← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:18731

Rechtbank Den Haag · 2026-07-07 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL25.57387
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
15.800 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Asielaanvraag – geen confrontatie met tegenstrijdige verklaring – adequate opvang – beroep deels gegrond.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Middelburg Bestuursrecht zaaknummer: NL25.57387 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser V-nummer: [V-nummer] (gemachtigde: mr. R. Deniz), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. J.L.A.F. van Halteren). Procesverloop 1. Eiser heeft op 8 april 2024 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 17 november 2025 in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. 2. De rechtbank heeft het beroep op 11 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: de gemachtigde van eiser en de gemachtigde van verweerder. Overwegingen 3. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het bestreden besluit waarin zijn asielaanvraag is afgewezen. Zij doet dit aan de hand van de door eiser aangevoerde beroepsgronden. Het asielrelaas 4. Eiser heeft, kort weergegeven, het volgende aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd. Hij stelt te zijn geboren op [geboortedag] 2007 en de Gambiaanse nationaliteit te hebben. Tot zijn moeder in 2023 overleed, woonde eiser bij haar. Hij ging naar school, voetbalde en hielp zijn moeder met haar bedrijf. Na de dood van zijn moeder moest eiser bij zijn vader en stiefmoeder wonen. Hij mocht niet meer naar school, niet naar voetbal en moest helpen in het bedrijf zonder dat hij daar een vergoeding voor kreeg. De stiefmoeder heeft eiser geslagen en uitgescholden. Eiser kreeg depressieve gedachtes. Na een grote ruzie met zijn stiefmoeder, waarbij hij haar heeft geduwd, is eiser gevlucht. Van zijn broer heeft eiser later te horen gekregen dat de stiefmoeder is overleden nadat eiser gevlucht was. Zijn vader en zijn stiefbroers geven eiser de schuld van de dood van de stiefmoeder. Eiser vreest daarom bij terugkeer naar Gambia voor zijn vader en zijn stiefbroers. Het bestreden besluit 5. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende relevante elementen: Identiteit, nationaliteit en herkomst; Problemen door de dood van de stiefmoeder van eiser. 5.1 Verweerder stelt zich ten aanzien van het eerste relevante element op het standpunt dat de nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig zijn, maar eisers gestelde identiteit wordt niet gevolgd. Eiser heeft zijn identiteit niet met objectieve documenten onderbouwd zodat verweerder de geloofwaardigheid heeft beoordeeld aan de hand van de voorwaarden van artikel 31, zesde lid, onder b, van de Vw. Op grond van deze bepaling worden, indien de vreemdeling zijn verklaringen of een deel van zijn verklaringen niet met documenten kan onderbouwen, deze verklaringen geloofwaardig geacht en wordt de vreemdeling het voordeel van de twijfel gegund, wanneer alle relevante elementen waarover de vreemdeling beschikt zijn overgelegd, en er een bevredigende verklaring is gegeven omtrent het ontbreken van andere relevante elementen. Verweerder stelt dat eiser de geboorteakte die volgens zijn verklaring nog in Gambia ligt, had kunnen overleggen omdat hij zijn [broer] had kunnen vragen om dit document op te sturen. 5.2 De problemen die eiser stelt te hebben in verband met de dood van zijn stiefmoeder zijn door verweerder ongeloofwaardig geacht. Hij overweegt dat eiser zijn verklaringen niet met objectieve documenten heeft onderbouwd zodat de aannemelijkheid van zijn verklaringen, in samenhang bezien, is beoordeeld onder verwijzing naar artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw. De mishandeling door de stiefmoeder wordt wel gevolgd. De stelling van eiser dat hij verantwoordelijk wordt gehouden voor de dood van zijn stiefmoeder en de vrees voor zijn vader en broers als gevolg hiervan, worden niet gevolgd. 