← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:18866

Rechtbank Den Haag · 2026-07-08 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL25.20093
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
19.546 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Asiel, Somalië, geloofwaardigheid, Al Shabaab, zwaarwegendheid, 15C, ongegrond.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Arnhem Bestuursrecht zaaknummer: NL25.20093 uitspraak van de enkelvoudige kamer van 8 juli 2026 in de zaak tussen [eiser], v-nummer: [nummer], eiser (gemachtigde: mr. J.I.T. Sopacua), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. R.M. Koning) Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens. Hij voert daartoe een aantal beroepsgronden aan. Aan de hand van deze beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven De minister heeft de problemen van eiser met Al Shabaab terecht ongeloofwaardig geacht en stelt zich terecht zich op het standpunt dat eiser bij terugkeer geen reëel risico op ernstige schade loopt. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. De minister heeft met het bestreden besluit van 23 april 2025 deze aanvraag in de verlengde procedure afgewezen als ongegrond. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 26 februari 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister . De rechtbank heeft de zitting toen geschorst en het beroep aangehouden, omdat de gemachtigde van eiser vlak voor de zitting een processtuk aan het dossier had toegevoegd waar de minister zich op wilde voorbereiden. 2.3. De rechtbank heeft het beroep op 19 maart 2026 opnieuw op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser is geboren op [geboortedag] 1999, heeft de Somalische nationaliteit en behoort tot de Hawiye bevolkingsgroep. Eiser werkte op het vliegveld van Mogadishu. Op een dag heeft hij een passagier niet toegestaan om een handtas mee te nemen als handbagage. Deze persoon is daarna meegenomen door de Marechaussee. Eiser is hierna gebeld door een persoon die zei dat hij namens Al Shabaab belde. Hij beschuldigde eiser ervan een spion te zijn. Eiser is toen verhuisd naar het huis van zijn oom. Zijn oom hielp eiser om in het bezit te komen van een visum voor Kenia. Eiser is toen vertrokken en heeft negen maanden in Kenia gewoond. Hierna is hij met behulp van een mensensmokkelaar naar Griekenland gereisd. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: 1. identiteit, nationaliteit en herkomst 2. problemen met Al Shabaab 4.1. De minister heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig geacht. De problemen met Al Shabaab heeft eiser niet onderbouwd met objectieve documenten en dit asielmotief acht de minister niet geloofwaardig, omdat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. De minister concludeert, in aanmerking genomen de geloofwaardigheidsbeoordeling, dat eiser bij terugkeer naar Somalië geen reëel risico loopt op ernstige schade. Dat eiser uit Somalië komt is op zichzelf niet voldoende om een risico op ernstige schade aan te nemen. Eiser komt niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van ernstige schade, omdat eiser afkomstig is uit Mogadishu. Al Shabaab is daar niet aan de macht en heeft daar niet de controle. Ook is er in het individuele geval van eiser geen sprake van omstandigheden die leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. De minister heeft de aanvraag daarom afgewezen als ongegrond. Is de geloofwaardigheidsbeoordeling in strijd met het Unierecht? 5. Eiser betoogt dat de door de minister toegepaste geloofwaardigheidsbeoordeling, afkomstig uit Werkinstructie (WI) 2024/6, in strijd is met Unierecht. Dit heeft met name betrekking op het standpunt van de minister dat eiser zijn asielrelaas niet heeft onderbouwd met objectieve bewijsstukken. Hierbij verwijst eiser naar verschillende uitspraken van het Hof van Justitie. Het door de minister toegepaste toetsingskader is bovendien in strijd met het EVRM en met het Vluchtelingenverdrag, omdat de minister heeft nagelaten om het voordeel van de twijfel te toetsen aan het EVRM en het Vluchtelingenverdrag. Ook is het Unierechtelijk toetsingskader ter beoordeling van het asielrelaas in het licht van het gunnen van het voordeel van de twijfel onvolledig toegepast. Hierbij heeft de minister onvoldoende toepassing gegeven aan de artikel 4, derde en vijfde lid, van de Kwalificatierichtlijn en artikel 10 van de Procedurerichtlijn. 