← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:18737

Rechtbank Den Haag · 2026-07-08 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL25.57389
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
14.167 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Asielaanvraag – VK als veilig derde land – feitelijke toegang – onjuist land genoemd in terugkeerbesluit – beroep gegrond.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL25.57389 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] , (gemachtigde: mr. R. Deniz), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. J.L.A.F. van Halteren). Procesverloop 1. Bij besluit van 19 november 2025 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd niet-ontvankelijk verklaard. 2. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. 3. De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder. Overwegingen 4. Eiser is volgens zijn eigen opgave, geboren op [geboortedag] 1990 en heeft de Somalische nationaliteit. 5. Eiser heeft op 22 januari 2024 een asielaanvraag ingediend in Nederland. Hij heeft verklaard, voor zover in deze zaak relevant, dat hij in augustus 2022 is getrouwd met een vrouw die de Nederlandse en de Britse nationaliteit heeft en in het Verenigd Koninkrijk verblijft. Samen hebben ze een kind, dat volgens de verklaringen van eiser ook (in elk geval) de Nederlandse en Britse nationaliteit heeft. Het liefst wil eiser met zijn vrouw en kind herenigd worden in Nederland. Daarom heeft hij hier asiel aangevraagd. Zijn vrouw is ook een gezinsherenigingsprocedure voor eiser gestart in het Verenigd Koninkrijk. 6. Verweerder heeft in het bestreden besluit de asielaanvraag van eiser niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw omdat het Verenigd Koninkrijk voor eiser als veilig derde land kan worden aangemerkt. Verzoek om aanhouding 7. Ter zitting is besproken of de door de Afdeling gestelde prejudiciële vragen in de verwijzingsuitspraak van 15 mei 2026 van invloed zijn op de onderhavige zaak. In deze vragen staat de definitie van het begrip ‘vrijwillige terugkeer’ in de Terugkeerrichtlijn centraal. Mogelijk kan een land alleen als veilig derde land worden beschouwd als de vreemdeling vrijwillig naar dat land wil terugkeren. Eiser voert aan dat hij in Nederland asiel heeft aangevraagd en hier wil verblijven. Indien het bestreden besluit niet vernietigd wordt op basis van de nader te bespreken beroepsgronden, verzoekt eiser om de zaak aan te houden om de antwoorden op de prejudiciële vragen af te wachten. Deze zijn immers rechtstreeks op zijn aanvraag van toepassing, omdat eiser duidelijk heeft aangegeven dat hij niet de wens heeft om naar het Verenigd Koninkrijk te vertrekken. 7.1 De rechtbank is van oordeel dat de prejudiciële vragen van de Afdeling geen reden zijn voor aanhouding van het beroep. Uit de overgelegde gehoren blijkt dat eiser op enig moment in de procedure in elk geval de wens had om naar het Verenigd Koninkrijk te reizen. Ook is voor hem een visum voor gezinshereniging aangevraagd. Daarnaast is uit later overgelegde stukken gebleken dat de visumaanvraag inmiddels is afgewezen en heeft eiser feitelijk geen toegang gekregen tot het Verenigd Koninkrijk (zie verder onder punt 8.4). In deze omstandigheid lijken de antwoorden op de prejudiciële vragen niet rechtstreeks van invloed te kunnen zijn op de uitkomst van het onderhavige beroep, en hoeven daarom niet te worden afgewacht. Het (subsidiaire) verzoek om aanhouding wordt afgewezen. Veilig derde land 8. Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw kan een aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel niet-ontvankelijk worden verklaard als een derde land voor de vreemdeling als veilig derde land wordt beschouwd. De aanvraag wordt op deze grond alleen niet-ontvankelijk verklaard als de vreemdeling een zodanige band heeft met het betrokken derde land dat het voor hem redelijk zou zijn om naar dat land te gaan. Bij deze beoordeling worden alle relevante feiten en omstandigheden betrokken. De beleidsregels over deze bepalingen schrijven bovendien voor dat de IND en de vreemdeling een gedeelde bewijslast hebben op de vraag of een derde land als veilig kan worden aangemerkt. De IND neemt in ieder geval aan dat de vreemdeling een band heeft met een derde land als de echtgenoot of partner van de vreemdeling de nationaliteit heeft van dat land of als in dat land eerstelijns of directe familie woonachtig is, waarmee nog contact is. De IND verklaart in deze gevallen een asielaanvraag alleen niet-ontvankelijk als er redenen zijn om aan te nemen dat de vreemdeling wordt toegelaten tot het veilige derde land. 8.1 Tussen partijen is niet in geschil dat het Verenigd Koninkrijk in algemene zin als een veilig derde land kan worden aangemerkt. Volgens vaste rechtspraak van de Afdeling moet verweerder, als hij aan zijn besluit ten grondslag legt dat een land voor een vreemdeling een veilig derde land is, aannemelijk maken dat die vreemdeling wordt toegelaten tot dat land en dient hij redenen aan te dragen waarom toelating in beginsel mogelijk moet zijn. Het is vervolgens aan de vreemdeling om met tegenbewijs te komen door voldoende aannemelijk te maken dat de door verweerder geschetste mogelijkheden om toegang te krijgen in zijn geval niet aanwezig zijn. Daarnaast is het aan de vreemdeling om inspanningen te verrichten om daadwerkelijk te worden toegelaten tot het veilige derde land, tenzij niet van hem kan worden verlangd dat hij probeert toegang tot, en verblijf in dat land te krijgen. 8.2 Verweerder stelt zich op het standpunt dat het Verenigd Koninkrijk voor eiser een veilig derde land is en dat het voor hem redelijk en mogelijk is om daar naartoe te gaan. Verweerder voert hiertoe aan dat eiser een band heeft met het Verenigd Koninkrijk omdat volgens eisers eigen verklaringen, zijn echtgenote en kind in dat land wonen en zij (mede) de Britse nationaliteit hebben. Ook acht verweerder het aannemelijk dat eiser tot het Verenigd Koninkrijk zal worden toegelaten. Hij heeft in dit verband toegelicht dat het voor eiser mogelijk zou moeten zijn om een ‘family visa’ aan te vragen. Verweerder stelt dat het aan eiser is om eventueel aan te tonen dat het Verenigd Koninkrijk voor hem niet als veilig derde land kan gelden. Hiervan is niet gebleken. Sterker nog, eiser heeft zelf verklaard dat hij naar het Verenigd Koninkrijk wilde reizen, en zijn echtgenote heeft in dat land een aanvraag voor gezinshereniging ten behoeve van eiser ingediend. 8.3 Eiser voert aan dat het op de weg van verweerder ligt om aan te tonen dat het Verenigd Koninkrijk in zijn individuele geval een veilig land is. Verweerder gaat er in het bestreden besluit ten onrechte vanuit dat eiser toegang kan krijgen tot het Verenigd Koninkrijk. Zelfs als de door verweerder beschreven procedure voor de aanvraag van een ‘family visa’ juist zou zijn, is het niet aannemelijk dat eiser aan de voorwaarden kan voldoen. Voor het indienen van een visumverzoek in het Verenigd Koninkrijk moet een vreemdeling legaal verblijf hebben in het land vanwaar hij de aanvraag indient. Eiser kan aan deze voorwaarde niet voldoen als het bestreden besluit in stand blijft, omdat eiser na afloop van het beroep en de vertrektermijn van vier weken, geen legaal verblijf meer heeft in Nederland. Het is uitgesloten dat in deze korte tijd een aanvraag voor toegang tot het Verenigd Koninkrijk, voor welk verblijfsdoel dan ook, kan worden doorlopen. De aanwijzing van het Verenigd Koninkrijk als veilig derde land is daarom slechts een hypothetische optie. Dat eiser daadwerkelijk geen toegang heeft tot het Verenigd Koninkrijk blijkt bovendien uit de afwijzende beschikking van de Britse autoriteiten die eiser inmiddels heeft ontvangen en in de beroepsprocedure aan het dossier heeft toegevoegd. Nu eiser feitelijk geen toegang heeft tot het Verenigd Koninkrijk, kan dit land niet als veilig derde land voor hem gelden. 8.4 De rechtbank overweegt dat verweerder in het bestreden besluit uitvoerig heeft onderbouwd waarom het voor eiser - in theorie - mogelijk zou moeten zijn om op basis van een ‘family visa’ toegang te krijgen tot het Verenigd Koninkrijk. Ter zitting voegt verweerder hier nog aan toe dat het Verenigd Koninkrijk een spoedprocedure kent, waarmee tegen extra kosten, binnen korte tijd een visum kan worden afgegeven. De rechtbank stelt vast dat inmiddels is gebleken dat eiser de gevraagde toegang niet heeft gekregen. Uit de overgelegde stukken is gebleken dat niet alleen de aanvraag om een ‘family visa’ is afgewezen, maar ook dat het huwelijk waarop de aanvraag was gebaseerd, in het Verenigd Koninkrijk is aangemerkt als een schijnhuwelijk. In deze omstandigheid is het niet aannemelijk dat eiser op een later moment alsnog, op basis van een andere verblijfsaanvraag, zal worden toegelaten tot het Verenigd Koninkrijk. De rechtbank is daarom van oordeel dat het Verenigd Koninkrijk