5.3 Verweerder heeft verder ambtshalve beoordeeld of eiser in aanmerking komt voor (voor zover hier relevant) een reguliere verblijfsvergunning op grond van het buitenschuldbeleid voor alleenstaande minderjarige asielzoekers (amv’s). Hij stelt dat dit niet het geval is, nu voor eiser ten tijde van zijn minderjarigheid adequate opvang beschikbaar was in Gambia. Eiser zou terecht kunnen bij zijn vader of andere familieleden. In het verleden heeft de vader van eiser ook voor hem gezorgd. Via zijn [broer] kan eiser zijn vader telefonisch bereiken. Ook als de familie niet voor adequate opvang zou kunnen zorgen is er in Gambia adequate opvang beschikbaar in de vorm van een opvanginstelling die naar lokale omstandigheden als aanvaardbaar wordt beschouwd. De gronden van beroep 6. Eiser is het niet eens met het bestreden besluit en voert hiertoe, kort weergegeven, het volgende aan. Eiser is in bewijsnood als het gaat om het aantonen van zijn identiteit. Anders dan verweerder stelt, heeft eiser geen contact meer met zijn [broer] . Het is daarom niet mogelijk om hem te vragen zijn geboorteakte op te sturen. De relatie met deze broer is ook van belang in het kader van de beoordeling van de adequate opvang in Gambia. Nu het eiser is gebleken dat hij verantwoordelijk wordt gehouden voor de dood van zijn stiefmoeder, kan hij niet bij zijn vader en overige familieleden terecht. Zij zijn immers juist degenen die hem bedreigen. Het bestreden besluit is op dit punt onvoldoende onderbouwd. Voor zover verweerder verwijst naar adequate opvang van overheidswege in Gambia, verwijst eiser naar de verplichting op grond van het Unierecht om individueel en grondig onderzoek te doen naar de vraag wat adequate opvang voor deze eiser precies betekent. Hij verwijst in dit verband naar de Procedurerichtlijn en het [arrest] . De rechtbank oordeelt als volgt Bewijsnood ten aanzien van de vaststelling van de identiteit 7. Verweerder stelt zich op het standpunt dat op basis van de verklaringen van eiser kan worden aangenomen dat hij goed contact heeft met tenminste één van zijn broers, [broer] , en dat hij hem zou kunnen vragen zijn geboorteakte op te sturen. Op 10 november 2025 stelt eiser echter in zijn correcties en aanvullingen bij het aanmeldgehoor dat zijn broer hem negeert en hij al een tijd geen contact heeft met zijn vader. In het nader gehoor op 11 november 2025 verklaart eiser dat hij soms contact heeft met zijn broer en geeft hij diens telefoonnummer. Verweerder beschouwt dit als een inconsistentie maar heeft eiser in het nader gehoor niet geconfronteerd met deze inconsistentie. Verweerder baseert zich in zijn voornemen vervolgens op de aanname dat eiser goed contact heeft met [broer] , maar hem desondanks niet heeft gevraagd om de geboorteakte op te sturen. In zijn zienswijze benadrukt eiser nogmaals dat hij geen contact heeft met zijn vader en met zijn broer, zodat het onmogelijk is om hen om hulp te vragen. In het bestreden besluit wordt het eiser tegengeworpen dat hij inconsistent heeft verklaard over het contact met zijn broer. Eiser heeft in het nader gehoor immers verklaard over gesprekken met zijn broer, en daarbij niet vermeld dat hij inmiddels geen contact meer met hem zou hebben. 