← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:19097

Rechtbank Den Haag · 2026-07-09 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL25.44508
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
9.704 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Asiel; afwijzing asielaanvraag; gegrond beroep; de minister heeft onvoldoende gemotiveerd dat eiser geen gevaar loopt bij terugkeer naar Colombia als gevolg van de bedreiging van zijn verloofde.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL25.44508 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [V-nummer], eiser, (gemachtigde: mr. K. Benchaïb) en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. C.R. Stoute). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De rechtbank oordeelt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser geen problemen heeft ondervonden en geen gevaar loopt wegens bedreigingen gericht aan zijn verloofde. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft de minister gevraagd om een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd te verlenen. Hij stelt van Colombiaanse nationaliteit te zijn en te zijn geboren op [geboortedatum] 1985. De minister heeft met het bestreden besluit van 9 september 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 29 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M.D. Garcia Celma als tolk en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. De verloofde van eiser heeft begin december 2023 een dreigbericht gekregen, waarin zij werd afgeperst. Daar is de verloofde niet op ingegaan. Daarna hebben mannen eiser en zijn verloofde opgezocht, zowel in de winkel waar de verloofde werkte als bij hen thuis. Een winkelier in hetzelfde winkelcentrum is in die tijd vermoord. De eigenaresse van de winkel waarin de verloofde werkte is ook bedreigd en vervolgens gevlucht. De verloofde heeft aangifte gedaan in Colombia en is vervolgens naar Nederland gevlucht, waar eiser al verbleef in verband met zijn werk. Eiser vreest dat de gewapende groep hem bij terugkeer zal vermoorden. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen: de identiteit, nationaliteit en herkomst; de problemen van de verloofde. 4.1. De minister vindt deze elementen geloofwaardig. De minister acht echter niet aannemelijk dat eiser zelf doelwit is van de gewapende groep. De minister heeft daarom de asielaanvraag afgewezen. Omdat eiser niet spoedig na aankomst in Nederland asiel heeft aangevraagd, is de aanvraag kennelijk ongegrond. Toetsingskader 5. De rechtbank stelt voorop dat het aan eiser is om zijn asielrelaas aannemelijk te maken. Dat kan met documenten of met geloofwaardig geachte verklaringen. De minister beoordeelt vervolgens of de geloofwaardig bevonden elementen van het asielrelaas voldoende zwaarwegend zijn om eiser aan te merken als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Als eiser geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag, beoordeelt de minister of eiser gegronde redenen heeft om aan te nemen dat hij bij uitzetting een reëel risico loopt op ernstige schade, waaronder in de vorm van folteringen, onmenselijke of vernederende behandelingen of bestraffingen. Loopt eiser bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade? 6. Eiser voert aan dat hij en zijn verloofde zijn afgeperst en bedreigd. Eisers naam is daarbij ook genoemd. Afpersing komt veel voor in Colombia. De winkelier van de winkel naast die waar de verloofde werkte is vermoord. Dat bevestigt dat eiser een reëel risico loopt om ook te worden vermoord. Eiser is daarnaast bekend in Colombia omdat hij optreedt als zanger. Ook is hij eerder militair geweest. Hij kan geen bescherming krijgen van de Colombiaanse autoriteiten, die de aangifte van de verloofde hebben afgesloten. 6.1. De minister acht de vrees van eiser om bij terugkeer te worden vermoord niet aannemelijk. Eiser heeft nooit persoonlijke problemen ondervonden. Het is niet aannemelijk dat eisers naam bij de bedreigingen is genoemd. Dat er een aanslag is gepleegd op de andere winkelier betekent niet dat eiser en zijn verloofde worden bedreigd. Dat hij een publiek bekende zanger is en oud-militair is maakt dat niet anders. Bovendien kunnen de Colombiaanse autoriteiten eiser beschermen. 6.2. De beroepsgrond van eiser slaagt. De minister heeft in het voornemen van de man (dat is gehandhaafd in het bestreden besluit) de problemen van eisers verloofde geloofwaardig geacht en daarbij verwezen naar het voornemen van de verloofde. In het voornemen van de verloofde heeft de minister de verklaringen van de verloofde over dat zij werd afgeperst geloofwaardig geacht. De verloofde heeft verklaard dat een gewapende groep 50 miljoen peso’s van haar eiste en dat haar leven en dat van eiser gevaar zouden lopen als ze niet zouden betalen. Zij heeft ook verklaard dat mannen haar vervolgens opzochten in haar winkel en in het huis van haar en eiser. Daarbij hebben de mannen gezegd dat, als ze niet zou betalen, met de verloofde hetzelfde zou gebeuren als met de winkelier die werd vermoord. Eiser heeft vergelijkbare verklaringen afgelegd. Tegen die achtergrond heeft de minister in het bestreden besluit van eiser onvoldoende gemotiveerd dat eiser persoonlijk geen problemen heeft ondervonden, dat niet is onderbouwd dat zijn naam is genoemd bij de bedreigingen en dat zijn vrees bij terugkeer niet aannemelijk is. 6.3. Omdat het beroep gegrond is en de minister een nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling moet verrichten, beoordeelt de rechtbank niet in hoeverre de Colombiaanse autoriteiten eiser bij terugkeer kunnen beschermen tegen het gevaar dat van de gewapende groep uitgaat. Mocht de minister de aanvraag afwijzen als kennelijk ongegrond en aan eiser een terugkeerbesluit en vertrektermijn opleggen? 7. Eiser voert aan dat de minister zijn asielaanvraag niet mocht afwijzen als kennelijk ongegrond. Eiser voert ook aan dat de minister geen terugkeerbesluit en vertrektermijn mocht opleggen. Omdat het beroep gegrond is en de minister een nieuw besluit moet nemen, heeft eiser geen belang meer bij een oordeel over deze beroepsgronden. Conclusie en gevolgen 8. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit onvoldoende is gemotiveerd. De rechtbank ziet geen reden om de rechtsgevolgen van het besluit in stand te laten of zelf een beslissing over eisers asielaanvraag te nemen. Het is eerst aan de minister om het asielrelaas van eiser opnieuw op geloofwaardigheid en zwaarwegendheid te toetsen. Ook draagt de rechtbank niet aan de minister op om het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen. 8.1. De rechtbank bepaalt dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De minister moet beter motiveren welke elementen van eisers asielrelaas geloofwaardig zijn en welke gevolgen dat heeft voor de asielaanvraag op de punten die de rechtbank hiervoor in 6.2 heeft beoordeeld. De rechtbank geeft de minister acht weken om een nieuw besluit te nemen. 8.2. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit van 9 september 2025; - draagt de minister op binnen acht weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak; - veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. G.J. Wilts, rechter, in aanwezigheid van mr. E.J. Snoeijer, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Artikel 4, eerste lid, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 31, eerste en tweede lid, van de Vw. Artikel 4, tweede en vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 31, derde en zesde lid, van de Vw. Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. Artikel 29, eerste lid, aanhef en onder b, onder 2, van de Vw. In de zin van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder h, van de Vw. In de zin van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder a, van de Awb. In de zin van artikel 8:72, derde lid, aanhef en onder b, van de Awb. In de zin van artikel 8:51a, eerste lid, van de Awb. In de zin van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht krijgt eiser een vergoeding voor de rechtsbijstand die zijn gemachtigde heeft verleend. Daarbij is 1 punt gerekend voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen op de zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 1.