ECLI:NL:RBDHA:2026:18892
Rechtbank Den Haag · 2026-07-06 · Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Samenvatting: de minister heeft de asielaanvraag van eiser mogen afwijzen. Het asielrelaas van eiser over de problemen die hij heeft met de militair waar hij voor werkte (als herder van dromedarissen), heeft verweerder terecht ongeloofwaardig mogen vinden. Verder ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat de afwijzing onzorgvuldig tot stand is gekomen omdat onvoldoende rekening zou zijn gehouden met het referentiekader van eiser. Het beroep is ongegrond.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Utrecht Bestuursrecht zaaknummer: NL26.14987 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [V-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. G.J. Dijkman), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. J. Becker). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Zo voert eiser aan dat de minister onvoldoende kenbaar rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. Verder voert eiser aan dat de minister ten onrechte zijn problemen met de militair niet geloofwaardig vindt. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven. De minister heeft voldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser. Verder heeft de minister terecht de problemen met de militair niet geloofwaardig gevonden. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. Onder 2. staat het procesverloop in deze zaak. Onder 3. staat het asielrelaas van eiser en onder 4. de reden waarom de minister de asielaanvraag van eiser heeft afgewezen. De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Daarbij gaat de rechtbank in op de gronden zoals hiervoor vermeld. Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan. Procesverloop 2. Eiser heeft op 29 oktober 2023 een asielaanvraag ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 12 maart 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 23 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, I. Mouhssen als tolk en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft verklaard [eiser] te zijn, geboren op [geboortedatum] 2004. Hij heeft verklaard dat hij de Tsjadische nationaliteit heeft en tot de [bevolkingsgroep] behoort. Eiser is al sinds kleins af aan herder voor een militair genaamd [naam] . Tegenwoordig doet hij dit samen met zijn vrouw. Hij past voor hem op zijn dromedarissen. Op een dag kreeg eiser last van hoofdpijn door de zon en de warmte. Hij is toen onder een boom in slaap gevallen. Terwijl hij sliep zijn er drie dromedarissen in een waterput gevallen en overleden. Toen de militair hierachter kwam heeft hij eiser twee keer gestoken en een steen op zijn hoofd gegooid. De militair dacht dat eiser dood was. Terwijl dit plaatsvond is zijn vrouw opgepakt en meegenomen. Toen eiser in de avond wakker werd, is hij gevlucht. Hij is naar het ziekenhuis in [plaats 1] gegaan en heeft daar vijf dagen verbleven. Daarna heeft hij twee dagen in het ziekenhuis in [plaats 2] gelegen. De militair kwam er in [plaats 1] achter dat eiser naar [plaats 2] was gegaan. De broers van de militair zijn eiser gevolgd naar [plaats 2] waar zij eisers moeder hebben vermoord. Daarna is hij gevlucht uit [plaats 3] . Bij terugkeer vreest eiser dat de militair hem zal opzoeken en vermoorden. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende relevante elementen: identiteit, nationaliteit en herkomst; problemen met de militair. De minister vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. De problemen met de militair vindt de minister niet geloofwaardig. Volgens de minister vormen eisers verklaringen hierover geen samenhangend en aannemelijk geheel. De minister concludeert dat eiser geen vluchteling is in de zin van het Vluchtelingenverdrag en bij terugkeer naar [plaats 3] geen reëel risico loopt op ernstige schade. De minister heeft daarom de asielaanvraag van eiser afgewezen. Heeft de minister voldoende rekening gehouden met het referentiekader van eiser? 5. Alhoewel het zorgvuldiger was geweest om in het bestreden besluit iets op te nemen over het referentiekader en op welke manier de minister hier rekening mee heeft gehouden in de motivering, ziet de rechtbank geen aanleiding voor het oordeel dat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen. Daarvoor vindt de rechtbank het volgende van belang. 5.1. Eiser voert aan dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met dat hij op zeer jonge leeftijd de positie van herder kreeg en nauwelijks scholing heeft gehad. De rechtbank ziet dit anders. In het bestreden besluit is de minister ingegaan op de verklaringen van eiser dat hij op zeer jonge leeftijd de positie van herder heeft gekregen. Hij heeft dit werk tot zijn vertrek uit [plaats 3] gedaan, toen hij 18 jaar was. De minister heeft dit op verschillende punten in het besluit benoemd en bij zijn afweging betrokken. Gelet op de lange periode dat hij herder was, heeft de minister terecht gesteld dat van hem verwacht mag worden dat hij in staat is om te verklaren over wat een herder van dromedarissen zoal doet. Daar komt bij dat de minister hem niet tegenwerpt dat hij geen jaartallen kan noemen. Dat eiser hiërarchisch gezien een lagere positie heeft dan de militair, betekent niet dat hij niet voldoende kan verklaren over de redenen waarom hij asiel aanvraagt. Daarbij komt dat eiser zijn stelling dat hij gezien deze positie de militair geen vagen kon stellen en daarom op punten niet duidelijker heeft kunnen verklaren, niet onderbouwd. 5.2. Verder ziet de rechtbank in het rapport nader gehoor geen aanknopingspunten dat eiser bepaalde vragen niet begreep of niet voldoende kon beantwoorden vanwege zijn referentiekader, en meer in het bijzonder het gebrek aan scholing. Daarbij heeft de gehoormedewerker voorafgaand aan het gehoor eiser verteld dat als er vragen tijdens het gehoor zijn waar hij moeite mee heeft, om welke reden dan ook, hij dit kan aangeven. Eiser heeft van die mogelijkheid geen gebruik gemaakt. Daarnaast heeft eiser bij de afsluitende vragen en mededelingen desgevraagd geantwoord de tolk goed te hebben kunnen verstaan en begrijpen, waarna hij heeft opgemerkt dat hij geen op- of aanmerkingen heeft over de werkwijze van de tolk. Vervolgens heeft eiser gebruik gemaakt van de mogelijkheid om correcties en aanvulling te geven op het rapport nader gehoor en zijn zienswijze te geven op het voornemen. Ook hierin ziet de rechtbank geen aanknopingspunten voor de conclusie dat eiser bepaalde vragen niet begreep of dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiser. Heeft de minister de problemen met de militair ongeloofwaardig mogen vinden? 6. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat de problemen van eiser met de militair ongeloofwaardig zijn. Daarvoor heeft de minister het volgende van belang mogen vinden. 6.1. Het standpunt van de minister dat niet valt in te zien dat eiser geen voorzorgsmaatregelen zou hebben getroffen om ongelukken met de dromedarissen te voorkomen, staat niet langer ter discussie. De grond die eiser hiertegen had gericht, heeft hij op de zitting ingetrokken. 6.2. De minister heeft zich op het standpunt mogen stellen dat eiser niet aannemelijk en ongerijmd heeft verklaard over de bedreigingen door de militair. Eiser stelt dat de militair zou hebben gezegd dat eiser de dromedarissen opzettelijk zou hebben gedood en hij hem wilde vermoorden. Eiser maakt niet aannemelijk waarom de militair dit zou denken. Het ligt op de weg van eiser -en niet op die van de minister- om dit aannemelijk te maken. Dat is niet gebeurd. De minister heeft ongerijmd mogen vinden dat bij het eerste incident -het overlijden van drie dromedarissen- de militair eiser direct aanvalt en wil vermoorden. Daarbij heeft de minister relevant mogen vinden dat eiser al jarenlang voor de militair werkzaam is en kennelijk zonder noemenswaardige problemen en dat hij direct naar de militair is gegaan om over het incident te vertellen. Dat de minister een aanname doet door een oplossing aan te dragen voor het conflict (dat eiser drie dromedarissen van hemzelf aan de militair zou geven), maakt niet dat eisers verklaringen geloofwaardig moeten worden geacht. Van eiser mag worden verwacht dat hij gedetailleerder kan verklaren over de omstandigheden rondom het incident, aangezien dit de kern van eisers asielrelaas raakt. Verder heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt hoe de militair wist dat eiser niet dood was, maar in het ziekenhuis lag. De militair zou dit van mensen hebben gehoord. En eiser zou dit ook weer van mensen hebben gehoord. Eiser kan echter geen duidelijkheid verschaffen over de mensen van wie hij dit heeft gehoord. Door alleen te stellen dat ‘mensen’ dit vertelden, onderbouwt hij zijn verklaringen niet en blijft het summier. Ook stelt eiser dat zijn vader heeft verteld dat de militair hem dood wilde hebben, maar heeft hij daarover niet in meer detail kunnen verklaren. De minister heeft opmerkelijk mogen vinden dat eiser hier geen vragen over heeft gesteld of heeft geïnformeerd hoe zijn vader aan deze informatie is gekomen. 6.3. Verder heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat eiser summier heeft verklaard over de moord op zijn moeder. Eiser heeft alleen verklaard dat zijn vader bij hem in het ziekenhuis was in [plaats 2] toen hij via de buren hoorde dat er een inval was gedaan waarbij zijn moeder zou zijn vermoord. Volgens eiser heeft de moord op zijn moeder te maken met de problemen die hij met de militair zou hebben. Eiser baseert dit op informatie van derden. Hij onderbouwt dit verder niet en kan hierover ook niet meer verklaren. Dit mag wel van hem worden verwacht. De stelling van eiser dat hij niet over iets kan verklaren waar hij niet bij was, maakt dit niet anders. Van eiser had immers verwacht mogen worden dat hij zijn vader vragen zou stellen over wat er verder in het telefoongesprek is verteld – of op een later moment duidelijk is geworden. Niet gebleken is dat eiser dat heeft gedaan. Daar komt bij dat hier tijdens het nader gehoor op is doorgevraagd. Zo is gevraagd of de buren meer hebben verteld over hoe de inval ging. 6.4. De minister heeft de verklaringen van eiser over de ontvoering van zijn vrouw summier en ongerijmd mogen vinden. Eiser verklaart dat zijn vrouw is opgepakt en meegenomen toen hij werd neergestoken door de militair. Op een gegeven moment is zijn vrouw weggerend en naar haar vader vertrokken. Hier is eiser achter gekomen toen hij in 2025 een keer met zijn vrouw belde. Niet wordt gevolgd dat eiser maar één keer met zijn vrouw heeft gesproken over haar ontvoering én dat hij hier niet meer over kan verklaren. De minister mag van eiser verwachten dat hij meer vraagt aan zijn vrouw als zij is lastiggevallen door de persoon die ervoor gezorgd heeft dat hij gevlucht is. Zoals de specifieke problemen die zijn vrouw heeft ervaren met de militair, de eventuele problemen die zij verder heeft ervaren met de militair en over de terugkeer bij haar vader. Dit geldt te meer omdat dit fundamentele onderdelen zijn van eisers asielrelaas. Dat partijen het woord ‘nu’ op pagina 10 van het verslag van het nader gehoor anders interpreteren, maakt het voorgaande niet anders. Het gaat over de volgende passage: V: Heeft uw vrouw problemen ervaren met de militair? A: Dat weet ik nu eigenlijk niet. Sinds ik met het mes gestoken ben, ben ik niet meer teruggekeerd naar huis. De rechtbank leest dit zo dat eiser op het moment van de vraagstelling niet kan bedenken of zijn vrouw problemen had met de militair. Het is daarmee ongerijmd dat eiser vervolgens verklaart dat zijn vrouw is opgepakt en meegenomen vanwege de problemen die hij heeft met de militair. 6.5. Verder heeft de minister zich op het standpunt mogen stellen dat eiser summier en ongerijmd heeft verklaard over dat hij herder is. Aan eiser zijn vragen gesteld over zijn werk als herder en hoe hij hieraan is gekomen. Zo is hem gevraagd hoe lang hij voor de militair heeft gewerkt, hoe oud hij was toen hij begon, of zijn vader de militair al kende voordat hij eiser wierf voor het werk en of zijn vader nog enig contact onderhoudt met de militair. Op deze vragen kan eiser geen antwoord geven of verklaart hij summier. Ook over de rol van de militair verklaart eiser summier. Hij verklaart dat de militair een grote, bekende militair is. Van eisers mogen gedetailleerder antwoorden worden verwacht, omdat hij het grootse deel van zijn leven voor de militair heeft gewerkt en hij veel met hem in contact kwam. Verder heeft de minister ongerijmd mogen vinden dat eiser in staat was als kleine jongen al alleen voor 100 dromedarissen te zorgen, en deze ‘s avonds afzonderlijk vast te binden voor de nacht. Verder heeft de minister onwaarschijnlijk mogen vinden dat eiser vanwege de omvang van de kudde, de duur van de werkzaamheden en de aard van zijn verantwoordelijkheden als herder, niet eerder heeft meegemaakt dat een dromedaris ziek was of is overleden. Verder heeft eiser niet inzichtelijk gemaakt waar de dromedarissen voor worden gebruikt. De enkele stelling dat de dromedarissen soms door de militair met een veewagen werden opgehaald, is onvoldoende. Vanwege de lange tijd dat eiser herder van dromedarissen is geweest, mag verwacht worden dat hij gedetailleerder kan verklaren over het werk en de dieren. Verder heeft de minister ongerijmd mogen vinden dat eiser geen voorzorgsmaatregel heeft getroffen om ervoor te zorgen dat de dromedarissen veilig zouden blijven. Volgens eiser zou het vrij makkelijk zijn dat de dieren in de put kunnen vallen. Niet valt in te zien dat hij, als herder van deze dieren en zijn jarenlange ervaring, geen voorzorgsmaatregelen zou treffen. Dit wordt -zie wat hiervoor in punt 6.1 is overwogen- door eiser ook niet weersproken. Conclusie en gevolgen 7. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser Nederland moet verlaten. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. J.H. Lange, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Westerhof, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: 6 juli 2026. Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen.