ECLI:NL:RBDHA:2026:19318
Rechtbank Den Haag · 2026-07-09 · Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Asielaanvraag – geloofwaardigheid seksuele gerichtheid – referentiekader - beroep ongegrond.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL25.42223 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. J.J.J. Jansen), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. H.J. Metselaar). Procesverloop Bij besluit van 28 augustus 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de asielaanvraag van eiser afgewezen als kennelijk ongegrond. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen [tolk] . Verweerder heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 1. Eiser is geboren op [geboortedag] 1992 en heeft de Ugandese nationaliteit. Hij heeft op 18 augustus 2023 een asielaanvraag ingediend. 2. Aan de asielaanvraag heeft eiser ten grondslag gelegd dat hij een homoseksuele gerichtheid heeft. Vanaf 2009 had eiser een relatie met een jongen genaamd [persoon] . In mei 2015 kwam deze relatie tot een einde, toen andere mensen in een bar erachter kwamen dat eiser homoseksueel is. De eigenaar van de bar heeft de politie gebeld en eiser is vervolgens gearresteerd. Hij heeft vijf dagen gevangen gezeten. Eiser is mishandeld door de politieagenten en hij is hierdoor in het ziekenhuis terecht gekomen. Hierna is hij bij zijn oom, die eiser allerlei beperkingen oplegde, gaan wonen en werken. In 2018 is eiser, onder druk van zijn oom en moeder, getrouwd met een vrouw. Met haar heeft hij vijf kinderen gekregen. In januari 2023 heeft eiser Uganda verlaten. 3. Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. De homoseksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen heeft verweerder echter niet geloofwaardig geacht. Verweerder heeft daartoe overwogen dat eiser onvoldoende persoonlijk, concreet en consistent heeft verklaard over zijn homoseksuele gerichtheid. Over de daardoor ondervonden problemen heeft eiser summier en ongerijmd verklaard. Omdat eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dit mogelijk was, heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid en onder h, van de Vreemdelingenwet 2000. 4. Eiser voert aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser. Eiser komt uit een land waar homoseksualiteit een taboe is. Hij is niet gewend om over zijn gevoelens te spreken, zeker niet ten overstaan van onbekenden zoals de hoormedewerker. Bovendien is niet iedereen in staat om zijn of haar seksuele gerichtheid in woorden te vatten. Verder is bij het referentiekader ten onrechte niet meegenomen dat eiser medische klachten heeft waarvoor hij wordt behandeld. Niet is gebleken dat verweerder rekening heeft gehouden met de beperkingen van eiser tijdens de beoordeling van zijn asielaanvraag. In dat kader wijst eiser op Werkinstructie 2019/17 en de uitspraak van de Afdeling van 25 februari 2026. Daarnaast voert eiser aan dat verweerder ten onrechte heeft overwogen dat eiser algemeen, oppervlakkig en summier heeft verklaard over waarom hij tegen zijn gevoelens heeft gevochten en waarom hij dacht dat er iets mis met hem was. Niet wordt ingezien wat eiser nog meer had kunnen verklaren dan hij hierover heeft gedaan, rekening houdend met zijn referentiekader. Verweerder heeft de lat voor de verklaringen van eiser onredelijk hoog gelegd. Daarbij komt dat het bestreden besluit ook blijk geeft van westers denken. Het gehoor was voorts lang en zeer uitputtend voor eiser, waarmee ook onvoldoende rekening is gehouden. Eiser wijst er daarnaast op dat homoseksualiteit ook een fysiek aspect heeft. Volgens hem staat ten onrechte in Werkinstructie 2019/17 opgenomen dat verklaringen over seksuele activiteiten niet bij de beoordeling worden betrokken. Eiser voert verder aan dat hem tijdens het gehoor niet concreet is gevraagd naar wat het met hem deed dat zijn religie homoseksualiteit niet accepteert en dat verweerder dan ook niet heeft kunnen overwegen dat eiser ruimschoots in de gelegenheid is gesteld om hierover te verklaren. Tot slot heeft eiser ter onderbouwing van zijn homoseksuele gerichtheid diverse verklaringen van derden overgelegd. De rechtbank oordeelt als volgt. 5. Ter zitting heeft eiser bevestigd dat primair aangevoerd wordt dat verweerder gelet op het referentiekader ten onrechte eisers verklaringen oppervlakkig en summier heeft geacht. Ten aanzien van de inhoudelijke betwisting van de tegenwerpingen van verweerder verwijst eiser grotendeels naar zijn zienswijze. 6. De rechtbank stelt vast dat verweerder eisers referentiekader expliciet heeft opgenomen in het (aanvullend) voornemen. Verweerder heeft onder meer overwogen dat eiser een 32-jarige man uit Uganda is, dat hij is opgegroeid in een cultuur waar homoseksualiteit een taboe is en dat hij middelbaar onderwijs heeft genoten tot en met de 4e klas. Ook heeft verweerder bij het referentiekader het medisch advies van MediFirst betrokken, waarin staat dat eiser vermoeidheidsklachten kan hebben en emotioneel kan worden. De stelling van eiser dat het referentiekader niet volledig is omdat zijn medische klachten daarin niet zijn opgenomen, wordt niet gevolgd. Uit de door eiser overgelegde stukken blijkt namelijk niet dat eiser andere dan in het advies van MediFirst genoemde medische klachten heeft die betrokken hadden moeten worden bij het referentiekader van eiser. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser aangegeven dat er voldoende rekening is gehouden door de gehoorambtenaar met de in het MediFirst rapport genoemde beperkingen. Voor zover eiser stelt dat hij een trauma heeft, is dit niet onderbouwd met de overgelegde stukken. 7. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder voldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser. Verweerder heeft overwogen dat gelet op eisers referentiekader niet van hem verwacht wordt dat hij concrete data en/of tijd kan aangeven, maar dat wel van hem verwacht mag worden dat hij op een persoonlijke en authentieke wijze kan verklaren over situaties die de kern van eisers asielrelaas vormen en dat hij concreet en consistent kan verklaren over wat hij heeft meegemaakt. Verweerder heeft verder op verschillende pagina’s in de besluitvorming uiteengezet heeft waarom er meer van eisers verklaringen mag worden verwacht. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn stelling dat het referentiekader niet voldoende kenbaar bij de beoordeling is betrokken. De rechtbank overweegt verder dat eiser in beroep niet concreet heeft gemaakt op welke wijze hij, gelet op zijn referentiekader, minder heeft kunnen verklaren of op welke specifieke punten in de besluitvorming onvoldoende rekening is gehouden met het referentiekader. 8. Verweerder heeft terecht overwogen dat eiser onvoldoende persoonlijk, concreet en consistent heeft verklaard over zijn seksuele gerichtheid. Verweerder heeft van eiser mogen verlangen dat hij meer inzichtelijk maakt wat hij bijzonder vond aan de specifieke film die hij tijdens het nader gehoor heeft genoemd, omdat deze film een blijvende indruk op eiser heeft gemaakt en hij heeft gesteld dat hij door deze film heeft gemerkt dat hij homoseksueel is. De verklaring van eiser hierover, namelijk dat de film leuk was en de acteurs aantrekkelijk waren, zijn algemeen en onvoldoende inzichtelijk. Verweerder heeft verder van eiser mogen verlangen dat hij op een inzichtelijke en meer diepgaande manier kan verklaren over zijn relatie met [persoon] en hoe de gevoelens voor [persoon] anders waren dan eerdere of andere gevoelens. Verweerder heeft daarbij terecht van belang geacht dat deze relatie ongeveer zes jaar heeft geduurd en dat de relatie een wezenlijk onderdeel vormt van eisers relaas. Daarnaast geeft het bestreden besluit, anders dan eiser meent, er geen blijk van dat verweerder met een westerse blik naar het relaas van eiser heeft gekeken. De enkele stelling van eiser dat dit blijkt uit de tegenwerping van verweerder dat uit de verklaringen dat [persoon] eten voor eiser haalde, zijn kleren waste en zijn spullen met hem deelde niet blijkt dat dit een vriendschappelijke relatie overstijgt, wordt door de rechtbank niet gevolgd. Dat verweerder voorts verklaringen over seksuele handelingen of activiteiten niet betrekt bij zijn beoordeling, zoals uit Werkinstructie 2019/17 volgt, betekent eveneens niet dat verweerder een westerse kijk op homoseksualiteit heeft. De stelling van eiser dat in landen waar homoseksualiteit strafbaar is gevoelens vaak onderdrukt en onderontwikkeld zijn, is niet geconcretiseerd en onderbouwd. Verweerder houdt bovendien, zoals hierboven uiteengezet, rekening met het referentiekader, waaronder ook de cultuur waarin eiser is opgegroeid. 9. Ook heeft verweerder aan eiser terecht tegengeworpen dat eiser oppervlakkig en summier heeft verklaard over de persoonlijke impact die het op eiser heeft gehad dat homoseksualiteit volgens zijn geloof verboden is. Hoewel eiser terecht opmerkt dat hem hier niet expliciet naar is gevraagd, is tijdens het nader gehoor wel meermaals gevraagd naar het proces van acceptatie van eisers homoseksualiteit, daarmee is eiser voldoende in de gelegenheid gesteld om te verklaren over de rol van zijn geloof in relatie tot zijn homoseksuele gerichtheid. 10. Ten aanzien van de stelling van eiser dat het gehoor lang en uitputtend was, overweegt de rechtbank dat eiser hiermee niet concreet heeft gemaakt op welke wijze dit van invloed is geweest op zijn verklaringen. Dit leidt dan ook niet tot een ander oordeel. De rechtbank merkt hierbij bovendien op dat het nader gehoor verspreid is geweest over twee dagen en niet is gebleken dat het gehoor langer heeft geduurd dan gebruikelijk in vergelijkbare zaken. 11. Voor zover eiser ten aanzien van de overige tegenwerpingen naar zijn zienswijze verwijst, geldt dat verweerder hierop gemotiveerd is ingegaan in het bestreden besluit. Uit de enkele verwijzing naar de zienswijze blijkt niet waarom de reactie van verweerder onjuist dan wel onvoldoende zou zijn. De rechtbank oordeelt dat louter verwijzen naar de zienswijze eerst als bestrijding van het bestreden besluit is aan te merken, als verweerder in zijn reactie niet op de zienswijze is ingegaan of die reactie van verweerder slechts een herhaling is van hetgeen in het voornemen is opgenomen. Nu geen van beide het geval is, kan de enkele verwijzing naar de zienswijze dan ook niet leiden tot een geslaagd beroep. 12. Verweerder stelt zich tot slot terecht op het standpunt dat de verklaringen van derden niet leiden tot de conclusie dat de homoseksuele gerichtheid van eiser alsnog geloofwaardig is. Het uitgangspunt is dat eiser zijn seksuele gerichtheid vooral met eigen verklaringen aannemelijk moet maken. Stukken van derden kunnen daarbij dienen als ondersteunend bewijs. Hoewel een deel van de door eiser overgelegde verklaringen ondersteunen dat eiser deelneemt aan verschillende activiteiten voor lhbti-ers, maakt de deelname aan deze activiteiten nog niet dat eiser gevolgd moet worden in zijn gestelde homoseksuele geaardheid. Het is ook van belang welke beleving eiser bij deze bijeenkomsten heeft. Verweerder heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat aan de verklaringen van derden onvoldoende positief gewicht toekomt om de niet overtuigende verklaringen van eiser wat betreft zijn homoseksuele gerichtheid te compenseren. 13. Gelet op het bovenstaande heeft verweerder terecht geconcludeerd dat de homoseksuele gerichtheid van eiser en de daaruit voortvloeiende problemen niet geloofwaardig zijn. Met de vaststelling dat de homoseksuele gerichtheid en de daaruit voortvloeiende problemen ongeloofwaardig zijn is niet aannemelijk gemaakt dat eiser voldoet aan de voorwaarden van richtlijn 2011/95 om internationale bescherming te verkrijgen. 14. Het beroep is ongegrond. 15. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 9 juli 2026 door mr. M.J. Paffen, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Bent u het niet eens met deze uitspraak? Als u het niet eens bent met deze uitspraak, kunt u een brief sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin u uitlegt waarom u het er niet mee eens bent. Dit heet een beroepschrift. U moet dit beroepschrift indienen binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. U ziet deze datum hierboven. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2026:1012. Zie o.a. de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 6 november 2023, ECLI:NL:RVS:2013:1795 en 4 juli 2018, ECLI:NLRVS:2018:2169. Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 4 augustus 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1754.