← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:18739

Rechtbank Den Haag · 2026-07-07 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL26.17734 V
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
5.523 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Verzet, Dublin Kroatië, medische omstandigheden, verzet ongegrond.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL26.17734 V uitspraak van de enkelvoudige kamer op het verzet van [opposant] , opposant V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. J.J.J. Jansen), tegen de uitspraak van de rechtbank van 3 juni 2026 in het geding tussen opposant en de minister van Asiel en Migratie, verweerder, (gemachtigde: mr. E.N. Hanks-Spijkerman). Procesverloop In de uitspraak van 3 juni 2026 , heeft de rechtbank het beroep van opposant ongegrond verklaard met toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb. Dit betekent dat er geen zitting heeft plaatsgevonden. Opposant heeft verzet gedaan tegen deze uitspraak. De rechtbank heeft het verzet op 2 juli 2026 op zitting te Breda behandeld. Opposant heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Verder is verschenen de gemachtigde van verweerder. Overwegingen 1. Opposant stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2006 en de Sierra Leoonse nationaliteit te hebben. Hij heeft op 9 november 2025 asiel aangevraagd in Nederland. In het besluit van 30 maart 2026 heeft verweerder deze asielaanvraag niet in behandeling genomen omdat Kroatië daarvoor verantwoordelijk is, zoals bedoeld in de Dublinverordening. 2. In de uitspraak van 3 juni 2026 heeft de rechtbank het daartegen door opposant ingestelde beroep ongegrond verklaard. De rechtbank heeft geoordeeld dat ten aanzien van Kroatië mag worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel en dat opposant niet aannemelijk heeft gemaakt dat er in Kroatië sprake is van systematische tekortkomingen in de opvangvoorzieningen of in de asielprocedure. 3. Opposant is het niet eens met deze uitspraak. Opposant heeft met bericht van 21 mei 2026 aangegeven er bezwaar tegen te hebben als de zaak schriftelijk zou worden afgedaan, dit vanwege ernstige psychische en lichamelijke klachten aan de kant van opposant. Er is aangekondigd dat nadere medische informatie wordt overgelegd. Uit de brief van de behandelaars van opposant van 4 juni 2026 volgt dat de overdracht aan Kroatië op dit moment onverantwoord is en een aanzienlijk risico met zich meebrengt dat de traumaklachten verergeren en een destabilisatie van het psychische toestandsbeeld vormt als de behandeling wordt onderbroken. Voorts is er een operatie gepland op 18 juni 2026. Opposant beroept zich hierom op het arrest C.K. Tot slot verwijst opposant naar zijn verklaringen op pagina 5 en 6 van het aanmeldgehoor. Opposant heeft asiel aangevraagd vanwege zijn seksuele geaardheid. Asielzoekers worden in Kroatië blootgesteld aan mensonterende omstandigheden en discriminatie. Er is daarom bij overdracht sprake van een reëel risico op schending artikel 3 van het EVRM en artikel 4 van het Handvest. De rechtbank oordeelt als volgt. 4. De verzetsprocedure is geen hernieuwde inhoudelijk behandeling van het beroep. In een verzetsprocedure kan uitsluitend worden beoordeeld of de bestuursrechter terecht tot toepassing van artikel 8:54, eerste lid, van de Awb is overgegaan. Dit betekent dat de beoordeling van de rechtbank in deze procedure beperkt is tot de vraag of buiten redelijke twijfel staat dat het beroep ongegrond is en dat uitspraak op het beroep van opposant kon worden gedaan zonder hem op een zitting te horen. Als er in verzet argumenten naar voren worden gebracht die in het geval van een normale behandeling ook hadden kunnen worden aangevoerd, dient te worden beoordeeld of hierdoor twijfel ontstaat over de uitkomst. 5. Van dergelijke argumenten is in dit geval geen sprake. De gemachtigde van opposant heeft ter zitting toegelicht dat zij pas eind april dit jaar bij de zaak betrokken is geraakt en dat daarom de gestelde medische omstandigheden niet eerder zijn onderbouwd met stukken. Uit de in verzet overgelegde medische stukken blijkt dat opposant al in februari 2026 op een intake bij het OLVG in Amsterdam is verschenen. Daarbij neemt de rechtbank in aanmerking dat de gemachtigde bij bericht van 21 mei 2026 weliswaar heeft aangekondigd aanvullende medische informatie te overleggen, maar dat niet is toegelicht welke stukken nog zouden worden overgelegd en/of op welke termijn deze konden worden verwacht. Ter zitting is bovendien gebleken dat aanvankelijk een onvolledig verzoek om medische informatie bij de zorgverleners was ingediend. Pas nadat er op 4 juni 2026 (dat is ná de uitspraak waartegen verzet is gedaan) een door eiser ondertekende machtiging was overgelegd, is dit verzoek aangevuld. De gevraagde medische gegevens zijn vervolgens dezelfde dag verstrekt. Tegen deze achtergrond bestaat er geen grond voor het oordeel dat de medische omstandigheden niet eerder van een onderbouwing met stukken voorzien konden worden of dat de rechtbank destijds de zaak niet zonder zitting had mogen afdoen. 6. Het verzet is ongegrond. De uitspraak van 3 juni 2026 blijft in stand. 7. Voor een proceskostenveroordeling bestaat geen aanleiding. Beslissing De rechtbank verklaart het verzet ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 7 juli 2026 door mr. dr. E.J. Govaers, rechter, in aanwezigheid van mr. A.S.J.I. Hendrickx, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl De uitspraak bekendgemaakt op: Tegen deze uitspraak staat geen hoger beroep of verzet open. ECLI:NL:RBDHA:2026:14901. Verordening (EU) Nr. 604/2013. HvJEU 16 februari 2017, ECLI:EU:C:2017:127, in de zaak C.K. tegen Slovenië. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Handvest van de grondrechten van de Europese Unie.