in het geval van eiser zonder nadere motivering niet (langer) als veilig derde land kan worden aangemerkt. Het bestreden besluit is op dit punt onvoldoende onderbouwd en de beroepsgrond slaagt. Toekomstig declaratoir verblijfsrecht in Nederland 9. Eiser voert aan dat verweerder er ten onrechte vanuit gaat dat eiser meer banden heeft met het Verenigd Koninkrijk dan met Nederland. Zijn band met Nederland is juist veel sterker. Als de echtgenote en het kind van eiser in Nederland zouden verblijven, zou eiser van rechtswege een declaratoir verblijfsrecht hebben op basis van de Chavez-Vilchez jurisprudentie. Eiser kan dit recht op dit moment echter niet formaliseren omdat zijn echtgenote noodgedwongen tijdelijk in het Verenigd Koninkrijk verblijft om daar voor haar zieke moeder te zorgen. Verweerder neemt bovendien tegenstrijdige standpunten in als het gaat om de nationaliteit van de gezinsleden van eiser: enerzijds meent verweerder dat eiser heeft nagelaten om aan te tonen dat de echtgenote en het kind van eiser de dubbele nationaliteit (Nederlands en Brits) hebben, anderzijds stelt verweerder zich op het standpunt dat eiser naar het Verenigd Koninkrijk kan gaan omdat vaststaat dat zijn echtgenote en kind de nationaliteit van dat land hebben. 9.1 De rechtbank is net als verweerder van oordeel dat een mogelijk toekomstig verblijfsrecht geen onderdeel kan zijn van de beoordeling van de voorliggende verblijfsaanvraag. De vraag in hoeverre de eventuele aanspraak op een toekomstig verblijfsrecht in Nederland zou moeten worden betrokken bij de vraag of eiser geacht kan worden banden te hebben met het Verenigd Koninkrijk, behoeft bovendien geen nadere bespreking in het licht van de vernietiging van het bestreden besluit, zoals bepaald in punt 8.4. Terugkeerbesluit 10. Eiser voert aan dat verweerder zijn asielaanvraag niet-ontvankelijk heeft verklaard op de grond dat het Verenigd Koninkrijk als veilig derde land voor hem kan gelden, maar heeft in het terugkeerbesluit bepaald dat eiser moet terugkeren naar Somalië. Het bestreden besluit is volgens eiser daarom innerlijk tegenstrijdig en ondeugdelijk gemotiveerd. 10.1 Verweerder is het met eiser eens dat in het terugkeerbesluit ten onrechte Somalië staat vermeld als land van terugkeer. Hij stelt dat er sprake is van een kennelijke verschrijving. Uit het voornemen en de overige inhoud van het bestreden besluit volgt immers wel degelijk duidelijk dat van eiser verwacht wordt dat hij vertrekt naar het Verenigd Koninkrijk. 10.2 De rechtbank stelt vast dat in het bestreden besluit onder het kopje ‘U krijgt een terugkeerbesluit’ wordt verwezen naar het voornemen, maar dat er geen land van terugkeer wordt genoemd. Onder het kopje ‘Gevolgen van dit besluit’ staat dat eiser moet terugkeren naar Somalië. De rechtbank acht deze fout te zwaarwegend om als kennelijke verschrijving terzijde te schuiven. Hierbij speelt een rol dat eiser stelt de Somalische nationaliteit te hebben. Ook deze beroepsgrond slaagt. Conclusie en gevolgen 11. Gelet op wat onder 8.4 en 10.2 is overwogen is het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit en draagt verweerder onder verwijzing naar artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht op om een nieuw besluit te nemen en daarbij rekening te houden met deze uitspraak. 12. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. De vergoeding bedraagt op basis van het Besluit proceskosten bestuursrecht € 1.868 (1 punt voor het indienen van een beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934 en een wegingsfactor van 1). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het besluit van 19 november 2025; draagt verweerder op om een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak; veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868 aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan op 8 juli 2026 door mr. S.S. van der Velde, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Vreemdelingenwet 2000, zoals die gold ten tijde van het beroep. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2026:2660. Richtlijn 2008/115/EG. Artikel 3.106a, lid 2 van het Vreemdelingenbesluit 2000 (Vb). Artikel 3.106a, lid 3 van het Vb. Artikel C3/6.3 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Zie, bijvoorbeeld, de uitspraak van de Afdeling van 17 april 2023, ECLI:NL:RVS:2023:1480. Arrest van het Hof van Justitie van de EU in zaak C-133/15 van 10 mei 2017, ECLI:EU:C:2017:354.