ECLI:NL:RBDHA:2026:18727
Rechtbank Den Haag · 2026-06-29 · Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
asielaanvraag, Somalië, identiteit, nationaliteit en herkomst terecht niet geloofwaardig geacht onder andere omdat uit het Griekse dossier blijkt dat eiser een Jemenitische geboorteakte heeft overgelegd, terwijl hij in Nederland een Somalische geboorteakte heeft overgelegd. Problemen met al-Shabaab terecht niet getoetst op geloofwaardigheid. Terugkeerbesluit en inreisverbod vernietigd omdat verweerder geen navraag heeft gedaan bij de Griekse autoriteiten of zij aanleiding zien om de in Griekenland verleende asielstatus in te trekken.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Rotterdam Bestuursrecht zaaknummer: NL26.7194 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [nummer] , eiser (gemachtigde: mr. K. Logtenberg), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. J.M. Sánchez Rhemrev). Procesverloop Bij besluit van 3 februari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd (asielaanvraag) afgewezen als kennelijk ongegrond. Daarnaast is een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar tegen eiser uitgevaardigd. Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. Hij heeft tevens de voorzieningenrechter verzocht om een voorlopige voorziening te treffen. De rechtbank heeft het beroep, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening (NL26.8616), op 12 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, S. Mahed als tolk en de gemachtigde van verweerder. Totstandkoming van het besluit Het asielrelaas 1. Eiser stelt dat hij de Somalische nationaliteit heeft en dat hij is geboren op [geboortedatum 1] 2006 (te [geboorteplaats] , Somalië). Verder legt eiser aan zijn asielaanvraag kort samengevat ten grondslag dat hij is gevlucht voor Al-Shabaab omdat zij wilden dat eiser zich bij hen zou aansluiten. Eiser heeft dit geweigerd. Al-Shabaab heeft eiser toen gevangen genomen en mishandeld. Bij terugkeer naar Somalië vreest eiser door Al-Shabaab te worden vermoord. Om zijn asielrelaas te onderbouwen heeft eiser de volgende documenten overgelegd: Geboorteakte, afgegeven door de gemeente Mogadishu op 13 december 2023 Certificaat van bevestiging identiteit, afgegeven door de gemeente Mogadishu op 13 december 2023. Het bestreden besluit 2. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder de volgende asielmotieven: 1. Identiteit, nationaliteit en herkomst 2. Problemen met Al-Shabaab 2.1. Verweerder acht het eerste asielmotief ongeloofwaardig. Verweerder legt aan dit standpunt kort samengevat ten grondslag dat eisers verklaringen over zijn nationaliteit en identiteit niet aannemelijk zijn en dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Nu een asielmotief alleen betekenis heeft tegen de achtergrond van de identiteit, nationaliteit en herkomst, heeft verweerder eisers problemen met Al-Shabaab niet beoordeeld. 2.2. Omdat de identiteit, nationaliteit en herkomst (het eerste asielmotief) niet geloofwaardig zijn geacht, is niet vast te stellen of eiser een gegronde vrees heeft voor vervolging in de zin van het Verdrag betreffende de status van vluchtelingen (Vluchtelingenverdrag) of dat eiser bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op ernstige schade in de zin van artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). Omdat eiser volgens verweerder belangrijke informatie en documenten omtrent zijn nationaliteit en identiteit in Griekenland heeft achtergehouden, heeft verweerder de asielaanvraag afgewezen als kennelijk ongegrond op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw), in samenhang bezien met artikel 30b, eerste lid, aanhef en onder c, van de Vw. Daarnaast omvat het bestreden besluit een terugkeerbesluit en een inreisverbod voor de duur van twee jaar. Beoordeling door de rechtbank Geloofwaardigheidsbeoordeling identiteit, nationaliteit en herkomst 3. Eiser stelt zich op het standpunt dat zijn identiteit, nationaliteit en herkomst ten onrechte ongeloofwaardig zijn geacht. Eiser voert hiertoe aan dat verweerder onvoldoende rekening heeft gehouden met zijn referentiekader. Daarnaast zijn eisers verklaringen over de registratie in Griekenland (met als geboortedatum [geboortedatum 2] 2004) niet wisselend, maar vullen zij elkaar aan. Eiser had begrepen dat hij als Somaliër in Griekenland geen kans maakte op asiel en daarom heeft hij zich daar voorgedaan als Jemeniet. Over de registratie in Griekenland stelt eiser zich verder op het standpunt dat er geen sprake is geweest van een fysiek leeftijdsonderzoek, maar van een visuele schatting. Verder stelt eiser dat de registratie in Duitsland (met als geboortedatum [geboortedatum 3] 2000), is gebaseerd op een neppaspoort. In Nederland heeft eiser naar waarheid verklaard, zijnde te zijn geboren op [geboortedatum 1] 2006. Dit volgt ook uit de door eiser overgelegde en echt bevonden bevestiging van zijn identiteit en de geboorteakte. De geboortedatum op deze documenten komt overeen met eisers verklaringen. Er zijn volgens eiser dan ook concrete aanknopingspunten dat de in Griekenland en Duitsland geregistreerde geboortedata niet juist zijn. Daarnaast blijkt uit de in beroep overgelegde kopieën van de paspoorten van eisers ouders dat zij de Somalische nationaliteit hebben. 3.1. Eiser stelt zich verder op het standpunt dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd waarom hij wisselende lezingen zou hebben gegeven over de dood van zijn vader en waarom hij daardoor in grote lijnen niet als geloofwaardig zou kunnen worden beschouwd. Het voorgaande betekent volgens eiser ook dat verweerder ten onrechte niet heeft getoetst of eiser bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Nu eiser geen informatie of documenten heeft achtergehouden, en verweerder er al mee bekend was dat eiser in Griekenland als Jemenitisch wordt gezien, heeft verweerder de asielaanvraag niet kunnen afwijzen als kennelijk ongegrond. Beoordeling door de rechtbank 4. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn nationaliteit, identiteit en herkomst niet aannemelijk heeft gemaakt. Verweerder heeft eiser in dit kader terecht tegengeworpen dat hij in Nederland heeft verklaard de Somalische nationaliteit te hebben, terwijl uit het Griekse dossier blijkt dat hij daar heeft verklaard dat hij de Jemenitische nationaliteit heeft. Uit het Griekse dossier blijkt verder dat eiser een Jemenitische geboorteakte heeft overgelegd en dat eiser meermaals heeft verklaard dat hij een Jemenitische staatsburger is, dat hij uit de stad Mukulla komt en dat hij tot een leeftijd van acht maanden in Jemen heeft verbleven. Eiser is daarna naar Somalië vertrokken. Eiser heeft in Griekenland ook verklaard dat hij niet de Somalische nationaliteit heeft en dat hij in Somalië geen paspoort kon aanvragen omdat hij de Jemenitische nationaliteit heeft (o.a. p. 4 en 20-24 vertaling Grieks dossier). Verweerder heeft de uit Griekenland verkregen informatie over eisers nationaliteit terecht tegenstrijdig gevonden aan eisers verklaringen in Nederland en daarom terecht gemeend dat er twijfel bestaat over de door eiser in Nederland opgegeven nationaliteit. Het is immers onduidelijk of eiser de Jemenitische of de Somalische nationaliteit heeft. Deze twijfel wordt niet weggenomen door landeninformatie, nu uit (p. 113 van) het Algemeen Ambtsbericht Somalië van april 2025 (het ambtsbericht) blijkt dat Somalië duizenden migranten uit Jemen opvangt, ook in Puntland waar eiser blijkens zijn verklaringen in Nederland zijn hele leven zou hebben gewoond. 4.1. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank verder terecht op het standpunt gesteld dat eiser er met de door hem overgelegde geboorteakte en certificaat van identiteitsbevestiging van de gemeente Mogadishu niet in is geslaagd om de twijfel over zijn nationaliteit, identiteit en herkomst weg te nemen. Verweerder heeft er terecht op gewezen dat eiser in Nederland een geboorteakte uit Somalië heeft overgelegd, terwijl eiser in Griekenland een geboorteakte uit Jemen heeft overgelegd. Verweerder stelt zich terecht op het standpunt dat eiser maar op één plek geboren kan zijn en er daarom niet zonder meer kan worden uitgegaan van de authenticiteit van eisers Somalische geboorteakte, temeer nu eiser voor de afgifte van de in Nederland overgelegde documenten al bij de Griekse autoriteiten heeft verklaard de Jemenitische nationaliteit te bezitten. Daarnaast heeft verweerder er terecht op gewezen dat de inhoud van de overgelegde documenten niet overeenkomt met eisers verklaringen over zijn herkomst in Somalië. Er blijkt namelijk uit dat eiser in Waabari in Mogadishu zou wonen. Eiser heeft echter ten tijde van het gehoor verklaard dat hij voor zijn vertrek uitsluitend in Af-Urur in het noorden van Somalië heeft gewoond en dat hij tijdens zijn doorreis slechts één of twee weken in Mogadishu heeft verbleven (p. 7 aanmeldgehoor en p. 19 nader gehoor). Op de zitting kon eiser hier ook geen duidelijkheid over geven. Zo stelde hij dat het ging om informatie die de moeder aan de autoriteiten had doorgegeven ten behoeve van de afgifte van de documenten, dan wel om de huidige woonplaats van zijn moeder. Daarnaast heeft verweerder er terecht op gewezen dat Somalië geen allesomvattend nationaal registratiesysteem of burgerlijke stand kent en dat er blijkens het ambtsbericht (p. 87) sprake is van corruptie bij Somalische overheidsinstanties waardoor het betrekkelijk eenvoudig is om aan vervalste documenten of documenten met valse identiteitsgegevens te komen. Gelet op het voorgaande stelt verweerder zich terecht op het standpunt dat de door eiser overgelegde documenten onvoldoende bewijswaarde hebben en dat eiser hiermee niet zijn (Somalische) identiteit en nationaliteit aannemelijk heeft gemaakt. 4.2. Verweerder heeft zich naar het oordeel van de rechtbank ook terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn identiteit, specifiek zijn geboortedatum, niet aannemelijk heeft gemaakt. Naast hetgeen hiervoor is overwogen, heeft verweerder terecht aan eiser tegengeworpen dat uit de uitgevoerde leeftijdsschouwen blijkt dat eiser evident meerderjarig is. Daarnaast heeft eiser in Nederland verklaard dat hij minderjarig is en op [geboortedatum 1] 2006 is geboren (p. 4 aanmeldgehoor), terwijl eiser in Duitsland en Griekenland staat geregistreerd met een meerderjarige leeftijd ( [geboortedatum 3] 2000 respectievelijk [geboortedatum 2] 2004). Eiser heeft hierover verklaard dat zijn leeftijd in Griekenland niet goed is genoteerd en dat er een schatting is gemaakt (p. 4 aanmeldgehoor en p. 3 nader gehoor). Verweerder wijst er in dit kader terecht op dat eiser in Griekenland een geboorteakte heeft overgelegd waar zijn geboortedatum op staat. Over de registratie in Duitsland heeft eiser verklaard dat de gegevens van het door eiser in Duitsland overgelegde valse paspoort zijn overgenomen (p. 4 aanmeldgehoor en p. 3 nader gehoor). Uit de informatie van de Duitse autoriteiten blijkt echter dat eiser in Duitsland geen bewijs van identiteit heeft overgelegd ( he did not provide proof of identity ). Verweerder heeft eisers verklaringen over de registratie in Griekenland en Duitsland daarom terecht ongeloofwaardig geacht. Gelet hierop, heeft verweerder de door eiser opgegeven leeftijd in Nederland terecht onaannemelijk gevonden. 4.3. Tot slot heeft verweerder zich, gelet op hetgeen hiervoor is overwogen, terecht op het standpunt gesteld dat eiser in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. Verweerder wijst er in dit kader verder terecht op dat eiser informatie over de asielprocedure in Griekenland heeft achtergehouden en dat, zoals hiervoor ook is overwogen, eiser meerdere wisselende verklaringen heeft afgegeven. Dat verweerder er inmiddels (ten tijde van de besluitvorming) mee bekend was geraakt dat eiser in Griekenland als Jemenitisch wordt gezien doet hier niet aan af. Dit neemt namelijk niet weg dat het aan eiser is om zijn asielrelaas aannemelijk te maken en dat eiser heeft nagelaten om hierbij informatie en documenten te verstrekken die relevant zijn voor zijn asielaanvraag, waaronder de in Griekenland overgelegde informatie en documenten. Verweerder stelt dan ook terecht dat de hiervoor genoemde tegenwerpingen het vertrouwen in eisers algemene geloofwaardigheid in het geding brengen en dat eiser daarom in grote lijnen niet als geloofwaardig kan worden beschouwd. 4.4. Al gelet op de hiervoor genoemde tegenwerpingen, in samenhang bezien, heeft verweerder zich naar het oordeel van de rechtbank terecht op het standpunt gesteld dat eisers identiteit, nationaliteit en herkomst onaannemelijk zijn. Gelet op vaste jurisprudentie van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (Afdeling), waaronder de uitspraak van 30 mei 2024 (ECLI:NL:RVS:2024:2265, overweging 3.1.), heeft verweerder daarom ook terecht niet beoordeeld of eisers problemen met Al-Shabaab geloofwaardig zijn. Asielmotieven hebben immers alleen maar betekenis tegen de achtergrond van de herkomst, identiteit en nationaliteit van een vreemdeling. Dit betekent ook dat verweerder zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat niet kan worden vastgesteld of eiser in Somalië een gegronde vrees heeft voor vervolging, of dat eiser bij terugkeer naar Somalië een reëel risico loopt op ernstige schade. 4.5. Verweerder heeft de asielaanvraag terecht afgewezen als kennelijk ongegrond omdat, zoals onder 4.3. is overwogen, eiser verweerder heeft misleid door belangrijke informatie en documenten over zijn nationaliteit en identiteit in Griekenland achter te houden. 4.6. De beroepsgronden slagen niet. Terugkeerbesluit en inreisverbod 5. Eiser stelt zich op het standpunt dat er ten onrechte een terugkeerbesluit tegen hem is uitgevaardigd. Er bestaat namelijk onduidelijkheid over zijn status in Griekenland. Gelet op de uitspraak van de Afdeling van 3 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2936) had verweerder daarom geen terugkeerbesluit mogen uitvaardigen. Dit betekent volgens eiser ook dat verweerder ten onrechte een inreisverbod heeft uitgevaardigd. Op de zitting heeft eiser daarnaast nog verwezen naar het arrest van het Hof van Justitie van de Europese Unie (het Hof) van 17 oktober 2024 (ECLI:NL:EU:C:2024:892, C-156/23, Ararat) en de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Amsterdam van 10 maart 2026 (ECLI:NL:RBDHA:2026:6477). Volgens eiser volgt uit deze uitspraken dat bij het uitvaardigen van een terugkeerbesluit altijd in ogenschouw moet worden genomen of er sprake is van een risico op refoulement. Vanwege de situatie in Somalië en Jemen had er volgens eiser geen terugkeerbesluit kunnen worden uitgevaardigd zonder nader onderzoek door verweerder. Verder heeft eiser op de zitting verzocht om het beroep aan te houden in afwachting van de beantwoording van prejudiciële vragen over het opleggen van een terugkeerbesluit aan statushouders. 5.1. De rechtbank stelt vast dat eiser internationale bescherming heeft in Griekenland. Verweerder kan de door Griekenland verleende vluchtelingenstatus niet intrekken of beëindigen. Die mogelijkheid staat alleen open voor de Griekse autoriteiten. Gelet op de uitspraken van de Afdeling van 2 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2865) en 3 juli 2025 (ECLI:NL:RVS:2025:2936) kan verweerder naar het oordeel van de rechtbank geen terugkeerbesluit uitvaardigen in zaken van Griekse statushouders voordat hij de uitkomst van zijn beoordeling of de vreemdeling in aanmerking komt voor een asielstatus heeft gedeeld met de Griekse autoriteiten en de Griekse autoriteiten in reactie daarop hebben aangegeven dat zij aanleiding zien om de verleende asielstatus in te trekken. Niet is gebleken dat verweerder de uitkomst van de beoordeling met de Griekse autoriteiten heeft gedeeld en ook niet wat de reactie van de Griekse autoriteiten daarop is geweest. Daarmee is onduidelijk gebleven of de Griekse autoriteiten de verleende asielstatus zullen intrekken. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder alleen hierom al (nog) geen terugkeerbesluit tegen eiser mogen uitvaardigen. Dit betekent ook dat verweerder geen inreisverbod tegen eiser heeft mogen uitvaardigen op grond van artikel 66a, eerste lid, aanhef en onder a, van de Vw. De beroepsgrond slaagt reeds hierom. De rechtbank laat eisers standpunt dat er daarnaast een refoulement beoordeling had moeten plaatsvinden daarom onbesproken. Ten overvloede wijst de rechtbank er wel op dat – als een terugkeerbesluit in de toekomst (opnieuw) aan de orde zou zijn – een inhoudelijke en volledige beoordeling van het risico op refoulement alsnog aan de orde kan komen. Het voorgaande betekent evenzo dat de rechtbank geen aanleiding ziet om het beroep aan te houden in afwachting van de beantwoording van de prejudiciële vragen. Conclusie en gevolgen 6. Gelet op hetgeen onder 5.1. is overwogen, is het beroep gegrond, voor zover een terugkeerbesluit en inreisverbod tegen eiser is uitgevaardigd terwijl nog onduidelijk is of de Griekse autoriteiten de door hen aan eiser verleende vluchtelingenstatus zullen intrekken. De rechtbank vernietigt daarom in zoverre het bestreden besluit. De rechtbank ziet geen aanleiding om de rechtsgevolgen van het terugkeerbesluit en het inreisverbod in stand te laten. Verweerder dient bij de Griekse autoriteiten na te vragen of de beoordeling van de asielaanvraag in Nederland maakt dat zij de aan eiser verleende asielstatus intrekken, en daarna te beoordelen wat dit betekent voor een eventueel te nemen terugkeerbesluit en inreisverbod. Voor zover het besluit de afwijzing van de asielaanvraag betreft, blijft het bestreden besluit in stand. 7. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze kosten stelt de rechtbank op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht voor de door een derde beroepsmatig verleende bijstand vast op € 1.868,- (1 punt voor het indienen van het beroepschrift, 1 punt voor het verschijnen ter zitting, met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1). Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit voor zover daarbij een terugkeerbesluit en inreisverbod tegen eiser is uitgevaardigd; laat het bestreden besluit voor het overige (de afwijzing van de asielaanvraag) in stand; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.M.J. Adriaansen, rechter, in aanwezigheid van mr. A. Duijf, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Eiser stelt dat hij een getraumatiseerde puber is met weinig opleiding. Eiser verwijst hierbij naar een uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Zwolle van 31 maart 2026, ECLI:NL:RBDHA:2026:7563. De rechtbank begrijpt: de prejudiciële vragen die op 19 februari 2026 zijn gesteld door de rechtbank Den Haag, zittingsplaats Haarlem (ECLI:NL:RBDHA:2026:3626) De rechtbank wijst in dat kader ook op de uitspraak van de Afdeling van 8 mei 2024, ECLI:NL:RVS:2024:1970, ro. 5.3 e.v..