ECLI:NL:RBDHA:2026:18764
Rechtbank Den Haag · 2026-07-08 · Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Vrijheidsontnemende maatregel, artikel 6, derde lid, Vw, toegangsvoorwaarden, vluchtelingenstatus, asielaanvraag, onderzoek, ongegrond.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Zwolle Bestuursrecht zaaknummer: NL26.35830 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], V-nummer: [v-nummer], eiser (gemachtigde: mr. F.W. Verweij), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. G.J. Westendorp). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de maatregel van vrijheidsontneming die aan eiser is opgelegd. Deze maatregel is opgelegd op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. Eiser is het niet eens met die maatregel. Hij voert daartegen een beroepsgrond aan. Onder meer aan de hand van deze beroepsgrond beoordeelt de rechtbank de rechtmatigheid van die maatregel en de vraag of aan eiser een schadevergoeding moet worden toegekend. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat het beroep ongegrond is. Het opleggen van de maatregel van vrijheidsontneming is niet onrechtmatig. De maatregel voldoet aan de voorwaarden. Er is dus geen reden voor het toekennen van een schadevergoeding. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit heeft. Procesverloop 2. Bij besluit van 28 juni 2026 (het bestreden besluit) is aan eiser met toepassing van artikel 6, derde lid, van de Vw een vrijheidsontnemende maatregel opgelegd. 2.1. De minister heeft de rechtbank op grond van artikel 94, eerste lid, van de Vw van het besluit tot oplegging van de vrijheidsontnemende maatregel in kennis gesteld. Deze kennisgeving wordt gelijkgesteld met een door eiser ingesteld beroep. Dit beroep moet tevens worden aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 7 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser is verschenen, bijgestaan door zijn gemachtigde. Als tolk is verschenen Y. Gouriye. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Beoordeling door de rechtbank Toetsingskader 3. Indien de rechtbank bij de beoordeling van het beroep van oordeel is dat de toepassing of tenuitvoerlegging van de maatregel in strijd is met de Vw dan wel bij afweging van alle daarbij betrokken belangen niet gerechtvaardigd is, verklaart zij op grond van artikel 94, zesde lid, van de Vw het beroep gegrond. 4. De minister kan de vreemdeling die aan de grens te kennen heeft gegeven een asielaanvraag te willen indienen en die niet voldoet aan de toegangsvoorwaarden, zolang er nog geen definitieve beslissing is genomen, verplichten zich op te houden in een ruimte of plaats die kan worden beveiligd tegen ongeoorloofd vertrek, in het kader van een procedure om een beslissing te nemen over de toegang, of in het kader van de toepassing van de screeningsprocedure. Op grond van artikel 5.1a van het Vb wordt een vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw opgelegd in het kader van het grensbewakingsbelang. Deze wordt niet opgelegd of voortgezet indien sprake is van bijzondere individuele omstandigheden die vrijheidsontneming onevenredig bezwarend maken. Heeft de minister terecht de vrijheidsontnemende maatregel opgelegd aan eiser? 5. Eiser voert - samengevat - aan dat de vrijheidsontnemende maatregel van meet af aan onrechtmatig is en dat de minister het onderzoek naar de toepassing van deze maatregel al had moeten laten plaatsvinden. Eiser is van oordeel dat een vrijheidsontnemende maatregel aan de grens niet kan worden opgelegd aan een persoon die rechtmatig verblijf heeft in een lidstaat. Eiser is aan de grens staande gehouden en toen heeft een gehoor plaatsgevonden. Eiser verklaarde in dat gehoor dat hij de vluchtelingenstatus heeft in Griekenland en heeft uitgelegd waarom hij zijn documenten heeft verscheurd. De minister wist of had dan ook moeten weten dat eiser statushouder is in Griekenland. Dat de minister dit wist of had moeten weten, wordt bevestigd door het gehoor van 3 juli 2026 waarin de minister aan eiser heeft gevraagd waarom hij niet veilig in Griekenland kan wonen. 6. De rechtbank stelt vast dat eiser terecht aan een toegangscontrole is onderworpen, omdat hij vanuit buiten de Europese Unie naar de grens is gekomen. Eiser heeft niet betwist dat hij aan de grens een verzoek om internationale bescherming heeft ingediend, hij niet in het bezit is van een geldig document voor grensoverschrijding en niet beschikt over voldoende middelen. De rechtbank is ook niet anders gebleken. Eiser voldoet dan ook niet aan de toegangsvoorwaarden waardoor er terecht een uitstel van de weigering tot toegang is gegeven en terecht is overgegaan tot toepassing van de vrijheidsontnemende maatregel op grond van artikel 6, derde lid, van de Vw. Dat eiser een vluchtelingenstatus heeft in Griekenland maakt dit niet anders omdat eiser niet voornemens is naar Griekenland door te reizen. Hij heeft immers een asielaanvraag gedaan. Verder heeft de minister terecht gesteld dat het onderzoek nog plaatsvindt en daarom de vrijheidsontneming rechtmatig voortduurt. Daarbij neemt de rechtbank in overweging dat het onderzoek juist (nog) plaatsvindt om een beslissing te kunnen nemen over de toegang. Deze beroepsgrond slaagt niet. Leidt ambtshalve toetsing tot een ander oordeel? 7. Los van de door eiser aangevoerde grond, ziet de rechtbank in de door de minister en eiser verstrekte gegevens geen grond om te komen tot het oordeel dat aan de rechtmatigheidsvoorwaarden voor deze maatregel niet is voldaan. Er zijn ook geen bijzondere omstandigheden gesteld of gebleken die maken dat een lichter middel toegepast had moeten worden. In het licht van het grensbewakingsbelang kan de maatregel in stand blijven. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is ongegrond. Daarom wordt ook het verzoek om schadevergoeding afgewezen. 9. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. R.P. van Eerde, rechter, in aanwezigheid van C. Holmond, griffier. De uitspraak is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Vreemdelingenwet 2000. Het beroep tegen een maatregel van bewaring wordt ook aangemerkt als een verzoek om toekenning van schadevergoeding. Dit volgt uit artikel 106, eerste lid, van de Vw. Dit volgt uit artikel 6, derde lid, van de Vw. Vreemdelingenbesluit 2000. Zie artikel 6 van Verordening (EU) 2016/399. Vergelijk het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie van 8 november 2022, ECLI:EU:C:2022:858.