← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:18730

Rechtbank Den Haag · 2026-06-30 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL26.8583, NL26.8585, NL26.8587 en NL26.8589
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
16.841 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

asielaanvraag, Jezidi, KAR, tentenkamp, normale woon- en verblijfplaats, ten onrechte geen rekening gehouden met (humanitaire) omstandigheden waaronder vreemdelingen in tentenkamp hebben verbleven, terugkeerbesluit vernietigd vanwege Griekse status, gegrond.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummers: NL26.8583, NL26.8585, NL26.8587 en NL26.8589 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaken tussen [eiser 1] , V-nummer: [nummer 1] , en [eiser 2] , V-nummer: [nummer 2] , en [eiser 3] , V-nummer: [nummer 3] , en [eiser 4] , V-nummer: [nummer 4] , hierna tezamen: eisers (gemachtigde: mr. N. van Bremen), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. J.M. Sánchez Rhemrev). Procesverloop Bij besluiten van 11 februari 2026 (de bestreden besluiten) heeft verweerder de aanvragen tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) van [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] afgewezen als kennelijk ongegrond. De asielaanvraag van [eiser 4] is afgewezen als ongegrond. Daarnaast heeft verweerder terugkeerbesluiten uitgevaardigd. Eisers hebben tegen de bestreden besluiten beroepen ingesteld. Zij hebben tevens de voorzieningenrechter verzocht om voorlopige voorzieningen te treffen. De rechtbank heeft de beroepen, samen met de verzoeken om een voorlopige voorziening , op 12 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: [eiser 1] , de gemachtigde van eisers, waargenomen door mr. A. Šimičević, H. Amin als tolk, de gemachtigde van verweerder en [persoon A] als voogd van Nidos. Totstandkoming van het besluit Het asielrelaas 1.1. Eisers hebben de Iraakse nationaliteit en behoren tot de Jezidi bevolkingsgroep. [eiser 1] is geboren op [geboortedatum 1] 1998, [eiser 2] is geboren op [geboortedatum 2] 2002, [eiser 3] is geboren op [geboortedatum 3] 2009 en [eiser 4] is geboren op [geboortedatum 4] 2012. [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] zijn broers. [eiser 4] is een neefje van hen. 1.2. Eisers leggen aan hun asielaanvraag kort samengevat ten grondslag dat zij in Irak niet veilig zijn omdat zij Jezidi zijn. Eisers hebben de aanval van IS op Jezidi’s in de regio Sinjar in 2014 meegemaakt en hebben sindsdien in een tentenkamp in de KAR ( [naam tentenkamp] in Zakho) verbleven. Binnen het tentenkamp waren de omstandigheden niet goed. Zo vlogen er tenten door kortsluiting in brand. Als Jezidi krijgen eisers regelmatig te maken met discriminatie. Ook vinden er in de regio gevechten en bombardementen plaats. Eisers vrezen bij terugkeer voor de onveilige situatie, verdere discriminatie en rekrutering door de PKK of YPG. Ook vrezen eisers opnieuw te worden aangevallen door IS-strijders die schuldig waren aan de genocide in 2014 omdat zij na een generaal pardon zullen worden vrijgelaten en de hulp van de Koerden geen zekerheid is. 1.3. Om hun asielrelaas te onderbouwen hebben eisers ieder een identiteitskaart, nationaliteitsbewijs/nationaliteitsverklaring en een geboorteakte overgelegd. [eiser 1] , [eiser 3] en [eiser 4] hebben daarnaast ook een paspoort overgelegd. De bestreden besluiten 2. Uit Eurodac is gebleken dat eisers internationale bescherming hebben gekregen in Griekenland. Verweerder heeft er voor gekozen om de asielaanvragen in Nederland wel in behandeling te nemen. Verweerder heeft hierbij vastgesteld dat het asielrelaas van eisers het asielmotief identiteit, nationaliteit en herkomst bevat. Het asielrelaas van [eiser 1] omvat daarnaast ook het asielmotief problemen vanwege het behoren tot de Jezidi gemeenschap . 2.1. Verweerder heeft de identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers geloofwaardig geacht. Verweerder heeft in het geval van [eiser 1] de geloofwaardigheid van de problemen vanwege het behoren tot de Jezidi gemeenschap in het midden gelaten. Verweerder heeft vervolgens in alle zaken van eisers beoordeeld of zij een gegronde vrees voor vervolging hebben of een reëel risico lopen op ernstige schade bij terugkeer. 