ECLI:NL:RBDHA:2026:18733
Rechtbank Den Haag · 2026-07-06 · Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, Vw; belang van het kind; discretionaire bevoegdheid; artikel 8 EVRM; ongegrond.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL25.47471 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiseres] , eiseres V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. A.K.E. van den Heuvel), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder. (gemachtigde: mr. J.M. Sanchez Rhemrev). Procesverloop Eiseres heeft op 2 april 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 24 september 2025 deze aanvraag in de algemene procedure niet-ontvankelijk verklaard. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. De rechtbank heeft het beroep op 3 juni 2026 op zitting behandeld in Breda. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, [tolk] als tolk en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Feiten 1. Eiseres heeft de Eritrese nationaliteit en is geboren op [geboortedag] 1987. 2. In 2018 heeft eiseres een verblijfsvergunning gekregen in Spanje. In 2023 is zij in Spanje herenigd met haar minderjarige dochter. Kort daarna zijn zij naar Nederland gegaan. 3. In een eerder besluit van 21 april 2023 heeft verweerder de asielaanvragen van eiseres en haar minderjarige dochter niet-ontvankelijk verklaard omdat zij al internationale bescherming hebben in Spanje. In de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats ’s-Hertogenbosch, van 6 juli 2023 is het daartegen door eiseres ingesteld beroep gegrond verklaard en is het besluit van 21 april 2023 vernietigd. De rechtbank heeft geoordeeld dat de asielaanvraag van de dochter niet niet-ontvankelijk mocht worden verklaard omdat zij geen zelfstandige aanspraak op internationale bescherming heeft in Spanje. In het besluit van 24 september 2025 heeft verweerder aan de dochter alsnog een asielvergunning verleend. Bestreden besluit 4. Verweerder heeft in het bestreden besluit de asielaanvraag van eiseres opnieuw niet-ontvankelijk verklaard omdat zij internationale bescherming heeft in Spanje. Volgens verweerder is niet gebleken dat deze status is beëindigd en kan ten aanzien van Spanje nog steeds worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. Daardoor moet ervan uit worden gegaan dat eiseres als statushouder in Spanje adequaat zal worden behandeld. Verder stelt verweerder dat de band van eiseres met Spanje sterker is dan haar band met Nederland. Ten aanzien van de minderjarige dochter stelt verweerder dat is geprobeerd moeder en dochter bijeen te houden, maar dat eiseres niet heeft meegewerkt door de vereiste toestemmingsverklaring niet te ondertekenen. Verweerder acht de belangen van de dochter niet doorslaggevend, mede omdat zij eerder langere tijd zonder eiseres heeft geleefd, inmiddels zestien jaar oud is en contact tussen moeder en dochter mogelijk blijft. Tot slot stelt verweerder zich op het standpunt dat eiseres niet in aanmerking komt voor een afgeleide asielvergunning bij haar dochter. Gronden 5. Eiseres voert aan dat haar asielaanvraag ten onrechte niet gelijktijdig met die van haar dochter is behandeld. Het bestreden besluit stoelt volgens eiseres ten onrechte op een voornemen dat is uitgebracht in de periode dat aan haar dochter nog geen asielvergunning was verleend. Daarnaast voert eiseres aan dat ten onrechte is aangenomen dat de belangen van haar minderjarige dochter niet worden geschaad door haar terug te sturen naar Spanje. Volgens eiseres is het in beginsel altijd in het belang van een kind om bij zijn of haar ouders te verblijven, tenzij die ouders een gevaar vormen voor het kind. Verder voert eiseres aan dat het standpunt dat haar dochter niet in haar belangen wordt geschaad omdat zij eerder van eiseres gescheiden is geweest, onjuist is. Eiseres stelt dat haar dochter destijds in Eritrea werd opgevangen door haar grootmoeder en dat die scheiding het gevolg was van de gedwongen vlucht uit Eritrea. Volgens eiseres kan die omstandigheid niet rechtvaardigen dat haar dochter nu opnieuw van haar wordt gescheiden. Eiseres betoogt dat deze redenering in strijd is met het IVRK en het Unierecht en dat haar dochter hierdoor juist extra in haar belangen wordt geschaad. Eiseres voert verder aan dat verweerder gebruik had moeten maken van zijn discretionaire bevoegdheid om verblijf aan eiseres toe te staan; het bestreden besluit is in strijd met de menselijke maat en leidt tot ongekende hardheid. Tot slot voert eiseres aan dat verweerder ten onrechte niet ambtshalve heeft getoetst of eiseres in aanmerking komt voor een verblijfsvergunning op grond van artikel 8 van het EVRM. De rechtbank oordeelt als volgt. Voornemen 6. Als een eerder uitgebracht voornemen op grond van nieuwe feiten of omstandigheden als bedoeld in artikel 3.119 van het Vb niet meer alle gronden voor afwijzing van de aanvraag tot een verblijfsvergunning asiel bevat, brengt verweerder een nieuw of aanvullend voornemen uit. Nieuwe feiten en omstandigheden zijn volgens het beleid van verweerder in onderdeel C2/2.12 van de Vc : nieuwe resultaten van onderzoek door of in opdracht van verweerder; en feiten en omstandigheden die hetzij door het bekend worden, hetzij door een andere beoordeling naar aanleiding van de zienswijze van de vreemdeling, van invloed kunnen zijn op de beoordeling van de geloofwaardigheid van het relaas van de vreemdeling. 7. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat verweerder een nieuw voornemen had moeten uitbrengen nadat op dezelfde dag de asielaanvraag van haar minderjarige dochter is ingewilligd. Verweerder heeft de gewijzigde situatie kenbaar betrokken bij de besluitvorming. Het bestreden besluit bevat immers een beoordeling van de gevolgen van de inwilliging van de asielaanvraag van de dochter voor de positie van eiseres en de belangen van het minderjarige kind. Onder deze omstandigheden was geen sprake van een situatie als bedoeld in artikel 3.119 van het Vb die verweerder verplichtte een nieuw voornemen uit te brengen. Verweerder heeft de gewijzigde omstandigheden in het bestreden besluit betrokken en hoefde eiseres daarom niet opnieuw in de gelegenheid te stellen een zienswijze in te dienen. Belang van het kind 8. De rechtbank volgt eiseres niet in haar betoog dat de inwilliging van de asielaanvraag van haar minderjarige dochter tot een andere uitkomst van haar eigen asielaanvraag had moeten leiden. Verweerder heeft deze gewijzigde omstandigheid kenbaar betrokken bij het bestreden besluit en daarbij de belangen van de minderjarige dochter beoordeeld in het kader van artikel 3.106a van het Vb. Verweerder heeft zich daarbij niet ten onrechte op het standpunt gesteld dat band van eiseres met Spanje zwaarder weegt dan haar band met Nederland, nu eiseres sinds 2018 internationale bescherming geniet in Spanje. Dat de dochter inmiddels een verblijfsvergunning asiel in Nederland heeft, maakt dit niet anders. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de Afdeling in haar uitspraak van 2 juli 2024 heeft overwogen dat de belangen van een minderjarig kind weliswaar bij de beoordeling op grond van artikel 3.106a Vb moeten worden betrokken, maar dat deze niet zonder meer aan een niet-ontvankelijkverklaring in de weg staan. 9. De rechtbank volgt eiseres niet in haar beroep op de artikelen 3, 7, 9 en 22 van het IVRK. Verweerder heeft de belangen van de minderjarige dochter kenbaar bij zijn besluitvorming betrokken. Daarbij heeft verweerder onder meer in aanmerking kunnen nemen dat is geprobeerd eiseres en dochter bijeen te houden en dat eiseres daar niet aan mee heeft gewerkt. Ook heeft verweerder mogen overwegen dat de dochter jarenlang zonder eiseres heeft geleefd, zich in die periode heeft weten staande te houden, inmiddels bijna meerderjarig is en dat contact tussen moeder en dochter mogelijk blijft. Dat eiseres zich niet kan verenigen met de uitkomst van deze belangenafweging, betekent niet dat verweerder de belangen van het kind onvoldoende bij zijn beoordeling heeft betrokken. De rechtbank neemt daarbij in aanmerking dat de Afdeling in haar eerdergenoemde uitspraak van 2 juli 2024 heeft overwogen dat de rechter terughoudend dient te toetsen of verweerder de belangen van het kind voldoende heeft meegewogen en dat verweerder, wanneer kenbaar is ingegaan op de door de vreemdeling aangevoerde omstandigheden, in beginsel aan zijn motiveringsplicht heeft voldaan. Van een situatie waarin verweerder gehouden was zelfstandig nader onderzoek te verrichten naar de gevolgen van het besluit voor het kind, is in dit geval geen sprake. De rechtbank is dan ook van oordeel dat verweerder de belangen van de minderjarige dochter voldoende in de besluitvorming heeft betrokken. Deze beroepsgrond slaagt niet. Discretionaire bevoegdheid. 10. Artikel 3.6b, aanhef en onder a, van het Vb biedt verweerder de bevoegdheid om ambtshalve een verblijfsvergunning regulier te verlenen onder een beperking verband houdend met niet-tijdelijke humanitaire gronden. Daarmee is het voor verweerder mogelijk om zijn discretionaire bevoegdheid te gebruiken om verblijf aan eiseres toe te staan. De rechtbank volgt echter niet het standpunt van eiseres dat verweerder dat in dit geval had moeten doen. Niet aannemelijk is dat dat het bestreden besluit onevenredige gevolgen heeft als bedoeld in artikel 3:4, tweede lid, van de Awb. De belangen van het kind zijn reeds betrokken in de afweging op grond van artikel 3.106a van het Vb en van onevenredige nadelige gevolgen is niet gebleken. Daarbij is van belang dat eiseres desgewenst langs de reguliere weg verblijf in Nederland kan aanvragen. Ook kan de dochter van eiseres gezinshereniging met eiseres vragen in Spanje. Ambtshalve toets aan artikel 8 van het EVRM 11. Een inhoudelijke beoordeling door verweerder van het beroep op artikel 8 van het beroep van eiseres op artikel 8 EVRM, waarin het recht op familieleven is neergelegd, is in deze asielprocedure niet aan de orde. Nu verweerder de asielaanvraag niet-ontvankelijk heeft verklaard, is artikel 3.6a, tweede lid, van het Vb van toepassing. Hieruit volgt dat verweerder de aanvraag niet ambtshalve aan artikel 8 van het EVRM hoefde te toetsen. Ook artikel 3.6b, aanhef onder c, van het Vb biedt daarvoor geen zelfstandige grondslag. De Afdeling heeft dit bevestigd in haar onder overweging 8 aangehaalde uitspraak van 2 juli 2024. Conclusie en gevolgen 12. Verweerder heeft de aanvraag terecht niet-ontvankelijk verklaard. Het beroep is ongegrond. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan op 6 juli 2026 door mr. B.F.Th. de Roos, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Gasi, griffier en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspraak.nl. De uitspraak is bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. ECLI:NL:RBDHA:2023:9957. Op grond van artikel 30a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vreemdelingenwet 2000 zoals dat luidde tot 12 juni 2026. Internationaal Verdrag inzake de Rechten van het Kind. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Het Vreemdelingenbesluit 2000 zoals dat luidde tot 12 juni 2026. De Vreemdelingencirculaire 2000 zoals die luidde tot 12 juni 2026. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2024:2668. Eiseres heeft geen gebruik gemaakt van de gelegenheid om een toestemmingsverklaring te ondertekenen voor hereniging van haar dochter met haar in Spanje. Algemene wet bestuursrecht.