken dat eiser op 31 januari 2026 al in Kroatië om internationale bescherming heeft verzocht. Nederland heeft op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening de Kroatische autoriteiten verzocht om eiser terug te nemen. De Kroatische autoriteiten hebben dit verzoek op 8 april 2026 geaccepteerd op grond van artikel 20, vijfde lid, van de Dublinverordening, waarmee de verantwoordelijkheid van Kroatië vaststaat. 3. Eiser voert in beroep tegen het bestreden besluit het volgende aan. Eiser betoogt dat verweerder het besluit onvoldoende zorgvuldig heeft voorbereid en dat het besluit onvoldoende is gemotiveerd. Eiser stelt dat verweerder onvoldoende heeft onderzocht of overdracht in overeenstemming is met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. Eiser heeft verklaard over pushbacks en dat hij is mishandeld en vernederd door de Kroatische grensautoriteiten. Verweerder had een inhoudelijke en individuele geloofwaardigheidsbeoordeling ten aanzien van deze verklaringen moeten verrichten. Eiser wijst in dit verband ook op het arrest van het Hof van 29 februari 2024. Verweerder heeft ten onrechte volstaan met een verwijzing naar het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Op verweerder rust volgens eiser een verzwaarde motiveringsplicht waarom er geen reëel risico bestaat op herhaling van geweld door de Kroatische grensautoriteiten. Eiser voert verder aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom geen toepassing wordt gegeven aan artikel 17 van de Dublinverordening. Eiser heeft verklaard over zijn psychische toestand. Verweerder heeft niet voldaan aan zijn onderzoeksplicht door niet te onderzoeken welke gevolgen overdracht heeft voor de psychische toestand van eiser. Het besluit is daarom onvoldoende zorgvuldig voorbereid. De rechtbank oordeelt als volgt. Reëel risico op schending artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest 4. Niet in geschil is dat Kroatië verantwoordelijk is voor de behandeling van de asielaanvraag van eiser. In geschil is of verweerder ten aanzien van Kroatië in het geval van eiser van het interstatelijk vertrouwensbeginsel mag uitgaan. De rechtbank is van oordeel dat dat het geval is. 5. De Afdeling heeft op 9 oktober 2024 geoordeeld dat verweerder ten aanzien van Kroatië nog altijd kan uitgaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Dit is daarna in een aantal uitspraken door de Afdeling bevestigd. Het is aan eiser om aan de hand van objectieve informatie aannemelijk te maken dat in het geval van Kroatië aanleiding bestaat om niet langer van het interstatelijk vertrouwensbeginsel uit te gaan. Eiser is daarin niet geslaagd. 6. De rechtbank is van oordeel dat eiser met zijn verklaringen over wat hij zelf in Kroatië heeft meegemaakt niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij bij overdracht aan Kroatië een reëel risico loopt op een met artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest strijdige behandeling. De ervaringen die eiser stelt zelf te hebben meegemaakt, hebben plaatsgevonden toen hij illegaal Kroatië was ingereisd. Eiser zal echter terugkeren als Dublinclaimant. Eiser heeft niet met landeninformatie onderbouwd dat Dublinclaimanten, die gereguleerd worden overgedragen aan de Kroatische autoriteiten, na overdracht aan Kroatië een risico lopen om in eenzelfde situatie terecht te komen als eiser stelt eerder in Kroatië te hebben meegemaakt. 7. Kroatië garandeert met het claimakkoord van 8 april 2026 eisers asielaanvraag in behandeling te nemen met inachtneming van de Europese asielrichtlijnen. Indien eiser vindt dat Kroatië zijn verplichtingen niet nakomt, ligt het op zijn weg om daarover in Kroatië te klagen bij de (hogere) autoriteiten of de daartoe geëigende instanties. Dat dit voor hem niet mogelijk, uiterst moeilijk of bij voorbaat zinloos is, is niet gebleken. Ook is niet gebleken dat de autoriteiten van Kroatië hem niet zouden kunnen of willen helpen. Geloofwaardigheid van de verklaringen 8. Uit jurisprudentie van de Afdeling volgt dat een geloofwaardigheidsbeoordeling alleen aan de orde is bij de inhoudelijke behandeling van een asielaanvraag. Het standpunt van eiser dat verweerder niet expliciet heeft aangegeven of de verklaringen van eiser al dan niet geloofwaardig worden geacht, betekent dus niet dat er automatisch sprake is van een motiveringsgebrek. Wel moet verweerder de verklaringen van eiser over de mishandelingen beoordelen en betrekken. De rechtbank is van oordeel dat verweerder dit voldoende heeft gedaan. Verweerder is in het bestreden besluit aan de hand van de beschikbare informatie van eiser ingegaan op de verklaringen van eiser. Deze beroepsgrond slaagt niet. Psychische toestand van eiser 9. De rechtbank volgt eiser niet in het standpunt dat verweerder het zorgvuldigheidsbeginsel heeft geschonden. Voor zover eiser hiermee een beroep heeft willen doen op het arrest C.K. , slaagt dit beroep niet. Uit het arrest C.K. volgt dat het aan eiser is om met medische stukken aan te tonen dat zijn overdracht een aanzienlijke en onomkeerbare achteruitgang van zijn medische situatie inhoudt. Het is dus aan eiser om met objectieve gegevens de bijzondere ernst van zijn psychische toestand en ook de aanzienlijke en onomkeerbare gevolgen daarvoor van een overdracht aan te tonen. Verweerder is in het bestreden besluit ingegaan op de verklaringen van eiser ten aanzien van zijn psychische toestand, maar eiser heeft zijn psychische problematiek niet met (medische) stukken onderbouwd. Ook ziet de rechtbank geen aanwijzingen dat er in het geval van eiser aanvullende garanties nodig zijn van Kroatië op adequate opvangvoorzieningen als bedoeld in het arrest Tarakhel. Toepassing artikel 17 van de Dublinverordening 10. Verweerder heeft voldoende gemotiveerd dat hij in de door eiser genoemde omstandigheden geen aanleiding ziet om toepassing te geven aan artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening. Eisers persoonlijke ervaringen in Kroatië zijn al beoordeeld in het kader van de vraag of van het interstatelijk vertrouwensbeginsel kan worden uitgegaan. Eiser heeft geen andere omstandigheden naar voren gebracht. Gelet daarop is niet gebleken van zodanig bijzondere, individuele omstandigheden die maken dat overdracht naar Kroatië van een zodanige onevenredige hardheid getuigt dat verweerder het asielverzoek van eiser aan zich had moeten trekken. Conclusie en gevolgen 11. Verweerder heeft, gelet op het voorgaande, de asielaanvraag van eiser terecht niet in behandeling genomen. Het beroep is ongegrond. 12. Voor een proceskostenvergoeding bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 9 juli 2026 door mr. A.J. de Danschutter, rechter, in aanwezigheid van mr. A.M. Verberne, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl . De uitspraak is bekendgemaakt op: Informatie over verzet Als partijen het niet eens zijn met deze uitspraak, kunnen zij een verzetschrift sturen naar de rechtbank waarin zij uitleggen waarom zij het niet eens zijn met deze uitspraak. Het verzetschrift moet worden ingediend binnen zes weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Als partijen graag een zitting willen om het verzetschrift toe te lichten, moeten zij dit in het verzetschrift vermelden. Algemene wet bestuursrecht. Op grond van artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Verordening (EU) nr. 604/2013. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en fundamentele vrijheden. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie. Hof van Justitie van de Europese Unie. ECLI:EU:C:2024:195. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2024:4037. ECLI:NL:RVS:2024:4443, ECLI:NL:RVS:2024:4576, ECLI:NL:RVS:2024:4643 en ECLI:NL:RVS:2025:5635. ECLI:NL:RVS:2024:3455. Arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 16 februari 2017 in de zaak C.K. tegen Slovenië, ECLI:EU:C:2017:127. ECLI:NL:RVS:2022:3480. Arrest EHRM van 4 november 2014 (ECLI:CE:ECHR:2014:1104JUDO02921712). ECLI:NL:RVS:2024:5359.