5.1. De beroepsgrond dat de door de minister toegepaste en in WI 2024/6 opgenomen geloofwaardigheidsbeoordeling niet in overeenstemming is met het Unierecht, EVRM, Kwalificatierichtlijn en de Procedurerichtlijn slaagt niet. De rechtbank verwijst hiertoe naar de uitspraken van de meervoudige kamer van deze rechtbank van 25 juni 2025 en van 8 september 2025. Heeft de minister de problemen van eiser met Al Shabaab ongeloofwaardig mogen achten? 6. Tussen partijen is niet in geschil dat eiser dit asielmotief niet volledig met objectieve documenten heeft onderbouwd, zodat de minister heeft beoordeeld of het asielmotief alsnog geloofwaardig is. Dat is volgens de minister niet het geval, omdat eisers verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. 6.1 Eiser betoogt dat de minister de problemen van eiser met Al Shabaab ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht, omdat zijn verklaringen geen samenhangend en aannemelijk geheel zouden vormen. De rechtbank zal hieronder de gronden van eiser die zijn gericht tegen de tegenwerpingen van de minister in het kader van het standpunt dat de verklaringen van eiser geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen bespreken. Summiere verklaringen over de reden waarom eiser als spion is aangemerkt door Al Shabaab 6.2. Eiser betoogt dat de minister hem ten onrechte tegenwerpt dat hij summier heeft verklaard over de reden waarom hij als spion is aangemerkt. Volgens eiser heeft de minister niet inzichtelijk gemaakt wat hij nog meer had kunnen verklaren. Hierbij is van belang dat eiser gedetailleerd en concreet heeft verklaard over de toedracht van het incident als ook het incident zelf. Eiser wordt als spion aangemerkt omdat Al Shabaab ervan overtuigd is dat iemand uit hun groepering door toedoen van eiser in handen van de overheid is geraakt. De minister gaat er hierbij aan voorbij dat de verklaring van eiser in lijn is met landeninformatie uit het ambtsbericht van 31 maart 2025 , waaruit blijkt dat Al Shabaab zelfs actief is in de beveiligde zones van het vliegveld. De minister gaat in het bestreden besluit onvoldoende in op de verklaring van eiser. Hierbij weegt de minister te zwaar aan het ambtsbericht, waarbij de minister ervan uitgaat dat de opsomming van gevallen waarin iemand is aangemerkt als spion, limitatief is. De oom van eiser is werkzaam voor de inlichtingendiensten en heeft eiser bevestigd dat degene die eiser had gebeld en bedreigd inderdaad Al Shabaab was. Hierdoor had eiser geen enkele reden om te twijfelen aan zijn deskundigheid. Het verifiëren van een telefoonnummer valt onder de werkzaamheden van een medewerker van de inlichtingendienst. Hij vertrouwde bovendien geheel op zijn vader, die hem vertelde dat hij moest luisteren naar zijn oom. Dit heeft niets te maken met intelligentie of opleidingsniveau, zoals de minister stelt. De verklaringen van eiser passen om bovengenoemde redenen in de landeninformatie, waar door de minister ten onrechte aan voorbij wordt gegaan. In beroep heeft eiser hierbij verwezen naar een rapport van de EUAA over Somalië. Uit dit rapport blijkt dat mensen die geassocieerd worden met de overheid door Al Shabaab worden beschouwd als verrader. 6.3. De rechtbank stelt voorop dat zij, gelet op het arrest van het Hof van Justitie in Ebilum , het standpunt over de geloofwaardigheid van de door een betrokkene afgelegde verklaringen voortaan zonder enige terughoudendheid zal beoordelen. Het Hof heeft namelijk geoordeeld dat de asielrechter een volledig onderzoek moet verrichten van de relevante feitelijke elementen. De rechtbank zal daarom niet langer, wanneer zij het standpunt van de minister over de geloofwaardigheid toetst, beoordelen of de minister zich ‘niet ten onrechte’ op een bepaald standpunt heeft gesteld. Dit in aanmerking genomen is de rechtbank van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat eiser summier heeft verklaard over waarom hij als spion is aangemerkt. Eiser heeft hier geen enkele onderbouwing voor gegeven terwijl dit wel de directe aanleiding is geweest dat eiser het land heeft verlaten. De verklaring van eiser berust enkel op een vermoeden van zijn kant zonder concrete aanwijzingen of andere bewijselementen die het verband met Al Shabaab aannemelijk maken. Ook de verklaring van eiser dat zijn oom heeft verklaard dat degene die hem belde van Al Shabaab was, betreft een summiere verklaring. Eiser kan niet verklaren hoe zij oom het nummer van de beller heeft achterhaald of op welke wijze hij de identiteit van de beller heeft vastgesteld. Het enkele feit dat de oom van eiser werkzaam is voor de inlichtingendiensten maakt dit niet anders. De minister heeft terecht betrokken dat niet valt in te zien dat eiser, juist ook vanwege zijn hoge opleiding, niet meer informatie bij zijn oom zou opvragen en enkel genoegen zou nemen met zijn summiere verklaringen voordat hij besloot het land van herkomst verlaten. Verder heeft Al Shabaab het vaak voorzien op mensen die een gevaar vormen voor de ideologische en economische belangen van de groepering. Dit zijn bijvoorbeeld mensen, zoals eiser in de zienswijze zelf stelt, die tijd in het buitenland hebben doorgebracht, veel telefonisch contact hadden buiten de regio, gebrekkig Somalisch spreken, niet typisch Somalisch gekleed zijn of hoe men zijn armen gebruikt tijdens het spreken. Niet in geschil is dat eiser niet onder deze categorie valt, omdat bij hem het weigeren van een koffer hiervoor de aanleiding was. Eiser heeft bovendien niet aannemelijk gemaakt dat hij eerder in de negatieve aandacht stond van Al Shabaab. Van hem mocht daarom gelet op de voorgaande omstandigheden worden verwacht dat hij een onderbouwing geeft waarom hij door Al Shabaab als spion wordt aangemerkt, alleen maar omdat hij een koffer die niet aan de maten voldeed zou hebben geweigerd. De minister stelt zich ten aanzien van het EUAA-rapport terecht op het standpunt dat eiser niet heeft onderbouwd dat dit niet ziet op de persoonlijke situatie van eiser zelf. Het had op de weg van eiser gelegen om dit nader te onderbouwen. Een enkele verwijzing naar het EUAA-rapport is hiervoor niet voldoende. Vermoeden dat eiser is geïdentificeerd door Al Shabaab 6.4. Eiser betoogt dat Al Shabaab achter zijn naam is gekomen omdat zijn naam op zijn badge stond toen hij aan het werk was op het vliegveld. Uit het ambtsbericht blijkt dat Al Shabaab is geïnfiltreerd binnen een telecombedrijf. Hier gaat de minister ten onrechte niet op in. De persoon die eiser op het vliegveld heeft gestopt kende hem niet, maar de persoon die hem belde wel. De minister werpt eiser ten onrechte tegen dat hij hier tegenstrijdig over heeft verklaard. Naar aanleiding van dit incident heeft de persoon die eiser heeft gestopt zijn gegevens weten te achterhalen en doorgegeven aan zijn compagnons van Al Shabaab. Uit het ambtsbericht blijkt bovendien dat Al Shabaab overal is, waardoor aannemelijk is dat zij ook geïnfiltreerd zijn op het vliegveld. 6.5. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser niet heeft onderbouwd dat hij is geïdentificeerd door Al Shabaab. In het nader gehoor heeft eiser verklaard niet te weten hoe de persoon van Al Shabaab die hem belde zijn identiteit kende. In de correcties en aanvullingen is gesteld dat zij op de hoogte waren van de identiteit van eiser vanwege de keycard met naamkaartje en dat dat de meest plausibele verklaring is die eiser hierover kan geven. Hieruit blijkt dat het om een aanname gaat. Eiser heeft derhalve niet aannemelijk gemaakt dat hij is geïdentificeerd op basis van een werkpasje, waardoor ze zijn contactgegevens hebben kunnen achterhalen. Tegenstrijdig verklaard over de veiligheid van oom 6.6. Eiser betoogt voorts dat geen sprake is van tegenstrijdigheden in zijn verklaring over de veiligheid van zijn oom. Het standpunt van de minister dat zou zijn verklaard dat de bedreigingen naar zijn oom geen reden voor hem zijn om zich zorgen te maken is niet onderbouwd. Eiser heeft in het gehoor verklaard dat zijn oom geen risico loopt omdat hij voor de overheid werkt, waardoor hij beter beschermd is. Dit betekent niet dat er geen reden is tot zorg. Hier gaat de minister ten onrechte niet op in. Bovendien ontbreekt de relevantie van deze tegenwerping: ook al zou er sprake zijn van een tegenstrijdigheid, dan betekent dat nog niet dat de problemen met Al Shabaab ongeloofwaardig moeten zijn. 6.7. Naar het oordeel van de rechtbank stelt de minister zich terecht op het standpunt dat de verklaring van eiser over de veiligheid van zijn oom tegenstrijdig is. Bij de beoordeling van het asielrelaas worden alle relevante feiten en omstandigheden betrokken, hetgeen betekent dat ook wordt meegenomen dat de oom van eiser door Al Shabaab is bedreigd. Eiser heeft verklaard dat zijn oom die bij de inlichtingendienst werkt ook is bedreigd door Al Shabaab maar heeft ook verklaard dat zijn oom zich geen zorgen hoeft te maken omdat hij voor de overheid werkt. De minister heeft terecht gesteld dat deze verklaring moeilijk te begrijpen is gezien de ernst van de dreiging die eiser zelf heeft beschreven. De minister heeft ook terecht gesteld dat dit niet rijmt met de eerdere verklaring van eiser dat Al Shabaab ook op beveiligde zones van het vliegveld aanwezig is. Uit landeninformatie over Somalië blijkt bovendien dat overheidsfunctionarissen juist een verhoogd risico lopen om doelwit te worden van Al Shabaab. Personen die voor de inlichtingendienst of andere veiligheidsdiensten werken lopen een extra gevaar vanwege hun rol in het bestrijden van extremisme. Dat de oom van eiser geen reden heeft om zich zorgen te maken staat haaks op deze informatie. Tussenconclusie 6.8. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser zijn problemen met Al Shabaab niet aannemelijk heeft gemaakt. De minister heeft dit asielmotief dan ook terecht ongeloofwaardig geacht. Loopt eiser bij terugkeer een reëel risico op ernstige schade? 7. Eiser betoogt dat de minister onvoldoende heeft gemotiveerd dat hij bij terugkeer geen reëel risico loopt op ernstige schade. Bij terugkeer naar Somalië wordt eiser blootgesteld aan willekeurig geweld. Het enkele feit dat eiser uit Mogadishu komt doet hier niet aan af, aangezien het landgebonden beleid achterhaald is. Ter onderbouwing verwijst hij naar het ambtsbericht en stelt hij dat de gevechten rondom Mogadishu sinds begin dit jaar zijn toegenomen. In dat verband voert hij aan dat Al Shabaab in Mogadishu aanwezig is, sinds eind februari 2025 een offensief zou hebben ingezet, controleposten heeft ingesteld op toegangswegen naar de stad, regelmatig aanslagen pleegt en zich ook in stedelijke gebieden vrij kan bewegen en infiltreren. Volgens eiser is het geweld daarmee zodanig toegenomen dat sprake is van een situatie van willekeurig geweld als bedoeld in artikel 15, aanhef en onder c, van de Kwalificatierichtlijn. Hij verwijst daarbij naar een rapport van EUAA. Bovendien heeft eiser aannemelijk gemaakt dat hij in de negatieve aandacht van Al Shabaab staat. Dit is in lijn met het door eiser aangehaalde ambtsbericht waaruit blijkt dat Al Shabaab mensen op klaarlichte dag heeft vermoord in Mogadishu. In beroep heeft eiser een screenshot overgelegd waaruit blijkt dat zijn vader wordt bedreigd. 7.1. De minister stelt zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt dat eiser bij terugkeer naar Somalië geen reëel risico loopt op ernstige schade. Het enkele feit dat eiser uit Somalië komt is onvoldoende om een risico op ernstige schade aan te nemen. Voor gebieden in Somalië waar Al Shabaab aan de macht is wordt voor iedere terugkeerder een reëel risico op ernstige schade aangenomen. Hier is in het geval van eiser geen sprake van. Eiser is afkomstig uit Mogadishu, waar Al Shabaab niet aan de macht is en geen controle heeft. Bovendien hoeft eiser niet door gebieden te reizen waar Al Shabaab aan de macht is om terug te kunnen keren naar Mogadishu. Om die reden komt eiser niet in aanmerking voor een verblijfsvergunning op grond van ernstige schade. De minister neemt voor Somalië aan dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in onder andere Mogadishu. Hierdoor is de enkele aanwezigheid van eiser in Mogadishu niet meer voldoende om een reëel risico op ernstige schade aan te nemen. Eiser heeft geen individuele omstandigheden aangevoerd die leiden tot een verhoogd risico om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. De problemen van eiser met Al Shabaab zijn terecht ongeloofwaardig geacht, wat maakt dat eiser in Somalië niet eerder problemen met Al Shabaab heeft ondervonden. Eiser is ook niet eerder slachtoffer geworden van willekeurig geweld. Dit maakt dat er in het geval van eiser geen aanwijzingen zijn dat hij meer dan een gemiddeld risico loopt bij terugkeer naar Somalië. Het door eiser overgelegde EUAA-rapport maakt het voorgaande oordeel niet anders, nu uit dit rapport niet blijkt dat er sprake is van een slechtere situatie dan is aangenomen in het landenbeleid, waar de minister naar heeft verwezen. De beroepsgrond slaagt derhalve niet. Conclusie en gevolgen 8. De minister heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat het besluit in stand kan blijven. Eiser krijgt daarom geen vergoeding voor zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. Y. Yeniay - Cenik, rechter, in aanwezigheid van mr.F.E. Brokke, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Artikel 31, zesde lid, aanhef en onder c, van de Vw 2000. HvJ EU, 2 december 2024, ECLI:EU:C:2014:2406, r.o. 54, HvJ EU, 4 oktober 2018, ECLI:EU:C:2018:803, r.o. 86 en HvJ EU, 10 juni 2021, ECLI:EU:C2021;478, r.o. 44. Rb Den Haag, zp Arnhem 25 juni 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11149. Rb Den Haag, zp Arnhem 8 september 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:16613. Algemeen Ambtsbericht Somalië, April 2025. HvJEU 4 juni 2026, ECLI:EU:C:2026:448, onder 58. Country Guidance: Somalia, EUAA, 2 oktober 2025. Kamerbrief over landenbeleid Somalië, 9 september 2025.