7.1 De rechtbank stelt op basis van het verslag van het nader gehoor vast dat eiser inderdaad heeft verklaard over de gesprekken met zijn [broer] . Er wordt blijkens dat verslag echter niet gevraagd wanneer die gesprekken hebben plaatsgevonden. Het lijkt niet uit te sluiten dat eiser in eerste instantie goed contact had met zijn broer, maar later niet meer. Hierbij speelt een rol dat er meer dan anderhalf jaar is verstreken tussen het aanmeldgehoor (in april 2024) en het nader gehoor (in november 2025). Artikel 3.116 van het Vb 2000, dat een implementatie is van artikel 16 van de Procedurerichtlijn, bepaalt dat bij het afnemen van het nader gehoor de vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld om zo volledig mogelijk de tot staving van zijn aanvraag noodzakelijke elementen aan te voeren. Dat houdt onder meer in dat de vreemdeling in de gelegenheid wordt gesteld om uitleg te geven over eventueel ontbrekende elementen of over inconsistenties of tegenstrijdigheden in zijn verklaringen. Nu verweerder eiser pas in het bestreden besluit heeft geconfronteerd met wat hij beschouwt als tegenstrijdige verklaringen ten aanzien van het contact met de broer, is het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand gekomen en onvoldoende gemotiveerd. 7.2 Hoewel de rechtbank een gebrek heeft geconstateerd in het bestreden besluit ziet zij aanleiding om dit gebrek met toepassing van artikel 6:22 van de Awb te passeren, nu eiser hierdoor niet in zijn belangen is geschaad. Verweerder heeft immers, ondanks de ongeloofwaardig bevonden identiteit van eiser, zijn asielverzoek inhoudelijk beoordeeld en is daarbij uitgegaan van de door eiser gestelde identiteit. Nu eiser geen gronden heeft gericht tegen de inhoudelijke beoordeling van het tweede element van het asielrelaas blijft dat onderdeel van het bestreden besluit in stand. Adequate opvang in Gambia 8. Eiser voert, kort samengevat, aan dat verweerder ten onrechte en onvoldoende gemotiveerd heeft geweigerd om hem ambtshalve een verblijfsvergunning regulier te verlenen op grond van het amv-buitenschuldbeleid. Verweerder is verplicht om, voordat er een terugkeerbesluit wordt opgelegd aan een amv, concreet onderzoek te doen naar de aanwezigheid van adequate opvang in het land van herkomst. Als die niet beschikbaar is, wordt de amv een reguliere vergunning verleend. Uit het door verweerder zelf geformuleerde beleid, mede gebaseerd op het [arrest] , volgt dat bij het zoeken naar een vorm van adequate opvang voor een amv primair moet worden getracht om de minderjarige met zijn ouder(s) te herenigen. Daarna moet worden gekeken naar hereniging bij andere familieleden. Als dit niet mogelijk is wordt naar andere mogelijkheden voor geschikte opvang gezocht, zoals bijvoorbeeld in een opvanghuis. 8.1 In het bestreden besluit stelt verweerder dat er grondig onderzoek heeft plaatsgevonden naar adequate opvang voor eiser in Gambia. Hij verwijst in dit verband naar een pagina in het aanmeldgehoor en naar drie pagina’s in het nader gehoor. Uit de verslagen van deze gehoren blijkt dat aan eiser slechts is gevraagd hoe zijn familie in Gambia was samengesteld, en of hij mogelijkheden ziet om elders in Gambia een veilige plek te vinden, hetgeen eiser ontkent. Ter zitting heeft verweerder erkend dat de genoemde passages geen blijk geven van een grondig onderzoek. Hij stelt zich echter op het standpunt dat nog steeds van de zorgplicht van de vader kan worden uitgegaan. De vraag of eiser wel of geen (goed) contact heeft met zijn [broer] speelt in dit verband opnieuw een rol. Verweerder gaat er immers vanuit dat eiser contact heeft met zijn broer, en via zijn broer met zijn vader, zodat opvang bij die laatste in de rede zou liggen. Eiser stelt echter dat hij geen contact heeft met zijn broer of met zijn vader, dat zij juist mede de reden zijn dat hij uit Gambia is gevlucht en daar niet naar terug kan keren, en dat opvang bij hen daarom uitgesloten is. Verweerder stelt zich ten slotte op het standpunt dat de gebrekkige onderbouwing van het bestreden besluit op het punt van het onderzoek naar adequate opvang wordt ondervangen door de aanwezigheid van opvanghuizen in Gambia. 