← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:18886

Rechtbank Den Haag · 2026-07-07 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL25.61707 en uNL25.61713
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
30.100 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Asiel, Eritrea, geloofwaardigheid, desertie zoon, dienstplicht, handicap, zwaarwegendheid, ongegrond.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummers: NL25.61707 en NL25.61712 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 7 juli 2026 in de zaken tussen [eiseres], v-nummer: [nummer 1], eiseres [eiser], v-nummer: [nummer 2], eiser Samen: eisers (gemachtigde: mr. A.D. Kupelian), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. D. Post). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvragen van eisers als kennelijk ongegrond. Eisers zijn het hier niet mee eens. Zij voeren daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvragen. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvragen in stand kan blijven. De minister heeft zowel de problemen van eisers door de desertie van hun zoon als het ontduiken van de dienstplicht door eiser zelf terecht ongeloofwaardig geacht. Eisers vallen niet onder de reikwijdte van het Vluchtelingenverdrag en hebben bovendien niet aannemelijk gemaakt dat ze bij terugkeer naar Eritrea een reëel risico lopen op ernstige schade. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. 1.2. De rechtbank zet hierna eerst het procesverloop, het asielrelaas en het bestreden besluit uiteen (2-4). De beoordeling door de rechtbank volgt vanaf 5. Daarbij gaat de rechtbank in op de vraag of de minister de problemen van eisers door de desertie van hun zoon ongeloofwaardig mocht achten (vanaf 6.1), of de minister ongeloofwaardig mocht achten dat eiser problemen heeft ondervonden door het niet (opnieuw) vervullen van zijn dienstplicht (vanaf 13), of de minister mocht concluderen dat eisers niet onder de reikwijdte van het Vluchtelingenverdrag vallen (18) en of eisers aannemelijk hebben gemaakt dat ze bij terugkeer naar Eritrea een reëel risico lopen op ernstige schade (19). Aan het eind staat de beslissing van de rechtbank en de gevolgen daarvan (21). Procesverloop 2. Eisers hebben allebei een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met de bestreden besluiten van 16 december 2025 deze aanvragen afgewezen als kennelijk ongegrond. 2.1. Eisers hebben beroep ingesteld tegen de bestreden besluiten. 2.2. De rechtbank heeft de beroepen gevoegd behandeld op de zitting van 10 april 2026. Hieraan hebben deelgenomen: eisers, de gemachtigde van eisers en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eisers leggen aan hun asielaanvragen het volgende ten grondslag. De zoon van eisers was dienstplichtig, maar is gedeserteerd. Hierdoor is het leger naar hem op zoek en zijn ook eisers in de problemen gekomen. Eiseres is in september 2022 meegenomen door het leger en haar is toen opgedragen om binnen een maand haar zoon te brengen voor het vervullen van zijn dienstplicht. Dit heeft eiseres niet gedaan. De zoon van eisers zit nog steeds ondergedoken. Het leger is daarop bij het huis van eisers langsgeweest en heeft ossen en een kameel meegenomen en het huis verzegeld. Eiser zelf is in 2020 opgeroepen voor zijn dienstplicht maar heeft hier geen gehoor aan gegeven. Eisers hebben Eritrea daarna legaal verlaten nadat zij op alternatieve wijze de benodigde uitreispapieren hebben verkregen. Zij zijn sindsdien langer dan de toegestane duur van drie maanden weggebleven. Bij terugkeer zullen zij daarom in de negatieve aandacht van de autoriteiten staan. Verder stelt eiser dat hij tijdens de onafhankelijkheidsoorlog als dienstplichtige heeft gediend en gehandicapt is geraakt. De overheid heeft hem na de oorlog onvoldoende ondersteund. Bij terugkeer zal hij niet langer in staat zijn om zich staande te houden. De bestreden besluiten 4. Het asielrelaas van eisers bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: 1. identiteit, nationaliteit en herkomst 2. problemen vanwege de desertie van een zoon van eisers 3. ten aanzien van eiser: het geen gehoor geven aan de oproep tot dienstplicht door eiser. 4.1. De identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers zijn geloofwaardig geacht. De problemen vanwege de dienstplicht van de zoon van eisers zijn volgens de minister niet geloofwaardig. Eisers hebben niet met objectieve documenten onderbouwd dat zij een zoon hebben en dat het leger naar hem op zoek is. Zij hebben ook niet onderbouwd dat deze documenten niet kunnen worden overgelegd. Het asielmotief is niet alsnog geloofwaardig, omdat de verklaringen van eisers als zodanig geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Ook heeft de minister niet geloofwaardig geacht dat eiser dienstplichtig is. Eiser heeft ook dit asielmotief niet onderbouwd met objectieve documenten. Het asielmotief is ook hier niet alsnog geloofwaardig omdat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister heeft wél geloofwaardig geacht dat eiser gehandicapt is geraakt. Uit de verklaringen van eiser blijkt echter niet dat hij om die reden een gegronde vrees heeft voor vervolging of een reëel risico op ernstige schade. Eisers lopen tenslotte geen reëel risico op ernstige schade bij terugkeer naar Eritrea vanwege het overschrijden van de uitreistermijn van drie maanden. Eisers zijn legaal uitgereisd en uit informatie uit het Algemeen Ambtsbericht Eritrea van 2023 blijkt dat in die situatie in de praktijk geen problemen ontstaan. Eisers hebben niet aannemelijk gemaakt dat zij bij terugkeer naar Eritrea moeten vrezen vreest voor een gevangenisstraf vanwege het niet tijdig terugkeren. De asielaanvraag van eisers zijn kennelijk ongegrond omdat zij niet onmiddellijk asiel hebben aangevraagd toen dat mogelijk was. Wat is het juridisch kader? 5. Uit het bestreden besluit blijkt dat de minister de vanaf 1 juli 2024 geldende Werkinstructie (WI) 2024/6 heeft toegepast. In dit beleid zijn veranderingen doorgevoerd in de wijze waarop de minister de geloofwaardigheid van de asielmotieven beoordeelt. Uit WI 2024/6 volgt dat de nieuwe geloofwaardigheidsbeoordeling bestaat uit drie verschillende stappen. In stap 2a wordt beoordeeld of het asielmotief met voldoende objectieve bewijsstukken is onderbouwd. Indien dit niet het geval is, wordt in stap 2b beoordeeld of het asielmotief op grond van de verklaringen toch geloofwaardig is. Asielmotief problemen vanwege desertie zoon; onderbouwing met documenten (stap 2a) 6. Niet is in geschil dat eisers dit asielmotief niet met documenten hebben onderbouwd. Daarom heeft de minister terecht aan de hand van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000, zoals dat luidde tot 12 juni 2026, beoordeeld of de verklaringen van eisers over de problemen vanwege de desertie van hun zoon alsnog geloofwaardig zijn. Dat is volgens de minister niet het geval. Eisers voldoen volgens de minister niet aan artikel 31, zesde lid, onder b, c, en e, van de Vw 2000. De rechtbank gaat daar hieronder verder op in. Asielmotief problemen vanwege desertie zoon; geloofwaardigheid (stap 2b) Artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vw 2000; verklaringen van eisers over het ontbreken van documenten 6.1. Eisers betogen dat zij in de zienswijze hebben toegelicht dat de minister eiseres wel maar eiser niet heeft gevraagd of hij over documenten beschikt die de familieband met zijn zoon kunnen onderbouwen. Hierdoor heeft de minister onzorgvuldig gehandeld. Eisers waren er bovendien niet van op de hoogte dat zij dergelijke documenten hadden moeten overleggen. Tot op heden hebben eisers geen documenten kunnen inbrengen omdat het naar Nederland halen van deze documenten lastiger blijkt dan eisers hadden verwacht. 6.2. De minister stelt zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt dat eisers geen verschoonbare reden hebben voor het ontbreken van documenten. Tijdens het aanmeldgehoor is aangegeven dat eisers documenten dienen te overleggen die hun identiteit of asielrelaas ondersteunen. De desertie van de zoon van eisers is de kern van het asielrelaas. Daarom mocht de minister van eisers verwachten dat zij met documenten kunnen aantonen dat zij daadwerkelijk een zoon hebben die dienstplichtig is. Eiseres heeft tijdens haar gehoor ook verklaard dat deze documenten er zijn. Dat eisers deze documenten na anderhalf jaar nog niet hebben overgelegd, mag hen worden aangerekend. De minister heeft aan eisers dan ook mogen tegenwerpen dat zij niet met oprechte inspanning hebben geprobeerd om aan documenten te komen. Om die reden heeft de minister artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 mogen tegenwerpen en hoeft aan eisers niet om die reden het voordeel van de twijfel te worden gegeven. Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000; geen samenhangende en aannemelijke verklaringen De inval in september 2022 7. Eisers betogen dat zij niet tegenstrijdig hebben verklaard over het moment waarop de autoriteiten eiseres hebben meegenomen. Zij hebben andere benamingen gebruikt voor dezelfde gebeurtenis. Zo noemt eiseres dat zij is meegenomen tijdens een rouwceremonie vanwege een overleden familielid. Als eiser verklaart dat dit is gebeurd tijdens een demonstratie tegen de razzia’s, bedoelt hij hetzelfde. Het gaat in beide gevallen om een herdenking van mensen die zijn omgekomen tijdens razzia’s. Op de zitting heeft eiser betoogd dat de minister met een te westerse bril naar het begrip “demonstratie” kijkt. Als eiser spreekt over een demonstratie, bedoelt hij niet een demonstratie zoals die in Nederland doorgaans plaatsvindt. Het ging om een samenkomst om te praten over de slachtoffers van razzia’s. Die samenkomst was tijdens een rouwmoment vanwege het overlijden van de neef van zijn vrouw. Voor zover de minister stelt dat eisers tegenstrijdig verklaren over de aanwezigheid van eiser tijdens die samenkomst, berust dit eveneens op een onjuiste interpretatie van de verklaringen. De minister heeft eisers tegengeworpen dat eiseres zegt dat haar man niet aanwezig was toen zij werd meegenomen terwijl eiser zegt dat hij er wel bij was. De verklaringen zien echter op verschillende momenten. Waar de verklaringen van eiseres zien op het moment dat zij werd meegenomen, zien de verklaringen van eiser op het moment dat het huis van eisers werd verzegeld. 7.1. De minister stelt zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt dat eisers tegenstrijdig hebben verklaard over de inval van de autoriteiten in september 2022. Met de minister moet worden geoordeeld dat een rouwceremonie “in de familiesfeer” waarover eiseres verklaart wezenlijk anders is dan een demonstratie waarover eiser verklaart, ook als deze door een niet-westerse bril wordt bezien. Eiser heeft in het gehoor ook in het geheel niet gerept over een bijeenkomst in familiesfeer. Dat eiser dezelfde gebeurtenis beschrijft, heeft de minister dan ook niet aannemelijk hoeven achten. Hetzelfde geldt voor zover het gaat om de vraag of eiser op dat moment aanwezig was. Eiseres heeft verklaard dat dit niet het geval was, terwijl eiser stelt dat hij wel aanwezig was. Dat is tegenstrijdig. Dat het gaat om twee verschillende momenten, zoals eiser stelt, kan niet worden gevolgd. Uit het rapport van het nader gehoor blijkt duidelijk dat de vragen zien op het moment dat eiseres (en andere moeders) werden meegenomen door de soldaten en dat eiser in het licht hiervan antwoord geeft. Het is om die reden niet aannemelijk dat eiser verklaart over een andere gebeurtenis. Het aantal meegenomen moeders 8. Eiseres voert verder aan dat zij niet tegenstrijdig heeft verklaard over het aantal meegenomen moeders. Tijdens het nader gehoor heeft zij het aantal in eerste instantie geschat. Dat zij later tijdens het nader gehoor een exact aantal noemt, is geen tegenstrijdigheid in de verklaring 8.1. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiseres ongerijmd heeft verklaard over het aantal moeders dat door de autoriteiten is meegenomen bij de inval in september 2022. Eiseres noemt verschillende aantallen. Eerst schat ze het aantal op “ongeveer tien”, daarna wordt het aantal gespecificeerd in “drie mannen en zes vrouwen”. Voor zover eiseres stelt dat de schatting zag op het totaal aantal moeders uit de verschillende dorpen en dat specificering ziet op het aantal moeders uit het eigen dorp, heeft de minister haar hierin niet hoeven te volgen. De minister wijst er in dit verband terecht op dat eiseres in het nader gehoor ook heeft verklaard dat in totaal circa vijftig mensen zijn meegenomen en dat dit voornamelijk vrouwen waren. Het onderduiken van de zoon 9. Eisers betogen voorts dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd waarom de verklaringen over het onderduiken van hun zoon ongerijmd zijn. Hun zoon houdt zich op in de omgeving van zijn ouderlijk huis en schat zelf in wanneer de situatie veilig genoeg is om zich weer in het dorp te laten zien. Na het vertrek van eisers uit Eritrea is dit niet veranderd. De buren helpen hem. Dit is ook niet ongebruikelijk in Eritrea. Op het moment dat het leger in de buurt wordt gesignaleerd, trekt de zoon zich weer terug in de wildernis. Dat de buren bij gevaar contact opnemen met de zoon van eisers in plaats van met eisers zelf is logisch, aangezien eisers momenteel niet in Eritrea zijn. Hierbij verwijzen eisers naar het ambtsbericht, waaruit blijkt dat burgers elkaar waarschuwen voor mogelijke razzia’s en elkaar helpen met onder- of wegduiken. Ook blijkt uit dit ambtsbericht dat Eritrea achterloopt op het gebied van internet. In Eritrea is de toegang tot het internet zeer beperkt, waardoor de verwachting van de minister dat buren elkaar e-mails sturen niet realistisch is. 9.1. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eisers ongerijmd hebben verklaard over het (voortduren van) het onderduiken van de gestelde zoon. Het is onduidelijk hoe de zoon jarenlang in de open natuur heeft kunnen verblijven en hiermee de autoriteiten heeft ontweken, terwijl hij vaak terugkeert naar het ouderlijk huis. Dat hij de omgeving in de gaten houdt en zelf beoordeelt wanneer de situatie veilig genoeg is, veronderstelt dat hij in de directe nabijheid van de ouderlijke woning verblijft. Het valt niet in te zien waarom de zoon dit risico neemt, aangezien eisers verklaren dat hun zoon vanwege zijn dienstplicht actief wordt gezocht en dat hun huis meerdere keren is verzegeld. De minister stelt hierbij voorts terecht dat het bevreemdend is dat – zoals eisers hebben verklaard – de zoon via de buren heeft vernomen dat het ouderlijk huis is verzegeld, terwijl hij ook na het vertrek van eisers nog steeds naar het ouderlijk huis terugkeert. Verzegeling van het huis van eisers 10. Eisers betogen dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat zij niet aannemelijk hebben gemaakt dat hun huis verzegeld is. Zij hebben dit gehoord van hun zoon, die het op zijn beurt weer heeft gehoord van de buren. 10.1 Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat de verklaring van eisers over de verzegeling van de woning enkel is gebaseerd op indirecte bronnen. Daarmee is niet aannemelijk gemaakt dat hun huis daadwerkelijk is verzegeld. Artikel 31, zesde lid, onder d, van de Vw 2000; te laat indienen van de asielaanvragen 11. Eisers betogen dat zij niet eerder asiel hebben kunnen aanvragen vanwege de ziekte van eiseres. De minister heeft ten onrechte niet toegelicht waarom ziekte niet geldt als een geldige reden voor het te laat indienen van een asielaanvraag als bedoeld in paragraaf C1/4.3.2.4 van de Vc 2000, zoals die luidde tot 12 juni 2026. 11.1. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eisers geen verschoonbare reden hebben voor het te laat indienen van hun asielaanvragen. Het had op de weg van eiseres gelegen om direct kenbaar te maken dat zij door ziekte haar asielaanvraag niet eerder kon indienen. Dat de eiser dit ook heeft verklaard doet hier niet aan af. Bovendien hebben eisers niet onderbouwd dat eiseres daadwerkelijk te ziek was om zo snel als mogelijk asiel aan te vragen. Tussenconclusie 12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de problemen door de desertie van de zoon van eisers ongeloofwaardig zijn. Asielmotief problemen vanwege dienstplicht eiser; onderbouwing met documenten (stap 2a) 13. Niet is in geschil dat eisers dit asielmotief niet met documenten hebben onderbouwd. Daarom heeft de minister terecht aan de hand van artikel 31, zesde lid, van de Vw 2000 beoordeeld of de verklaringen van eisers over de problemen vanwege het feit dat eiser geen gehoor heeft gegeven aan de oproep tot het vervullen van de dienstplicht alsnog geloofwaardig zijn. Dat is volgens de minister niet het geval. Eisers voldoen volgens de minister niet aan artikel 31, zesde lid, onder b, c, en d, van de Vw 2000. De rechtbank gaat daar hieronder verder op in. Asielmotief problemen vanwege dienstplicht eiser; geloofwaardigheid (stap 2b) Artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vw 2000; verklaringen van eisers over het ontbreken van documenten 14. Eiser betoogt dat hij heeft toegelicht dat hij de oproep voor zijn dienstplicht niet heeft meegenomen, omdat hij bang was voor een controle bij zijn uitreis. Dit is een verschoonbare verklaring omdat het meenemen van dergelijke documenten een reëel risico vormt. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom deze verklaring niet geloofwaardig is. Eiser kan op dit moment niet aan de documenten komen omdat zijn huis verzegeld is. 14.1. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser geen verschoonbare redenen heeft gegeven voor het ontbreken van documenten. Dat eiser vreesde dat de oproep zou worden ontdekt bij een controle, is in dit verband niet voldoende. Uit het woord ‘bevredigend’ van artikel 31, zesde lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000, blijkt dat het ontbreken van de documenten een aannemelijke verklaring moet hebben. De minister heeft zich in dit verband terecht op het standpunt gesteld dat uit landeninformatie blijkt dat iemand die een uitreisvisum krijgt moet beschikken over goedkeuring van het leger. Eiser heeft een uitreisvisum gekregen en moet dus toestemming hebben gehad van het leger om uit te reizen. In dit licht bezien heeft de minister de gestelde vrees van eiser dat de oproep bij een controle zou worden ontdekt, terecht niet als een verschoonbare reden aangemerkt. Eiser heeft niet duidelijk gemaakt welke andere pogingen hij heeft gedaan om alsnog aan documenten te komen die zijn asielmotief kunnen staven. Het betoog van eiser dat hij niet bij de documenten kan komen omdat zijn huis is verzegeld, volgt de rechtbank niet, aangezien de rechtbank van oordeel is dat de minister dit terecht ongeloofwaardig heeft geacht. Artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw 2000; geen samenhangende en aannemelijke verklaringen 15. Eiser betwist niet dat hij geen directe gevolgen heeft ondervonden vanwege het feit dat hij in 2020 is opgeroepen voor de dienstplicht maar daaraan geen gehoor heeft gegeven. Eiser stelt echter dat dit niet betekent dat hij niet dienstplichtig is. De uitvoering van de dienstplicht wordt in Eritrea vaak op wisselende en onvoorspelbare wijze toegepast. Dat problemen zijn uitgebleven kan om die reden eerder toeval zijn dan een aanwijzing dat er geen dienstplicht geldt. Uit het ambtsbericht blijkt bovendien dat dat de uitvoering van de dienstplicht afhankelijk is van de discretionaire bevoegdheid van de autoriteiten. Eiser verwijst tenslotte naar een rapport van Human Rights Watch, waaruit blijkt dat in Eritrea een beleid van onbepaalde nationale dienstplicht geldt. 15.1. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij dienstplichtig is. Eiser onderbouwt niet dat de handhaving van de dienstplicht willekeurig en afhankelijk van de lokale omstandigheden gebeurt. Het betoog van eiser dat het uitblijven van problemen het gevolg kan zijn van toeval, is een aanname. Bovendien heeft eiser in 2022 nog zonder problemen een paspoort kunnen verkrijgen, waaruit volgt dat hij op dat moment niet in de negatieve belangstelling stond van de autoriteiten. Verder heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser een vrijstellingskaart heeft overgelegd van de militaire dienstplicht. Die vrijstellingskaart is nodig om een uitreisvisum te verkrijgen. Een uitreisvisum wordt volgens informatie uit het ambtsbericht immers enkel verstrekt indien de dienstplicht is vervuld of daarvoor vrijstelling is verleend. Ook hieruit volgt dat niet aannemelijk is dat eiser een oproep heeft gehad voor de dienstplicht. Het betoog van eiser dat hij via een alternatieve route aan documenten is gekomen, heeft de minister terecht niet gevolgd. Eiser heeft in zowel het aanmeldgehoor als in het nader gehoor niet aangegeven dat hij zijn paspoort op oneigenlijke wijze heeft verkregen. Verder heeft hij verklaard dat hij zijn uitreisvisum via het lokale bestuur heeft verkregen. Met de door het lokale bestuur verleende toestemming en de nationale vrijstellingskaart, kon hij naar Asmara reizen om het visum op te halen. Dit duidt er niet op dat eiser zijn uitreispapieren op oneigenlijke manier en buiten medeweten van de autoriteiten heeft verkregen. Artikel 31, zesde lid, onder d, van de Vw 2000; te laat indienen van de asielaanvragen 16. Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij zijn asielaanvraag niet tijdig heeft ingediend. Dit kon niet eerder vanwege de ziekte van eiseres. 16.1 Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn asielaanvraag niet tijdig heeft ingediend. Voor de motivering hiervan verwijst eiser naar wat reeds onder 11.1 van deze uitspraak is geoordeeld. Conclusie 17. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat niet geloofwaardig is dat eiser dienstplichtig is. Gelet hierop heeft de minister de problemen van eiser vanwege het geen gehoor geven aan de oproep eveneens niet aannemelijk hoeven achten. Moet eiser worden gezien als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag? 18. Eiser betoogt dat de minister eiser ten onrechte niet beschouwd als vluchteling in de zin van het Vluchtelingenverdrag. Eiser voert aan dat hij in Eritrea vanwege zijn handicap wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden, zoals bedoeld in paragraaf C2/2.4 van de Vc 2000. Gehandicapten hebben geen rechten in Eritrea. Eiser heeft bij terugkeer in Eritrea geen eten en drinken en geen rechten. Eiser betoogt dat terugkeer naar Eritrea gelijk staat aan zijn doodvonnis. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom de verklaringen van eiser uit het nader gehoor niet aantonen dat eiser in Eritrea wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden. 18.1. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat bij terugkeer sprake is van een schending van het Vluchtelingenverdrag. Eiser heeft zijn betoog niet verder toegelicht of onderbouwd. Ook maakt eiser niet inzichtelijk dat deze omstandigheden, indien ze op eiser van toepassing zijn, hem zullen overkomen omdat hij gehandicapt is. In het voornemen heeft de minister zich op het standpunt gesteld dat eiser heeft verklaard dat hij gratis naar het ziekenhuis mag, maar dat artsen geen ingewikkelde operaties uitvoeren. Eiser heeft niet nader onderbouwd dat dit verband houdt met het feit dat hij gehandicapt is. Eiser heeft zich bovendien vele jaren staande kunnen houden met zijn handicap. Niet duidelijk is waarom dat bij terugkeer anders zou zijn. Heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eisers bij terugkeer naar Eritrea geen reëel risico lopen op ernstige schade? 19. Eisers betogen dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat zij bij terugkeer naar Eritrea geen reëel risico lopen op ernstige schade. Volgens hen kan niet worden uitgesloten dat de overschrijding van de geldigheidsduur van hun uitreisvisum door de Eritrese autoriteiten als een illegale uitreis wordt aangemerkt, wat risico's bij terugkeer meebrengt. Daarbij wijzen zij op onduidelijkheden in de ambtsberichten van 2023 en 2025, de gestelde desertie van hun zoon, de verzegeling van hun woning, het feit dat Eritrea een asielaanvraag in het buitenland als landverraad beschouwt en het ontbreken van effectieve bescherming voor terugkeerders. Volgens eisers had de minister daarom nader onderzoek moeten verrichten en nader moeten motiveren waarom zij niet in de negatieve belangstelling van de Eritrese autoriteiten staan. 19.1. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eisers bij terugkeer naar Eritrea geen reëel risico lopen op ernstige schade. Uit het ambtsbericht 2023 blijkt dat terugkeer na het verstrijken van de geldigheidsduur van het uitreisvisum niet automatisch betekent dat sprake is van illegaal verblijf in het buitenland. Dit beeld wordt bevestigd in de toelichting op het ambtsbericht. Hieruit blijkt dat een niet-tijdige terugkeer slechts onder uitzonderlijke omstandigheden kan worden aangemerkt als een illegaal verblijf in het buitenland. Het risico op negatieve gevolgen wordt daarbij als ‘nihil’ beschreven. Bovendien is eerder overwogen dat eisers niet in de negatieve belangstelling van de Eritrese autoriteiten staan. Daarmee wijkt de situatie van eisers niet af van die van een ‘reguliere’ reiziger. Het enkele feit dat in de aangehaalde Afdelingsjurisprudentie geen rekening is gehouden met het ambtsbericht van 2023 doet hier niet aan af. In de besluitvorming van eisers is nadrukkelijk aangesloten bij het ambtsbericht van 2023 en de toelichting daarop. De minister stelt zich op het standpunt dat de informatie uit het ambtsbericht en de toelichting daarop niet strijdig met elkaar is, maar eerder aanvullend. Er wordt enerzijds gesproken van een mogelijke situatie waarin terugkeer tot nadelige gevolgen kan leiden. Anderzijds wordt gesproken van een algemene situatie waarin deze kans nihil is. De minister erkent dat het tegenstrijdig is dat wordt gesteld dat sprake is van een uitreistermijn, terwijl anderzijds wordt gesteld dat een dergelijke termijn niet wordt opgelegd bij uitreis, maar deze bronnen komen tot dezelfde conclusie. Beide bronnen wijzen er op dat legale uitreizigers bij terugkeer in beginsel geen reëel risico lopen op ernstige schade enkel vanwege het tijdsverloop. Om die reden volgt de minister eiser niet in zijn betoog dat het ambtsbericht onvoldoende duidelijkheid biedt of dat de minister nader onderzoek had moeten verrichten. De jurisprudentie waar eisers naar verwijzen is niet van toepassing op hun zaak. In de besluitvorming is gemotiveerd onderbouwd dat het niet aannemelijk is dat eisers bij terugkeer naar Eritrea een reëel risico lopen op ernstige schade. De minister heeft de asielmotieven van eisers niet ten onrechte ongeloofwaardig geacht. Om die reden stelt de minister zich terecht op het standpunt dat geen risico’s bij terugkeer hoeven te worden verbonden aan de problemen die door eisers in het kader van hun asielaanvraag naar voren zijn gebracht. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eisers niet aannemelijk hebben gemaakt dat zij bij terugkeer naar Eritrea een reëel risico op ernstige schade lopen omdat zij worden gezien als terugkeerders uit het Westen. Eisers hebben niet nader onderbouwd waarom zij door de Eritrese autoriteiten worden gezien als verrader of afvallige en dat zij daarom opgepakt zullen worden. De kans dat eisers worden blootgesteld aan een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM wordt ingeschat als zeer beperkt. Ook zijn er geen verdere risico verhogende factoren aanwezig, zoals vermeld in het ambtsbericht 2023. Terugkeerbesluit en inreisverbod 20. Eisers betogen dat de minister ten onrechte geen ambtshalve toets heeft verricht met betrekking tot het risico op non-refoulement. Hiertoe is de minister verplicht op grond van het arrest Ararat. De minister heeft het risico op ernstige schade bovendien onvoldoende gemotiveerd. Hierdoor is het terugkeerbesluit in strijd met de jurisprudentie van het Hof en moet deze vernietigd worden. Omdat het terugkeerbesluit geen stand kan houden, moet ook het inreisverbod worden vernietigd, gelet op de artikelen 66a, 62 en 61 van de Vw 2000. 20.1. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat ten aanzien van het terugkeerbesluit geen losse non-refoulement toets hoeft te worden verricht. Hierbij merkt de rechtbank op dat het terugkeerbesluit onderdeel is van het besluit op de asielaanvragen van eisers. Dit betekent dat het een meeromvattend besluit is. De beoordeling het risico op non-refoulement is al meegewogen in de zwaarwegendheidstoets, waarbij is gekeken of eisers bij terugkeer naar Eritrea risico lopen. Dit hoeft daarnaast niet opnieuw los te gebeuren voor het terugkeerbesluit. Conclusie en gevolgen 21. Het beroep is ongegrond . Dat betekent dat eisers geen gelijk krijgen en dat de afwijzing van hun asielaanvragen in stand blijft. De minister hoeft de proceskosten van eisers daarom niet te vergoeden. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond . Deze uitspraak is gedaan door mr. S.A. van Hoof, rechter, in aanwezigheid van mr. F.E. Brokke, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Ambtsbericht Eritrea, december 2023 p. 58.