ECLI:NL:RBDHA:2026:19063
Rechtbank Den Haag · 2026-05-01 · Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Asiel. Somalië. Eiseres en haar kleinzoon hebben asiel aangevraagd. De minister heeft deze aanvraag afgewezen, omdat het niet geloofwaardig is dat eiseres problemen heeft gehad met haar neef die zou zijn aangesloten bij Al-Shabaab. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de minister de problemen van eiseres met haar neef niet geloofwaardig mocht vinden. Ook heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat eiseres niet te vrezen heeft vanwege het feit dat zij een alleenstaande vrouw is in Somalië. De minister heeft zijn standpunt over de vraag of de uitzetting van eiseres en haar kleinzoon in strijd is met hun recht op familie- en gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM) daarentegen onvoldoende gemotiveerd en onzorgvuldig voorbereid. Het beroep is gegrond.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummers: NL25.14010 en NL25.14013 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiseres] , V-nummer: [V-nummer] , eiseres, en [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser tezamen: eisers (gemachtigde: mr. F.S. Boedhoe), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. H.J. Metselaar). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvragen van eisers. Eiser is de kleinzoon van eiseres. Deze uitspraak gaat over de vraag of de minister de problemen van eiseres met de neef van haar kinderen niet geloofwaardig mocht vinden. Ook gaat deze uitspraak over de vraag of het opleggen van een terugkeerbesluit aan eisers in strijd is met hun recht op familie- en gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het Europees Verdrag voor de Rechten van de Mens (EVRM), omdat zij daardoor worden gescheiden van de moeder van eiser die ook in Nederland een asielaanvraag heeft gedaan. 2. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvragen niet in stand kan blijven, omdat de beoordeling van artikel 8 van het EVRM onvoldoende is gemotiveerd. Procesverloop 3. Eisers hebben aanvragen om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Zij stellen van Somalische nationaliteit te zijn. Eiseres stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 1977. Eiser stelt te zijn geboren op [geboortedatum] 2014. Eiser is de kleinzoon van eiseres. De minister heeft met de bestreden besluiten van 25 februari 2025 de aanvragen in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. 4. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. 5. De minister heeft op de beroepen gereageerd met een verweerschrift. 6. De rechtbank heeft de beroepen op 6 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van de minister. Eisers en hun gemachtigde waren niet aanwezig. 7. Na de zitting hebben eisers nog gelegenheid gekregen om schriftelijk te reageren op het verweerschrift waarin de minister een nieuw standpunt heeft ingenomen over artikel 8 van het EVRM. De minister heeft op die schriftelijke reactie van eisers kunnen reageren. Het onderzoek is op 6 maart 2026 gesloten. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 8. Eisers leggen aan hun asielaanvragen het volgende ten grondslag. De neef van de kinderen van eiseres (de neef) heeft zich aangesloten bij Al-Shabaab. De neef wilde met de dochter van eiseres trouwen. Toen de dochter van eiseres aangaf dit niet te willen heeft de neef de dochter en echtgenoot van eiseres beschoten waarna zij zijn komen te overlijden. Eiseres wist te ontsnappen en is verhuisd. Een jaar later heeft de neef eiseres telefonisch bedreigd waarna eisers het land hebben verlaten. Eiseres heeft altijd voor eiser gezorgd, omdat de moeder van eiser niet in beeld was. De moeder van eiser heeft ook een asielaanvraag gedaan in Nederland. De bestreden besluiten 9. Het asielrelaas van eisers bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: identiteit, nationaliteit en herkomst; en problemen met de neef. 10. De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers geloofwaardig en de problemen met de neef niet geloofwaardig. Volgens de minister is het niet aannemelijk geworden dat de neef is aangesloten bij Al-Shabaab. Verder heeft eiseres wisselend verklaard over waar zij en haar kinderen naartoe zijn gegaan na de schietpartij. Ook heeft eiseres volgens de minister wisselend en vaag verklaard over het moment waarop zij haar huis heeft verkocht en over haar woonplaats voordat zij Somalië verliet. Tenslotte heeft eiseres wisselend en vaag verklaard over het telefoongesprek met de neef waarin zij is bedreigd. 