ECLI:NL:RBDHA:2026:18900
Rechtbank Den Haag · 2026-07-06 · Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Samenvatting: Het beroep tegen de afwijzing van eisers asielaanvraag is gegrond. De minister heeft zijn standpunt over de mate van willekeurig geweld in Jemen als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn onvoldoende gemotiveerd. De minister heeft alle relevante omstandigheden -waaronder de humanitaire omstandigheden- globaal beoordeeld. Door uit te gaan van een globale weging en aanname bestaat het risico dat niet alle relevante omstandigheden, waaronder de humanitaire omstandigheden, voldoende indringend zijn betrokken. Ook blijkt niet duidelijk op welke manier de slechte humanitaire omstandigheden in de beoordeling zijn betrokken. Verder heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.14925 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. F.J.E. Hogewind), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. J. Becker). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Zo voert hij aan dat de minister ten onrechte zijn verklaringen over de problemen met [naam 1] vanwege een stuk grond ongeloofwaardig vindt. Verder voert hij aan dat in Jemen sprake is van een 15c-situatie en hij niet kan terugkeren. Volgens eiser heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat dit anders is. Tot slot voert eiser aan dat hij bij terugkeer naar Jemen in een situatie terecht komt die in strijd is met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. De minister heeft zijn standpunt over de mate van willekeurig geweld in [plaats 2] als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn onvoldoende gemotiveerd. Verder heeft de minister onvoldoende gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM . Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2. staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3. staat het asielrelaas van eiser en onder 4. wat de minister in het bestreden besluit hiervan vindt. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Daarbij gaat de rechtbank in op de gronden zoals hiervoor vermeld. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Procesverloop 2. Eiser heeft op 8 december 2023 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 11 maart 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De minister heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, R. Achamlale als tolk en de gemachtigde van de minister. Het asielrelaas 3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft verklaard [eiser] te zijn, geboren op [geboortedatum] 1989. Hij heeft verklaard dat hij de Jemenitische nationaliteit heeft en tot de [bevolkingsgroep 1] bevolkingsgroep behoort. Eiser heeft zijn hele leven in [plaats 1] gewoond en ging ongeveer één keer per jaar naar Jemen. Toen hij in 2021 in Jemen was, heeft hij problemen ondervonden met de [bevolkingsgroep 2] vanwege de naam van zijn zoon. Hij herleidt dit probleem tot zijn soennitische geloofsovertuiging en etniciteit. Verder heeft hij dat jaar ook problemen gehad met de zoon van een sjeik, [naam 2] . Eiser stelt dat omdat hij behoort tot een gemarginaliseerde groep in Jemen, zijn land is afgepakt door [naam 2] . Eiser is toen beland in een gevecht en is later opgezocht bij het huis van zijn oom. Omdat eiser daar niet was, is zijn oom tien dagen meegenomen en mishandeld. Eiser is teruggekeerd naar [plaats 1] en is in mei 2023 vertrokken nadat zijn werk niet langer garant stond voor hem. Hij is toen naar Nederland gekomen. Bij terugkeer naar Jemen vreest eiser voor gevangenneming en mishandeling wegens zijn problemen om het stuk grond. Ook vreest hij voor gedwongen rekrutering door de [bevolkingsgroep 2] , voor willekeurig geweld en vreest hij opnieuw problemen te krijgen vanwege de achternaam van zijn zoon. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen: identiteit, nationaliteit, herkomst en etniciteit; problemen met [bevolkingsgroep 2] vanwege de naam van eisers zoon; problemen met [naam 2] vanwege een stuk grond. 4.1. De minister vindt de identiteit, nationaliteit, herkomst en etniciteit geloofwaardig. Eisers etniciteit maakt volgens verweerder niet dat eiser wordt blootgesteld aan daden van vervolging. Zo vindt de minister niet aannemelijk dat eiser vanwege zijn etniciteit in Jemen geen toegang tot zorg heeft of dat hij bij terugkeer gedwongen wordt gerekruteerd door de [bevolkingsgroep 2] . Verder erkent de minister dat in [plaats 2] (het gebied waar eiser naar moet terugkeren) sprake is van een relatief hoger niveau van willekeurig geweld. Volgens de minister is echter niet gebleken dat sprake is van individuele omstandigheden die het risico op het willekeurig geweld verhogen en aannemelijk maken dat eiser een reëel risico op ernstige schade loopt. 4.2. De minister vindt de problemen met [bevolkingsgroep 2] vanwege de naam van eisers zoon geloofwaardig, maar stelt dat niet is gebleken dat zijn vrees hiervoor zwaarwegend genoeg is. 4.3. De verklaringen van eiser over de problemen met [naam 2] vanwege een stuk grond vindt de minister niet geloofwaardig. 4.4. Tot slot stelt de minister dat eiser niet onmiddellijk asiel heeft aangevraagd toen dat mogelijk was. 4.5. De minister concludeert dat de asielaanvraag moet worden afgewezen als kennelijk ongegrond. Beoordeling door de rechtbank Wat beoordeelt de rechtbank niet? 5. Eiser heeft geen beroepsgronden aangevoerd tegen het standpunt van de minister over de verplichte rekrutering, de vrees voor de [bevolkingsgroep 2] vanwege de naam van zijn zoon en dat niet onmiddellijk asiel is aangevraagd. De rechtbank beoordeelt dat daarom niet. Zijn de verklaringen van eiser over de problemen met [naam 2] geloofwaardig? 6. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de verklaringen van eiser over zijn gestelde problemen met [naam 2] wegens een stuk grond niet geloofwaardig zijn. Hiervoor is het volgende van belang. 6.1. Eiser heeft tegenstrijdig verklaard over hoe [naam 2] op de hoogte was van zijn identiteit. Zo heeft eiser enerzijds verklaard dat hij achter zijn naam is gekomen via zijn oom (p.17 NG) en anderzijds dat hij op straat werd gevraagd naar wie hij was en dat hij zo achter zijn identiteit is gekomen (p.17 NG). Vervolgens stelt eiser dat de zoon van de sjeik weet wie hij is, omdat de zoon wist dat het stuk land van eiser was (p.18 NG). Dit is tegenstrijdig. Dat eiser stelt dat hij enkel suggesties deed over hoe [naam 2] mogelijk op de hoogte is gekomen van zijn identiteit, lees de rechtbank niet zo uit het verslag van het nader gehoor. Verder wordt niet gevolgd dat -zoals eiser stelt- de mensen uit de wijk en om en nabij de grond van zijn oom eiser kende en wisten wie hij was door eerdere bezoeken aan zijn oom én dat hij daar getrouwd is. Daarvoor is relevant dat, zoals in het bestreden besluit staat, het inwoneraantal van [plaats 3] rond de 37.000 ligt. Niet wordt ingezien hoe iedereen op de hoogte is van ieders locatie en verblijf. 6.2. Eiser heeft geen gronden aangevoerd tegen het standpunt van de minister dat eisers verklaringen over waar [naam 2] invloed op heeft en wat zijn functie en/of rol is summier en oppervlakkig zijn. Dit is tussen partijen dus niet in geschil. 6.3. Verder heeft eiser summier verklaard over de groep mensen die zijn oom hebben meegenomen en heeft verweerder dat terecht relevant gevonden voor de beoordeling van het asielrelaas. Eiser heeft verklaard dat [naam 2] en zijn groep zijn oom hebben meegenomen. Eiser kan echter niet duiden hoeveel mensen er aanwezig waren tijdens dat moment. Aangezien eiser op een later moment met zijn neef heeft gesproken over het incident, mag van eiser worden verwacht dat hij meer details zou kunnen verklaren over de groep die verantwoordelijk is voor het meenemen van zijn oom vanwege de problemen van eiser. Aangezien eiser stelt de problemen te ondervinden met [naam 2] , was het voor hem belangrijk om te weten hoe groot de groep was. Dit zegt namelijk iets over de kracht van [naam 2] waar hij voor stelt te vrezen. Daarbij merkt de rechtbank op dat eiser niet wordt gevolgd in zijn stelling dat hij enkel problemen heeft met [naam 2] en niet met zijn groep. Uit het verslag van het nader gehoor volgt dat eiser eerst verklaart dat hij problemen heeft met [naam 2] . Vervolgens zegt hij ‘zij wilden mij hebben’ en duidt eiser meerdere keren uit eigen beweging de actor van zijn problemen aan als ‘ze’ (p.10 en 14 NG). 6.4. Verder verklaart eiser summier over de kern van het conflict met [naam 2] . Niet voldoende duidelijk is waarom [naam 2] specifiek eisers stuk land wil hebben. Van eiser had wel verwacht mogen worden dat hij hierover duidelijker kan verklaren nu dit de kern van het conflict betreft. Dat eiser mogelijke redenen aanhaalt waarom [naam 2] het land wil hebben, biedt geen aanleiding voor een andere conclusie. Van eiser mag worden verwacht dat hij concreter kan verklaren over het conflict. Of dat hij hierover navraag heeft gedaan. Daarvan is niet gebleken. 6.5. Verder heeft eiser ongerijmd verklaard over de reden waarom zijn oom zou zijn meegenomen vanwege de problemen die eiser met [naam 2] heeft. Los van de vraag of de oom van eiser een verklaring heeft moeten ondertekenen voordat hij werd vrijgelaten, heeft de minister mogen vinden dat eiser weinig en onduidelijk heeft verklaard over waarom zijn oom überhaupt zou zijn opgepakt. Eiser verklaart dat hij een duw-incident had met [naam 2] en dat hij hierom en vanwege het stuk land door [naam 2] en zijn handlangers werd gezocht. Zij zochten eiser bij zijn oom, omdat hij daar altijd verblijft als hij in Jemen is en zijn oom het dichts bij hem staat (p.14 NG). Toen zij eiser niet konden vinden, hebben ze zijn oom meegenomen om bij eiser te komen (p.15 NG). Eiser verschaft echter geen duidelijkheid over waarom [naam 2] en zijn handlagers wisten dat zij eiser bij zijn oom konden vinden. Dat het een kleine gemeente is en iedereen elkaar kent, is niet voldoende. Daarvoor wordt verwezen naar wat hiervoor onder 6.1. is overwogen. Eiser verschaft ook onvoldoende duidelijkheid over de vraag waarom ze zijn oom meenamen die niet bij het duw-incident was betrokken (en overigens ook niet bij het geschil over het stuk land), terwijl eiser zelf na de duw heeft kunnen vertrekken. Is de 15c-beoordeling van de minister voldoende? 7. De rechtbank is van oordeel dat de minister zijn standpunt over de mate van willekeurig geweld - als bedoeld in artikel 15c van de Kwalificatierichtlijn - in Jemen en in het bijzonder in de provincie [plaats 2] onvoldoende heeft gemotiveerd. Daarvoor vindt de rechtbank het volgende van belang. 7.1. De minister heeft toepassing gegeven aan het landenbeleid ten aanzien van Jemen dat geldt vanaf 17 oktober 2025. In de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 7 mei 2026 is echter geoordeeld dat de minister met dit landenbeleid niet heeft voldaan aan de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 16 juli 2025. De rechtbank sluit aan bij dit oordeel. In het landenbeleid is onvoldoende ingegaan op de specifieke situatie in de verschillende provincies en is onvoldoende duidelijk hoe de slechte humanitaire omstandigheden in de beoordeling zijn betrokken. 7.2. Hoewel de minister in het verweerschrift voor specifiek [plaats 2] een beoordeling heeft gemaakt, maakt dit de conclusie niet anders. In het verweerschrift heeft de minister alle relevante omstandigheden -waaronder de humanitaire omstandigheden- ‘ globaal ’ beoordeeld, waarbij de minister heeft betoogd dat het hoogst onwaarschijnlijk is dat humanitair omstandigheden leiden tot het aannemen van het hoogste niveau van willekeurig geweld. Door uit te gaan van een dergelijke globale weging en aanname bestaat het risico dat niet alle relevante omstandigheden, waaronder de humanitaire omstandigheden, voldoende indringend zijn betrokken. Een allesomvattende beoordeling van de relevante omstandigheden brengt immers met zich dat alle omstandigheden worden meegewogen en het relatieve gewicht van elke omstandigheid afhankelijk is van de mate waarin deze omstandigheden bijdragen aan willekeurig geweld en burgerslachtoffers. De rechtbank sluit in haar beoordeling aan bij de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Den Haag, van 14 april 2026. 7.3. Verder blijkt uit het verweerschrift niet duidelijk op welke manier de slechte humanitaire omstandigheden in de beoordeling zijn betrokken. Niet duidelijk is of, en in welke mate, de actuele humanitaire omstandigheden in [plaats 2] het directe of indirecte gevolg zijn van het handelen van de strijdende partijen. Weliswaar zal voor veel actuele humanitaire omstandigheden gelden dat daaraan een combinatie van factoren en oorzaken ten grondslag ligt, waarvan de invloed niet makkelijk van elkaar is te onderscheiden. Dit neemt echter niet weg dat wat in het verweerschrift staat te algemeen van aard is. Ook is onvoldoende duidelijk hoe vervolgens de humanitaire omstandigheden ten opzichte van de andere omstandigheden zijn gewogen, en hoe alle omstandigheden tezamen tot de conclusie hebben kunnen leiden dat geen sprake is van het hoogste niveau van willekeurig geweld. 7.4. Gelet op het voorgaande is de rechtbank van oordeel dat de minister zijn standpunt over de mate van willekeurig geweld voor Jemen en in het bijzonder voor de provincie [plaats 2] ook in het verweerschrift onvoldoende heeft gemotiveerd. Wat eiser in het kader van zijn beroep op artikel 15c nog heeft aangevoerd over zijn individuele omstandigheden, behoeft daarom geen bespreking meer. Heeft de minister een beoordeling gemaakt op grond van artikel 3 van het EVRM? 8. De rechtbank is van oordeel dat de minister in het bestreden besluit onvoldoende heeft gemotiveerd dat eiser bij terugkeer geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Dit motiveringsgebrek is in het verweerschrift onvoldoende hersteld. Daarvoor is het volgende van belang. 8.1. De minister stelt dat de humanitaire omstandigheden in grote mate geen verband houden met de strijdende partijen. Volgens de minister beïnvloeden de strijdende partijen de humanitaire omstandigheden op een negatieve manier, maar zijn hiervoor niet verantwoordelijk. Dit standpunt heeft de minister in het kader van artikel 3 van het EVRM onvoldoende gemotiveerd. Zoals hiervoor overwogen, heeft de minister dit ook onvoldoende gedaan in het kader van de 15c-beoordeling. Een verwijzing naar die beoordeling gaat dus niet op. Daar komt bij dat eiser terecht stelt dat de minister in het kader van de beoordeling in de zin van artikel 3 van het EVRM geen rekening heeft gehouden met zijn individuele omstandigheden, terwijl deze wel naar voren zijn gebracht. Zo heeft eiser zijn medische gesteldheid (MS) en etniciteit naar voren gebracht en gesteld dat hij zich hierdoor niet zomaar kan verplaatsen naar een veilige plek. Conclusie en gevolgen 9. De minister heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit op het punt van de 15c-beoordeling en het 3 EVRM risico niet voldoende gemotiveerd is. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen reden om aan de minister op te dragen het gebrek te herstellen met een betere motivering of een ander besluit (een zogenoemde bestuurlijke lus). Dit omdat dit volgens de rechtbank geen doelmatige en efficiënte manier is om de zaak af te doen. 9.1. De rechtbank bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht dat de minister een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft de minister hiervoor zes weken. 9.2. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit van 11 maart 2026; - draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak en met in achtneming van de inhoud ervan een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak; - veroordeelt de minister tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 6 juli 2026 Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Paragraaf C9/19 Vreemdelingencirculaire 2000. ECLI:NL:RBDHA:2026:10815. ECLI:NL:RVS:2025:3153. ECLI:NL:RBDHA:2026:9143, overweging 21.2.