2.2. De identiteit, nationaliteit en herkomst van eisers en in het geval van [eiser 1] , de problemen vanwege het behoren tot de Jezidi gemeenschap, leiden volgens verweerder niet tot een vervolgingsgrond in de zin van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) of tot een reëel risico op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Verweerder heeft de asielaanvragen van [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder d van de Vreemdelingenwet (Vw) omdat zij opzettelijk hun Griekse documenten hebben weggegooid. De asielaanvraag van [eiser 4] is afgewezen als ongegrond. Daarnaast omvatten de bestreden besluiten een terugkeerbesluit. Beoordeling door de rechtbank Normale woon- en verblijfplaats 3. Eisers stellen zich op het standpunt dat verweerder het tentenkamp [naam tentenkamp] in Zakho, KAR ten onrechte als normale woon- en verblijfplaats heeft aangemerkt. Eisers doen hierbij een beroep op verschillende uitspraken waarin deze rechtbank heeft geoordeeld dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat ontheemdenkampen als normale woon- en verblijfplaats kunnen worden aangemerkt. Volgens eisers maakt verweerder in hun zaken dezelfde fouten door slechts naar beleidswijzingen en eerdere interne beleidskeuzes te verwijzen zonder daarbij de feitelijke leefomstandigheden in het ontheemdenkamp [naam tentenkamp] , de sluitingsplannen van het kamp, de beschikbaarheid van opvang na terugkeer in het kamp, de veiligheidssituatie in de KAR en de bijzondere kwetsbaarheid van Jezidi’s bij zijn beoordeling te betrekken. De leefomstandigheden in de kampen zijn verslechterd, zoals onder meer volgt uit het Thematisch ambtsbericht Irak van november 2025 (TAB). Eisers volgen verweerder niet in zijn standpunt dat de verslechterde omstandigheden niet bij de beoordeling hoeven te worden betrokken omdat deze niet door strijdende partijen worden veroorzaakt. Eisers wijzen er verder op dat Jezidi’s een kwetsbare minderheid vormen. Daarnaast menen [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] dat hun asielaanvraag ten onrechte als kennelijk ongegrond is afgewezen omdat de situatie van Jezidi’s in de KAR complex en volop in ontwikkeling is. Een versnelde afdoening past hier niet bij. 3.1. De rechtbank ziet zich allereerst voor de vraag gesteld of verweerder deugdelijk heeft gemotiveerd dat, en waarom, hij het vluchtelingenkamp [naam tentenkamp] in Zakho, KAR voor eisers heeft aangemerkt als normale woon- en verblijfplaats. Een beoordeling voor wat betreft de vraag of eisers een gegronde vrees voor vervolging hebben of bij terugkeer een reëel risico lopen op ernstige schade, heeft pas betekenis tegen de achtergrond van waarnaartoe eisers moeten terugkeren. Hierbij gaat het – volgens verweerder, en dit staat verder niet ter discussie – om de normale woon- en verblijfplaats, in dit geval vluchtelingenkamp [naam tentenkamp] . 3.2. Verweerder stelt zich hierover op het standpunt dat het bij het bepalen van de normale woon- en verblijfplaats gaat om de feitelijke duur en legaliteit van het verblijf. Humanitaire omstandigheden zijn hierbij volgens verweerder niet relevant. Een humanitaire situatie in een bepaald gebied kan volgens verweerder in beginsel niet tot een asielverlening leiden. Dit is volgens verweerder alleen anders als de humanitaire omstandigheden het gevolg zijn van een gewapend conflict. Verweerder verwijst hierbij naar het arrest van het EHRM van 28 juni 2011 (ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907, Sufi en Elmi). Nu niet aannemelijk is gemaakt dat dit het geval is, stelt verweerder zich op het standpunt dat hij niet gehouden is om nader onderzoek te doen naar de humanitaire situatie in het kamp. Daarnaast wijst verweerder op het Algemeen Ambtsbericht Irak van november 2023. Volgens verweerder volgt hieruit dat de algemene situatie in de opvangkampen niet zodanig slecht is dat er bij terugkeer een reëel risico is op ernstige schade. Omdat eisers voorafgaand aan hun vertrek zeven jaar, dan wel acht jaar in het tentenkamp [naam tentenkamp] in de KAR hebben verbleven, kan dit volgens verweerder als hun normale woon- en verblijfplaats worden gezien. 3.3. De rechtbank acht het standpunt van verweerder onvoldoende zorgvuldig tot stand gekomen en onvoldoende deugdelijk gemotiveerd. Zij overweegt hiertoe dat verweerder aan zijn standpunt dat [naam tentenkamp] voor eisers als normale woon- en verblijfplaats kan worden aangemerkt, enkel ten grondslag heeft gelegd dat eisers hier voorafgaand aan hun vertrek zeven, dan wel acht jaar hebben verbleven. Uit de uitspraak van de Afdeling van 18 september 2012 (ECLI:NL:RVS:2012:357, ro. 1.4), volgt echter dat bij de beantwoording van de vraag of een plaats kan worden beschouwd als de plaats waar de vreemdeling zijn normale woon- en verblijfplaats had, onder meer van belang is hoe lang en onder welke omstandigheden de vreemdeling daar heeft verbleven. Anders dan verweerder stelt volgt hieruit dat er bij de vraag of een plaats als normale woon- en verblijfplaats kan worden gezien ook rekening moet worden gehouden met de (humanitaire) omstandigheden waaronder de vreemdeling op die plaats heeft verbleven. Ook overigens merkt de rechtbank op dat de toenmalig Staatssecretaris van Justitie en Veiligheid in antwoord op Kamervragen zelf heeft aangegeven dat, bij de vraag of een gebied waar een Jezidi heeft verbleven aangemerkt wordt als normale woon-of verblijfplaats, van belang is of de Jezidi daar naar lokale maatstaven gemeten op een normaal niveau heeft kunnen functioneren. 3.4. In weerwil van het voorgaande blijkt uit de bestreden besluiten niet dat verweerder de feitelijke situatie, en daarmee ook de humanitaire omstandigheden, in het kamp voor Jezidi’s heeft onderzocht en betrokken bij zijn beoordeling. Dit schrijnt te meer nu eisers al bij hun zienswijze hebben gewezen op meerdere uitspraken waarin door de rechtbank is geconcludeerd dat verweerder ten onrechte de feitelijke situatie in de ontheemdenkampen of in zijn algemeenheid in de KAR voor Jezidi’s niet heeft onderzocht. Daarnaast blijkt uit het TAB dat de situatie in de kampen zorgwekkend is, onder andere omdat de financiering van hulporganisaties is gestopt en teruggelopen, hetgeen resulteerde in een gebrek aan basisvoorzieningen, medische zorg, psychosociale ondersteuning en slechte leefomstandigheden in de kampen. Daarnaast blijkt uit eisers verklaringen ook dat de omstandigheden in de kampen slecht waren. Zo heeft [eiser 1] verklaard dat er geen warm water of constante stroom was (p. 7 nader gehoor) en heeft [eiser 2] onder andere verklaard dat tenten in de brand vlogen en dat hij via Youtube onderwijs heeft genoten (p. 6 nader gehoor). Hij heeft ook verklaard dat ze geen mogelijkheid hadden om elders te gaan wonen, omdat de overheid dat niet accepteerde, maar ze tegelijkertijd niet de tent waar ze verbleven mochten ombouwen tot een woning van stenen (p. 10 nader gehoor). [eiser 4] heeft ook verklaard dat er soms tenten in de brand vlogen (p. 8 nader gehoor). [eiser 3] bevestigd dit ook en verklaart dat hierbij soms mensen verbrandden of overleden (p. 4 nader gehoor). De school was volgens [eiser 3] een tent waarbij niet docenten, maar andere vluchtelingen het onderwijs verzorgden (p. 4 en 9 nader gehoor). Niet is gebleken dat verweerder landeninformatie, waaronder de informatie uit het TAB, en de verklaringen van eisers bij zijn beoordeling of het tentenkamp als normale woon- en verblijfplaats kan worden aangemerkt, heeft betrokken. De rechtbank volgt verweerder verder ook niet in zijn standpunt dat uit het arrest Sufi en Elmi volgt dat humanitaire omstandigheden enkel bij de beoordeling hoeven te worden betrokken als deze het gevolg zijn van een gewapend conflict. Uit dit arrest volgt namelijk ook dat humanitaire omstandigheden die geen verband houden met willekeurig geweld, wel een rol kunnen spelen in de meer algemene beoordeling onder artikel 3 van het EVRM of uitzetting een reëel risico op blootstelling aan een onmenselijke behandeling oplevert. Verweerder dient zich daarvan rekenschap te geven, maar heeft dat onvoldoende gedaan, te meer daar het TAB - waarop eisers hebben gewezen – in het bestreden besluit in dat kader niet is betrokken. Bij schending van artikel 3 van het EVRM vanwege humanitaire omstandigheden, kan evenmin sprake zijn van een normale woon- en verblijfplaats. De beroepsgrond slaagt. Terugkeerbesluit 4. Eisers hebben zich ter zitting op het standpunt gesteld dat verweerder ten onrechte terugkeerbesluiten tegen hen heeft uitgevaardigd, omdat zij een status in Griekenland hebben. 4.1. De rechtbank stelt vast dat eisers internationale bescherming hebben in Griekenland. Verweerder kan de door Griekenland verleende vluchtelingenstatus niet intrekken of beëindigen. Die mogelijkheid staat alleen open voor de Griekse autoriteiten. Gelet op de uitspraken van de Afdeling van 2 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2865) en 3 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2936) kan verweerder naar het oordeel van de rechtbank geen terugkeerbesluit uitvaardigen in zaken van Griekse statushouders voordat hij de uitkomst van zijn beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een asielstatus heeft gedeeld met de Griekse autoriteiten en de Griekse autoriteiten in reactie daarop hebben aangegeven dat zij aanleiding zien om de verleende asielstatus in te trekken. Niet is gebleken dat verweerder de uitkomst van de beoordeling met de Griekse autoriteiten heeft gedeeld en ook niet wat de reactie van de Griekse autoriteiten daarop is geweest. Daarmee is onduidelijk gebleven of de Griekse autoriteiten de verleende asielstatussen zullen intrekken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder daarom (nog) geen terugkeerbesluiten mogen uitvaardigen. De beroepsgrond slaagt. Conclusie en gevolgen 5. Gelet op hetgeen onder 3.3., 3.4. en 4.1. is overwogen, zijn de beroepen gegrond vanwege strijd met het zorgvuldigheids- en motiveringsbeginsel. De rechtbank vernietigt daarom de bestreden besluiten en laat de overige gronden onbesproken. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van de vernietigde besluiten in stand te laten of mogelijkheid om zelf in de zaken te voorzien. Verweerder zal nieuwe besluiten op de aanvragen van eisers moeten nemen met inachtneming van deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken de tijd. 6. Omdat de beroepen gegrond zijn, krijgen eisers een vergoeding van hun proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Omdat de rechtbank de zaken als samenhangend beschouwt in de zin van artikel 3 van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb), blijft de proceskostenvergoeding beperkt tot het bedrag wat in één zaak zou zijn toegekend. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Bpb voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: verklaart de beroepen gegrond; vernietigt de bestreden besluiten; draag verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak nieuwe besluiten te nemen op de aanvragen, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak; veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eisers. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift in de zaken NL26.8583, NL26.8585, NL26.8587 ( [eiser 1] , [eiser 2] en [eiser 3] ) moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Het hogerberoepschrift in de zaak NL26.8589 ( [eiser 4] ) moet worden ingediend binnen vier weken na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. De voorlopige voorzieningen staan geregistreerd onder zaaknummers: NL26.8584, NL26.8586 en NL26.8588. Koerdische Autonome Regio Eisers verwijzen hierbij naar ECLI:NL:RBDHA:2026:2642, ECLI:NL:RBDHA:2025:24349, ECLI:NL:RBDHA:2025:24369, ECLI:NL:RBDHA:2025:24572 en ECLI:NL:RBDHA:2026:772. Eisers verwijzen hierbij naar de uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling) van 8 maart 2010, ECLI:NL:RVS:2010:BL7409. Aanhangsel van de Handelingen van 10 juli 2019, vergaderjaar 2018-2019 nummer 3345; antwoord van Staatssecretaris Broekers – Knol (Justitie en Veiligheid) ontvangen 5 juli 2019. ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 r.o. 291 en 296.