11. Daarnaast vindt de minister dat eiseres bij terugkeer niet heeft te vrezen voor vervolging vanwege het zijn van een alleenstaande vrouw, omdat zij in Somalië familieleden heeft wonen en een netwerk heeft waarop zij kan terugvallen. Eiseres komt daarom niet in aanmerking voor het alleenstaande vrouwenbeleid. Verder vindt de minister dat eisers geen reëel risico op ernstige schade lopen, omdat zij afkomstig zijn uit [plaats] . Eisers keren daarom niet terug naar een gebied waar Al-Shabaab aan de macht is en hoeven ook niet door gebied te reizen waar Al-Shabaab aan de macht is. De minister concludeert daarom dat de asielaanvragen worden afgewezen als ongegrond. Ook heeft de minister aan eisers een terugkeerbesluit opgelegd. 12. In de bestreden besluiten heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat geen reguliere verblijfsvergunning aan eisers wordt verleend op grond van artikel 8 van het EVRM, omdat geen sprake is van familie- en gezinsleven. Eisers hebben namelijk de familierechtelijke band tussen hen en de gestelde moeder van eiser niet aannemelijk gemaakt. Geloofwaardigheid van de problemen met de neef 13. Eisers voeren aan dat de minister ten onrechte de problemen met de neef niet geloofwaardig vindt. Eiseres heeft aannemelijk gemaakt waarom zij dacht dat de neef aangesloten was bij Al-Shabaab. Zij zag dit aan zijn houding, uiterlijk en taalgebruik. Dit vermoeden werd bevestigd toen zij het pistool zag waarmee hij de dochter en echtgenoot van eiseres beschoot. Ook voert eiseres aan dat haar verklaringen over waar zij heen is gegaan na de schietpartij niet ongerijmd zijn met haar verklaringen over het ophalen van haar kleinkinderen van school en dat dit het gevolg is van een miscommunicatie met de tolk tijdens het nader gehoor. Over de tegenstrijdige verklaringen over de laatste verblijfplaats van eiseres voert zij aan dat zij de situatie voorafgaand aan haar problemen heeft beschreven. Eiseres is analfabeet en heeft geen scholing gehad. De minister heeft onvoldoende rekening gehouden met dit referentiekader. Tenslotte voert eiseres aan dat het gelet op het algemeen ambtsbericht Somalië van juni 2023 aannemelijk is dat de neef eiseres telefonisch heeft bedreigd en in staat is om als lid van Al-Shabaab een aanslag te plegen. 14. De rechtbank stelt vast dat deze beroepsgronden (grotendeels) een herhaling zijn van wat naar voren is gebracht in de zienswijze. De minister heeft daarop in het bestreden besluit gemotiveerd gereageerd en overwogen waarom de problemen met de neef alsnog niet geloofwaardig zijn gevonden. Eisers hebben in beroep niet gereageerd op de reactie van de minister. Voor zover eisers aanvoeren dat sprake is geweest van een miscommunicatie met de tolk is de rechtbank van oordeel dat eisers dit niet nader hebben toegelicht. Verder blijkt niet uit het nader gehoor dat eiseres de vragen tijdens het aanmeldgehoor en nader gehoor niet heeft begrepen. Bovendien hebben eisers niet onderbouwd hoe de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiseres. De minister heeft tijdens het nader gehoor op diverse punten doorgevraagd. Dat de minister geen rekening heeft gehouden met het feit dat eiseres analfabeet is en geen scholing heeft gehad, is verder niet gebleken. 14. De rechtbank ziet in hetgeen eisers hebben aangevoerd geen grond voor het oordeel dat de minister de gestelde problemen van eiseres met de neef niet ongeloofwaardig heeft mogen vinden. Alleenstaande vrouwenbeleid 16. Eisers voeren verder aan dat eiseres in aanmerking hoort te komen voor het alleenstaande vrouwenbeleid. Zij heeft vanwege de problemen met Al-Shabaab geen echtgenoot en geen andere familieleden waar zij voor opvang en bescherming op kan terugvallen. Ook kan eiseres niet op haar familieleden terugvallen als zij wordt gedwongen terug te keren naar Somalië. Uit het algemeen ambtsbericht Somalië van april 2025 blijkt namelijk dat de perceptie binnen de Somalische samenleving is dat een gedwongen terugkeer geassocieerd wordt met ‘slecht’ gedrag. 17. De rechtbank stelt voorop dat uit het landenbeleid van de minister blijkt dat aan alleenstaande vrouwen uit Somalië een verblijfsvergunning wordt verleend als zij geen echtgenoot, duurzame relatie, grootfamilie of eventuele meerderheidsclan hebben waar zij op kunnen terugvallen voor opvang en bescherming. Daarbij is ook van belang in welke mate de alleenstaande vrouw zich in het verleden zelfstandig heeft kunnen handhaven. 18. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich op het standpunt kon stellen dat eiseres niet in aanmerking komt voor het alleenstaande vrouwenbeleid. De minister heeft er terecht op gewezen dat eiseres heeft verklaard dat zij in Somalië familieleden heeft wonen, waaronder een aantal van haar kinderen en kleinkinderen, waarmee zij tot aan haar vertrek heeft samengewoond. De stelling van eiseres dat haar familieleden geen contact meer met haar willen uit angst voor Al-Shabaab heeft de minister niet hoeven volgen, omdat eiseres haar problemen met Al-Shabaab niet aannemelijk heeft gemaakt. Bovendien heeft eiseres verklaard dat zij nog steeds contact heeft met haar familieleden. De stelling dat eiseres niet op haar familieleden kan terugvallen vanwege de perceptie in de Somalische samenleving dat gedwongen terugkeer het gevolg is van ‘slecht’ gedrag heeft de minister evenmin hoeven volgen. Uit het ambtsbericht kan namelijk niet worden afgeleid dat terugkerende asielzoekers enkel vanwege een gedwongen terugkeer gevaar lopen in Somalië. Bovendien is daarbij van belang dat eiseres altijd in Somalië heeft gewoond bij haar familie en er geen aanwijzingen zijn waarom zij niet weer kan integreren in de Somalische maatschappij. Familie- en gezinsleven 19. De rechtbank stelt voorop dat de minister in het verweerschrift van 4 februari 2026 heeft erkend dat het standpunt dat geen familierechtelijke relatie bestaat tussen eisers en de gestelde dochter van eiseres/moeder van eiser niet meer houdbaar is. Dit omdat eisers een uitslag van een DNA onderzoek hebben overgelegd waarmee vast is komen te staan dat [naam] de moeder van eiser is. Het beroep is in zoverre gegrond waardoor de bestreden besluiten in aanmerking komen voor vernietiging. De rechtbank zal hierna onderzoeken of de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand kunnen worden gelaten gelet op de informatie die in beroep en op de zitting naar voren is gekomen en de aanvullende standpunten die daarover zijn ingenomen. 20. Eisers voeren aan dat de minister hun recht op familie- en gezinsleven schendt door hen voor langere tijd te scheiden van de in Nederland verblijvende moeder van eiser. Eisers vinden dat de belangenafweging in hun voordeel moet uitvallen en dat de minister aan hen een reguliere verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM had moeten verlenen. 21. De minister heeft zich in het verweerschrift op het standpunt gesteld dat ook uitgaande van het gezinsleven tussen eisers en de moeder van eiser geen sprake is van een schending van het recht op familie- en gezinsleven zoals bedoeld in artikel 8 van het EVRM. De minister wijst erop dat geen van de gezinsleden een verblijfsvergunning heeft in Nederland. De moeder van eiser heeft een verblijfsvergunning in Italië, maar heeft in Nederland geen verblijfsrecht. Zij is in afwachting van haar beroep tegen de afwijzing van haar asielaanvraag in Nederland. Een eventuele scheiding is bovendien tijdelijk, omdat eisers zich eventueel kunnen herenigen met de moeder van eiser in Italië. Daarbij wijst de minister er op dat Italië ook gehouden is aan artikel 8 van het EVRM. Tenslotte heeft de minister het subsidiaire standpunt ingenomen dat de belangenafweging in het nadeel van eisers uitvalt. 22. De rechtbank overweegt dat de eerste vraag die moet worden beantwoord is of de minister zich op het standpunt heeft kunnen stellen dat al geen sprake is van strijd met artikel 8 van het EVRM, omdat de gezinsleden niet (permanent) van elkaar worden gescheiden. De rechtbank begrijpt dat de minister er van uit gaat dat de moeder van eiser – indien het beroep tegen de afwijzing van haar aanvraag ongegrond is – naar Italië terug zal keren. Bovendien maakt de rechtbank uit de stukken op dat de moeder subsidiaire bescherming heeft gekregen in Italië. Het is gelet daarop waarschijnlijk dat de moeder niet terug kan keren naar Somalië. Dat betekent dat eisers als gevolg van de afwijzing van de asielaanvraag en het terugkeerbesluit naar Somalië in elk geval zullen worden gescheiden van de moeder van eiser. De moeder van eiser zal naar alle waarschijnlijkheid immers niet met eisers mee kunnen reizen naar Somalië om daar het gezinsleven uit te oefenen. De minister stelt dat eisers naar Somalië kunnen reizen en daar eventueel bij Italië een aanvraag voor gezinshereniging kunnen indienen teneinde zich te herenigen met de moeder van eiser. Daarmee baseert de minister de stelling dat zij niet of slechts tijdelijk zullen worden gescheiden op een onzekere gebeurtenis. Naar het oordeel van de rechtbank is dit onvoldoende grond voor het standpunt dat geen sprake is van strijd met artikel 8 van het EVRM. 23. De minister heeft zich subsidiair op het standpunt gesteld dat de belangenafweging in het nadeel van eisers uitvalt. Ook bij deze belangenafweging betrekt de minister dat er geen sprake is van een objectieve belemmering om het gezinsleven buiten Nederland uit te oefenen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister daarbij de belangen van eiser, een minderjarig kind, gelet op artikel 3 van het IVRK niet tot zijn eerste overweging gemaakt en onvoldoende betrokken. Zoals hiervoor is overwogen is het waarschijnlijk, en lijkt de minister daar ook van uit te gaan, dat eiser van zijn moeder zal worden gescheiden. Hiervoor is ook overwogen dat het onduidelijk is hoe lang zij van elkaar zullen worden gescheiden. Deze omstandigheid en de impact die dit mogelijk heeft op eiser, heeft de minister naar het oordeel van de rechtbank onvoldoende in de belangenafweging betrokken. De minister heeft alleen overwogen dat gesteld noch met objectieve stukken aannemelijk is gemaakt dat de ontwikkeling van eiser ernstig in gevaar komt of dat het ernstig schadelijk voor hem is als hij niet in Nederland kan opgroeien en eerst naar Somalië terug moet keren voordat hij zich op rechtmatige wijze bij zijn moeder kan voegen in Italië. Naar het oordeel van de rechtbank doet deze overweging geen recht aan de scheiding die zal ontstaan tussen eiser en zijn moeder en de omstandigheid dat de periode waarin zij van elkaar worden gescheiden onzeker is. Bovendien merkt de rechtbank op dat de minister zich aanvankelijk in de bestreden besluiten op het standpunt heeft gesteld dat geen sprake is van een gezinsleven. Het is in dat kader voorstelbaar dat eisers zich in de beroepsprocedure vooral hebben gericht op het aannemelijk maken van het gezinsleven tussen eisers en de moeder van eiser. 24. De rechtbank constateert daarom dat de beoordeling van artikel 8 van het EVRM ten aanzien van eiser onvoldoende is gemotiveerd en onvoldoende zorgvuldig is. In het verlengde hiervan merkt de rechtbank op dat eiser de kleinzoon is van eiseres, zij met elkaar vrijwel het hele leven van eiser hebben samengewoond en ook samen uit Somalië zijn gereisd. Een nieuwe belangenafweging aangaande eiser kan dus ook van invloed zijn op de mate waarin de mogelijke hechte persoonlijke banden tussen eiser en eiseres nader moeten worden onderzocht. Gelet hierop is de rechtbank van oordeel dat de minister ten aanzien van zowel eiser als eiseres met het verweerschrift het geconstateerde gebrek in de bestreden besluiten onvoldoende heeft hersteld. De rechtbank ziet dan ook geen aanleiding om de rechtsgevolgen van de bestreden besluiten in stand te laten. Conclusie en gevolgen 25. De beroepen zijn gegrond, omdat de bestreden besluiten een motiveringsgebrek en een zorgvuldigheidsgebrek bevatten. Dit omdat het standpunt van de minister dat geen sprake is van familieleven tussen de gezinsleden geen stand meer kan houden gelet op de uitslag van het DNA onderzoek. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten en ziet, gelet op het voorgaande, geen aanleiding om de rechtsgevolgen daarvan in stand te laten. De minister zal opnieuw artikel 8 van het EVRM moeten beoordelen in het licht van het geconstateerde familieleven tussen zowel eiser als eiseres en de moeder van eiser. 26. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat de minister een nieuw besluit moet nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken. 27. Omdat het beroep gegrond is krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.401,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift (1 punt) en nadere schriftelijke inlichtingen heeft ingediend (0,5 punt). Beslissing De rechtbank: -verklaart de beroepen gegrond; -vernietigt de bestreden besluiten van 25 februari 2025; -draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvragen met inachtneming van deze uitspraak; -veroordeelt de minister tot betaling van € 1.401 aan proceskosten aan eisers. Deze uitspraak is gedaan door mr. P.J. Blok, rechter, in aanwezigheid van mr.B.J. van Rossum, griffier. Uitgesproken in het openbaar op 1 mei 2026. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 4 weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Paragraaf C7/30.3.2.2. van de Vreemdelingencirculaire 2000. Aanmeldgehoor van 26 mei 2023, p. 8. Nader gehoor van 28 augustus 2024, p. 22. Internationaal verdrag inzake de Rechten van het Kind.