8.2 De rechtbank is het met eiser en verweerder eens dat de motivering ten aanzien van adequate opvang bij de ouders of andere familie van eiser in Gambia onvoldoende is. De enkele vaststelling dat de vader een zorgplicht heeft is niet voldoende om vast te stellen dat er voor eiser adequate opvang is in Gambia, mede in het licht van wat onder punt 7 van deze uitspraak is opgemerkt over het contact van eiser met zijn broer en zijn vader. De rechtbank volgt verweerder niet in zijn standpunt dat dit gebrek ondervangen wordt door de aanwezigheid van opvanghuizen in Gambia. Met deze lezing miskent verweerder dat hij op grond van zijn eigen beleid gehouden is in eerste instantie te onderzoeken of opvang bij ouders of familie mogelijk is. Een andere lezing zou betekenen dat deze verplichting een formaliteit is die geen concrete gevolgen heeft en dus feitelijk een dode letter is. De rechtbank is daarom van oordeel dat het bestreden besluit onvoldoende is onderbouwd ten aanzien van het onderzoek naar de adequate opvang voor eiser in Gambia. Zij zal dan ook het besluitonderdeel, waarin is bepaald dat aan eiser geen ambtshalve te verlenen vergunning op reguliere gronden wordt verleend, vernietigen omdat de motivering het bestreden besluit op dit onderdeel niet kan dragen. 8.3 De door eiser overigens nog opgeworpen vragen in hoeverre de beoordeling of er adequate opvang van overheidswege voor een amv voorhanden is, ook onderwerp moet zijn van een individuele en concrete toetsing, hoeft in het licht van het voorgaande niet te worden besproken. Conclusie en gevolgen 9. De rechtbank concludeert dat het beroep deels ongegrond, en deels gegrond is. 9.1 Voor zover het beroep zich richt tegen de afwijzing van eisers asielaanvraag verklaart de rechtbank het beroep ongegrond. 9.2 Voor zover het beroep zich richt tegen het niet verlenen van een ambtshalve te verlenen verblijfsvergunning regulier op basis van het buitenschuldbeleid voor amv’s, verklaart de rechtbank het beroep gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit in zoverre en bepaalt met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Awb dat verweerder op dit besluitonderdeel een nieuw besluit dient te nemen, met inachtneming van wat de rechtbank hierover heeft overwogen. 9.3 Omdat het beroep deels gegrond is, en een gebrek bevat, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond voor zover gericht tegen de afwijzing van de asielaanvraag; - verklaart het beroep gegrond voor zover gericht tegen het niet ambtshalve verlenen van een verblijfsvergunning op reguliere gronden, vernietigt het bestreden besluit op dit punt en draagt verweerder op hierover opnieuw te beslissen met inachtneming van deze uitspraak; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan op 7 juli 2026 door mr. S.S. van der Velde, rechter, in aanwezigheid van mr. W. van Loon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van geanonimiseerde publicatie op www.rechtspaak.nl. Uitgesproken en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Vreemdelingenwet 2000 zoals deze gold ten tijde van het beroep. Op grond van artikel 14, eerste lid, aanhef en onder e, van de Vw, nader uitgewerkt in artikel 3:48, tweede lid, onder b, van de Vb (Vreemdelingenbesluit 2000) jo. onderdeel B8/6 van de Vc (Vreemdelingencirculaire 2000). Zie onderdeel C9/37.6, van de Vc, jo. paragraaf B8/6, van de Vc. Arrest van 14 januari 2021, [arrest] ., zaaknummer C-441/19 (ECLI:EU:C:2021:9). Algemene wet bestuursrecht. Zie het [arrest] van het HvJEU en de uitspraken van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (de Afdeling) van 8 juni 2022 (ECLI:NL:RVS:2022:1530) en (ECLI:NL:RVS:2022:1532) en van 4 juli 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3033. Op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht.