ECLI:NL:RBDHA:2026:18893
Rechtbank Den Haag · 2026-07-06 · Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Eerste beroep bewaring – 59b, eerste lid, aanhef en onder b - ingesteld beroep en kennisgeving – zaak aanhangig door kennisgeving – intrekking beroep – ambtshalve toetsing maatregel – beroep ongegrond
Materiële kern
uitspraak RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.35496 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. R.M. Seth Paul), en de minister van Asiel en Migratie, de minister (gemachtigde: mr. K. Kanters). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend.1 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. De maatregel van vreemdelingenbewaring voldoet aan de voorwaarden. De minister hoefde niet te kiezen voor een lichter middel. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 22 juni 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. 2.1. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding.2 Daarnaast heeft eiser ook zelf beroep ingesteld op 26 juni 2026 om 12:37 uur. 1. Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. 2 Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. 2.2. De rechtbank heeft partijen op 3 juli 2026 uitgenodigd voor de behandeling van de zaak op zitting. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 6 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser heeft een afstandsverklaring ondertekend en heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Beoordeling door de rechtbank Is er sprake van een beroepsprocedure? 3. De rechtbank stelt vast dat onderhavig zaaknummer, NL26.35496, is aangemaakt aan de hand van het beroep dat gemachtigde van eiser heeft ingediend op 26 juni 2026 om 12:37 uur. De rechtbank stelt hiernaast vast dat de minister het Centraal Inschrijfbureau Vreemdelingenzaken (CIV) onverwijld in kennis heeft gesteld van de maatregel van bewaring op 22 juni 2026. De rechtbank heeft deze kennisgeving per abuis gekoppeld aan een eerder ingesteld vervolgberoep van eiser, in de zaak NL26.34193, waardoor er door de rechtbank geen nieuwe zaak met gekoppelde beroepsprocedure is aangemaakt. Op 29 juni 2026 heeft de rechtbank deze kennisgeving alsnog toegevoegd aan het dossier met zaaknummer NL26.35496. 4. Op 2 juli 2026 heeft de gemachtigde van eiser aangegeven de zaak te willen intrekken en heeft vervolgens een intrekkingsverklaring aan het digitale dossier toegevoegd. De rechtbank heeft per abuis op 2 juli 2026 de intrekking van het beroep van eiser bevestigd, waarbij zij gemachtigde van eiser heeft meegedeeld dat de beroepsprocedure is beëindigd. De rechtbank heeft daarop dezelfde dag telefonisch contact opgenomen met de gemachtigde van eiser en aangegeven de zaak op 6 juli 2026 om 10:05 uur op zitting te willen behandelen. De rechtbank heeft toen gevraagd of gemachtigde die dag beschikbaar was. Nu dit het geval was kon de behandeling van de zaak op 6 juli 2026 plaatsvinden. Op 3 juli 2026 heeft de gemachtigde van eiser hier ook een schriftelijke aankondiging van gehad. 5. Eiser stelt zich op het standpunt dat er geen zaak meer aanhangig is nadat hij het beroep op 2 juli 2026 heeft ingetrokken. De gemachtigde van eiser heeft ter zitting aangevoerd dat het beroep door gemachtigde van eiser zelf is ingediend, waardoor deze niet gekoppeld is aan de kennisgeving van 22 juni 2026. Volgens de gemachtigde van eiser is er in onderhavige procedure dus ook geen sprake van een procedure ingeleid door een kennisgeving maar van een door eiser zelf ingesteld beroep. Eiser gaf ter zitting vervolgens aan dat hij beroep had ingesteld, omdat er geen kennisgeving was. Nadat de kennisgeving in het dossier was toegevoegd heeft eiser besloten het beroep te willen intrekken. 6. De rechtbank oordeelt als volgt. In artikel 94, eerste lid, van de Vw is opgenomen dat de minister onverwijld na de bekendmaking van een besluit tot oplegging van een vrijheidsontnemende maatregel als bedoeld in artikel 59b van de Vw de rechtbank hiervan in kennis stelt. Gelet op hetgeen dat onder 3. is vastgesteld is de kennisgeving door de minister verstuurd op 22 juni 2026. Deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, heeft in de uitspraak van 3 juli 2026 geoordeeld dat de spoedige rechterlijke toetsing van het opleggen van de maatregel van bewaring alleen kan worden ingeleid via de kennisgeving daarvan door de minister en dat met deze kennisgeving vervolgens ook de verplichting ontstaat voor de rechtbank om de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring te toetsen.3 Het feit dat de rechtbank hier geen apart zaaknummer voor heeft aangemaakt en voor deze kennisgeving geen nieuwe beroepsprocedure voor heeft gestart, doet daar niet aan af. Ongeacht het instellen van het beroep door de gemachtigde van eiser, is de rechtbank gehouden aan spoedige rechterlijke toetsing op grond van de kennisgeving van 22 juni 2026. De rechtbank merkt hierbij op dat de gemachtigde van eiser telefonisch op de hoogte is gebracht van de geplande hoorzitting op 3 juli 2026. Daarnaast heeft de rechtbank de gemachtigde van eiser schriftelijk voor de hoorzitting op 3 juli 2026 uitgenodigd en was de gemachtigde van eiser tenslotte ook aanwezig op de zitting van 3 juli 2026. De rechtbank volgt eiser dan ook niet in zijn betoog dat er geen sprake kan zijn een aanhangige zaak. 7. Dit betekent dat de rechtbank, in ieder geval zolang de vrijheidsontneming nog voortduurt, de rechtmatigheid van de maatregel van bewaring moet kunnen toetsen, ook als de vreemdeling daarop geen prijs stelt en tracht de kennisgeving, welke door eiser in onderhavig geval wordt aangemerkt als een beroep, wil intrekken. Daarbij komt dat de door het Hof genoemde strikte kaders met de huidige Opvangrichtlijn nog strikter zijn geworden, nu een niet tijdige rechterlijke toets tot onmiddellijke invrijheidsstelling leidt. Een mogelijkheid voor de vreemdeling om deze rechtelijke toets onmogelijk te maken door de met een beroep gelijkgestelde kennisgeving in te trekken en daarmee zijn invrijheidstelling te bewerkstelligen, verdraagt zich naar het oordeel van de rechtbank dan ook niet met de doelstellingen van het Unierecht.4 8. Ter zitting is aan de gemachtigde van eiser gevraagd, indien de rechtbank oordeelt dat de zitting weldegelijk ziet op een procedure ingeleid door de kennisgeving, of er dan nog inhoudelijke gronden aangevoerd worden tegen de maatregel. De gemachtigde van eiser heeft hierop aangegeven hierop niet te kunnen reageren nu dit innerlijk tegenstrijdig zou zijn met het reeds ingenomen standpunt. In de concrete zaak van eiser betekent dit dat de rechtbank, nu eiser geen inhoudelijke gronden heeft ingediend, het opleggen en het voortduren van de maatregel ambtshalve zal beoordelen. Toetsingskader 9. De minister kan in vreemdelingenbewaring stellen de vreemdeling die die rechtmatig verblijf heeft op grond van artikel 8, aanhef en onder f, subonderdeel 2° of onder h, subonderdeel 2°, van de Vw voor zover dit betrekking heeft op een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw, als vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het vaststellen van de gegevens die ten grondslag liggen aan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel als bedoeld in artikel 28 van de Vw en die niet zouden kunnen worden verkregen indien de aanvrager niet in vreemdelingenbewaring zou worden gehouden, met name wanneer er sprake is van een onderduikrisico.5 Deze grond voor vreemdelingenbewaring is aanwezig, als door middel van vreemdelingenbewaring de gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een aanvraag tot het verkrijgen van een verblijfsvergunning kunnen worden verkregen en zich ten minste twee van de gronden, genoemd in artikel 5.6, tweede lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb) zich voordoen.6 3 ECLI:NL:RBOBR:2026:4758, onder r.o. 5.6. 4 ECLI:NL:RBOBR:2026:4758, onder r.o. 5.9. 5 Dit volgt uit artikel 59b, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw. 6 Dit volgt uit artikel 5.7, tweede lid, van het Vb. 9.1. De minister stelt een vreemdeling slechts in vreemdelingenbewaring, voor zover geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast en de vreemdelingenbewaring blijft achterwege of wordt beëindigd, indien deze niet langer noodzakelijk is met het oog op het doel van de vreemdelingenbewaring. In het besluit tot vreemdelingenbewaring vermeldt de minister de feitelijke en juridische gronden waarop de vreemdelingenbewaring is gebaseerd en de reden dat geen minder dwingende maatregelen doeltreffend kunnen worden toegepast.7 De aan eiser opgelegde maatregel van vreemdelingenbewaring 10. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de vreemdelingenbewaring noodzakelijk is met het oog op het verkrijgen van gegevens die noodzakelijk zijn voor beoordeling van een asielaanvraag. 10.1. In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser: Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; d. in verband met zijn aanvraag om toelating onjuiste of tegenstrijdige gegevens heeft verstrekt over zijn identiteit, nationaliteit of de reis naar Nederland of een andere lidstaat; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vb heeft gehouden; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. Kunnen de door de minister vermelde gronden de maatregel dragen? 11. De rechtbank stelt vast dat eiser de gronden die door de minister in de maatregel van vreemdelingenbewaring zijn opgenomen, niet betwist. Ook naar het ambtshalve oordeel van de rechtbank kunnen deze gronden, bezien in samenhang met de daarop in de maatregel gegeven toelichting, het bestaan van een risico op onderduiken dragen. Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel? 12. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan.8 Conclusie en gevolgen 13. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. 7 Dit volgt uit artikel 59c van de Vw. 8 Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858 en 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep ongegrond; wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. W.A. Berghuis, rechter, in aanwezigheid van J.M. Pattynama, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 06 juli 2026 Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier.