← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:18875

Rechtbank Den Haag · 2026-07-08 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL26.35762
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
11.276 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Vreemdelingenbewaring, taal tolk, eventuele asielaanvraag, gronden maatregel, lichter middel, non-refoulementbeoordeling, ongegrond.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.35762 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. B.A. Palm), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. Ö Sari). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vreemdelingenbewaring die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw 2000). Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een aantal beroepsgronden aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vreemdelingenbewaring is niet onrechtmatig. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Procesverloop 2. Met het bestreden besluit van 26 juni 2026 heeft de minister aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd en de rechtbank daarvan in kennis gesteld. 2.1. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Het beroep wordt ook aangemerkt als een verzoek om schadevergoeding. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister deelgenomen. Beoordeling door de rechtbank Is eiser in de juiste taal gehoord? 3. Eiser heeft aan het begin van de zitting aangegeven dat hij geen Pools spreekt en de (Poolse) tolk niet kan verstaan. De gemachtigde van eiser heeft daarop verzocht om aanhouding van de zaak en een Engels sprekende tolk. 3.1. De rechtbank heeft eiser medegedeeld dat de zaak niet zal worden aangehouden en dat er geen andere tolk geregeld zal worden. De rechtbank heeft een aantal dagen voorafgaand aan de zitting telefonisch contact gehad met de gemachtigde van eiser. Hierbij is gevraagd in welke taal eiser gehoord wenst te worden. De gemachtigde van eiser heeft toen verzocht om een Poolse tolk en aangegeven dat eiser wel Pools spreekt. Tijdens de zitting is aan eiser gevraagd of hij een Engelse tolk wenst. Hierop heeft eiser aangegeven dat hij geen Engelse tolk wenst, en slechts met de rechter wil communiceren in het Engels (en dus zonder tussenkomst van een tolk). Gelet op deze omstandigheden, kan de houding van eiser over de taal waarin getolkt dient te worden moeilijk anders worden bestempeld dan pogingen om het proces te frustreren. Heeft eiser een asielaanvraag gedaan? 4. Eiser voert aan dat in het proces-verbaal van gehoor voorafgaande aan de inbewaringstelling een stuk is opgenomen over asielbewaring. Het is onduidelijk of eiser een asielaanvraag heeft gedaan. Dit blijkt verder niet uit de stukken en hierover is niets opgenomen in de maatregel van bewaring. 4.1. Tijdens de zitting heeft de minister aangegeven dat dit een kennelijke verschrijving is en dat eiser geen asielaanvraag heeft gedaan. Uit dit proces-verbaal volgt immers dat eiser meermaals heeft aangegeven terug te willen keren naar Polen. De rechtbank kan deze toelichting volgen en is – met de minister – van oordeel dat voldoende duidelijk is dat sprake is van een kennelijke verschrijving. Niet is gebleken dat eiser door deze verschrijving op enigerlei wijze in zijn belangen is geschaad. De beroepsgrond slaagt niet. Mocht de maatregel van vreemdelingenbewaring aan eiser worden opgelegd? 5. De minister heeft aan eiser de maatregel van vreemdelingenbewaring opgelegd. In deze maatregel staat dat de openbare orde de maatregel vordert, omdat het risico bestaat dat eiser zich aan het toezicht zal onttrekken en eiser de voorbereiding van het vertrek of de uitzettingsprocedure ontwijkt of belemmert. 5.1. In de maatregel heeft de minister als gronden vermeld dat eiser: a. Nederland niet op de voorgeschreven wijze is binnengekomen, dan wel een poging daartoe heeft gedaan, waarbij de vreemdeling zich gedurende enige tijd aan het toezicht heeft onttrokken of zich zonder toestemming tussen de lidstaten van de Europese Unie beweegt; b. eerder een besluit, kennisgeving of aanzegging heeft ontvangen waaruit de plicht de Europese Unie dan wel Nederland te verlaten blijkt en hij daaraan niet uit eigen beweging binnen de daarin besloten of gestelde termijn gevolg heeft gegeven; h. heeft te kennen gegeven dat hij geen gevolg zal geven aan de verplichting tot terugkeer; p. zich niet aan een of meer andere voor hem geldende verplichtingen van hoofdstuk 4 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb 2000) heeft gehouden; r. geen vaste woon- of verblijfplaats heeft; s. niet beschikt over voldoende middelen van bestaan. 5.2. Eiser heeft gronden b, h en s betwist. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister grond b terecht tegengeworpen, omdat deze feitelijk juist is. Zoals de minister terecht stelt, is met het besluit van 7 januari 2026 vastgesteld dat eiser geen rechtmatig verblijf heeft op grond van het Unierecht. Eiser verblijft desondanks in Nederland, terwijl de vertrektermijn van een maand is verstreken. Eisers betoog, dat het onduidelijk is waar de datum van 20 april 2026 op is gebaseerd (de datum waarop eiser onrechtmatig in Nederland zou verblijven), leidt niet tot een ander oordeel. Tijdens de zitting heeft de minister toegelicht dat in het besluit van 7 januari 2026 een vertrektermijn van een maand is gegeven. Dit besluit is op 19 maart 2026 aan eiser uitgereikt. Vanaf dat moment is de vertrektermijn gaan lopen. Dit betekent dat eiser sinds 20 april 2026 onrechtmatig in Nederland verblijft. Ook is grond s feitelijk juist, omdat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij beschikt over onvoldoende middelen van bestaan. Het standpunt van eiser, dat de minister niet heeft toegelicht waarop dit is gebaseerd, kan de rechtbank niet volgen. Uit vaste rechtspraak volgt immers dat het aan de vreemdeling is om aannemelijk te maken dat hij over voldoende middelen van bestaan beschikt. Dit heeft eiser niet gedaan. De minister heeft daarnaast bij grond s overtuigend gemotiveerd dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij zelfstandig uit Nederland kan en zal vertrekken en dat hieruit een risico op onttrekking aan het toezicht op vreemdelingen voortvloeit. 5.3. Gronden b en s zijn voldoende om de maatregel van bewaring op grond van artikel 59, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw 2000 te kunnen dragen. Wat eiser verder heeft aangevoerd kan daar niet aan afdoen en behoeft daarom geen bespreking. Had de minister moeten volstaan met een lichter middel? 6. Eiser voert aan dat de minister had moeten volstaan met een lichter middel dan de inbewaringstelling. Daarnaast is het, gelet op de psychische problematiek, de vraag of het detentiecentrum Rotterdam de geschikte plek is voor eiser, nu hier geen gespecialiseerde zorg aanwezig is. 6.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in de maatregel van bewaring voldoende gemotiveerd dat niet met een lichter middel dan de inbewaringstelling kon worden volstaan. De minister verwijst daarbij terecht naar de gronden die aan de maatregel van bewaring ten grondslag zijn gelegd en het onttrekkingsrisico dat daaruit volgt. Ten aanzien van eisers psychische problematiek is de rechtbank van oordeel dat de minister deze heeft meegewogen. In de maatregel van bewaring is opgenomen dat aan eiser is medegedeeld dat hij te allen tijde een beroep kan doen op het medische team dat aanwezig is binnen het detentiecentrum. Ten aanzien van de medische zorgverlening binnen het detentiecentrum kan worden gesteld dat deze gelijkwaardig is aan de gezondheidszorg in de vrije maatschappij. De minister heeft mogen betrekken dat eiser niet heeft aangegeven dat de zorg binnen het detentiecentrum ontoereikend is. Evenmin zijn voor een dergelijk oordeel concrete aanknopingspunten in het dossier aanwezig. Daarmee heeft de minister voldoende gemotiveerd waarom hij in dit geval niet gehouden was om een lichter middel op te leggen. De beroepsgrond slaagt niet. Heeft de minister ten onrechte geen non-refoulementbeoordeling gemaakt? 7. Eiser voert aan dat in de maatregel van bewaring ten onrechte geen kenbare motivering ten aanzien van het beginsel van non-refoulement is opgenomen. 7.1. Uit het Unierecht volgt – zoals het Hof van Justitie dit in het arrest van 4 september 2025 in de zaak Adrar heeft verduidelijkt – dat de bewaringsrechter, zo nodig ambtshalve, moet nagaan of het beginsel van non-refoulement in de weg staan aan de uitvoering van het terugkeerbesluit. De Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) is in de uitspraak van 12 februari 2026 ingegaan op de gevolgen van het arrest Adrar voor de nationale rechter die de rechtmatigheid van de bewaring van een vreemdeling met het oog op diens uitzetting moet toetsen. Uit deze uitspraak volgt onder meer dat de bewaringsrechter moet beoordelen of de minister op het moment van oplegging van de maatregel van bewaring heeft beoordeeld of het beginsel van non-refoulement zich al dan niet tegen de uitzetting van de vreemdeling verzet. 7.2. De rechtbank stelt vast dat zowel het arrest Adrar als hiervoor genoemde uitspraak van de Afdeling van 12 februari 2026 betrekking hebben op de terugkeer van onderdanen van derde landen die illegaal op het grondgebied van een lidstaat verblijven. In het onderhavige geval is daarvan geen sprake, nu eiser Unieburger is. De minister was dan ook niet gehouden om de maatregel van bewaring te toetsen aan het beginsel van non-refoulement. De beroepsgrond slaagt niet. Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel? 8. Los van de door eiser aangevoerde gronden, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. Conclusie en gevolgen 9. Het beroep tegen de maatregel van vreemdelingenbewaring is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. M.J.M. Verhoeven, rechter, in aanwezigheid van mr. J.M. van Kouwen, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen één week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden of na de dag van plaatsing daarvan in het digitale dossier. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw 2000. Dit staat op pagina 7 van dit proces-verbaal. ABRvS 3 april 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1136. ABRvS 25 maart 2020, ECLI:NL:RVS:2020:829. ECLI:EU:C:2025:647. ECLI:NL:RVS:2026:329. Vergelijk HvJEU 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858, HvJEU 4 september 2025, ECLI:EU:C:2025:647 en ABRvS 12 februari 2026, ECLI:NL:RVS:2026:329.