← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:18701

Rechtbank Den Haag · 2026-07-03 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL25.57232
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
22.437 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Asiel, Syrië. De geloofwaardigheidsbeoordeling is niet beoordeeld. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat eiser zijn vrees voor vervolging niet aannemelijk heeft gemaakt. Verder stelt de minister zich terecht op het standpunt dat eiser geen individuele omstandigheden heeft aangedragen die maken dat hij een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. De minister heeft onvoldoende gemotiveerd waarom eiser bij een terugkeer naar Raqqa geen reëel risico loopt. Beroep gegrond.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL25.57232 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser, V-nummer: [v-nummer] , (gemachtigde: mr. H. Yousef), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. G. Erdal). Procesverloop 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet tijdig beslissen van de minister op zijn asielaanvraag en tegen het alsnog genomen besluit waarin de minister zijn asielaanvraag heeft afgewezen. 1.1. Eiser heeft zich op 24 april 2024 gemeld in Ter Apel en heeft op 29 april 2024 zijn een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. 1.2. Eiser heeft de minister op 11 september 2025 en 3 november 2025 een ingebrekestelling gestuurd. Op 21 november 2025 heeft eiser beroep ingesteld bij de rechtbank wegens het niet tijdig beslissen op zijn asielaanvraag. 1.3. De minister heeft met het bestreden besluit van 20 februari 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Eiser is het niet eens met dit besluit. De rechtbank heeft het beroep op 5 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Fayez als tolk en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? Het asielrelaas 2. Eiser heeft de Syrische nationaliteit en is geboren op [geboortedatum] 1977. Eiser legt aan zijn asielaanvraag – kort samengevat – het volgende ten grondslag. Eiser heeft in 2012 gedemonstreerd tegen het regime van Assad. Eiser is toen gearresteerd en gemarteld door een officier die behoort tot het regime van Assad. De officier heeft in een ander Europees land asiel aangevraagd en wordt momenteel vervolgd als oorlogsmisdadiger. Eiser wordt mogelijk opgeroepen als getuige en eiser vreest bij een terugkeer naar Syrië voor represailles door familieleden van deze officier en aanhangers van het regime van Assad. Verder is relevant dat eiser in een podcast heeft verteld over zijn arrestatie en marteling. 2.1. Verder vreest eiser bij een terugkeer naar Syrië voor PKK, SDF, Jabhat al-Nusra, IS en HTS, vanwege zijn werkzaamheden. Eiser heeft vanaf eind 2013 tot juni 2014 gewerkt voor de lokale raad in [gebied] . Eiser is toen door IS en Jabhat al-Nusra beschuldigd van afvalligheid, omdat de lokale raad heeft samengewerkt met internationale organisaties. Eiser kreeg (net als de andere raadsleden) de mogelijkheid om vergiffenis te vragen. Omdat HTS leden van IS en Jabhat al-Nusra deel laat uitmaken van de interim-regering, vreest eiser nog steeds voor hen. Eiser heeft namelijk toch weer samengewerkt met buitenlandse organisaties en is gevlucht naar Europa. Eiser heeft tussen 2018/2019 en 2022 gewerkt voor een organisatie die werd gefinancierd door de International Organization for Migration (IOM). Eiser heeft ook van maart 2022 tot februari 2023 gewerkt voor een organisatie die vermissingen en ontvoeringen heeft vastgelegd. Eiser is in september 2023 door een Koerdische man bedreigd. Op 6 februari 2024 is eiser gevraagd om zich te melden bij het bureau van de veiligheidsdiensten van de PKK. Eiser heeft een vriend gebeld, die werkzaam is bij de PKK en hij heeft eiser aangeraden niet te gaan. Eiser is vervolgens gevlucht uit Syrië. 2.2. Verder heeft de vrouw van eiser na zijn vlucht gewerkt voor IOM. Toen de directeur in 2025 werd opgepakt, is de vrouw van eiser [gebied] ontvlucht. Tot slot is relevant dat eiser tot 2016 en tussen 2017 en 2024 in Syrië heeft gewoond. Het bestreden besluit 3. Het asielrelaas van eiser bevat volgens de minister de volgende asielmotieven: - identiteit, nationaliteit en herkomst; - de geloofwaardigheid van eisers problemen met de PKK. De minister acht eisers identiteit, nationaliteit en herkomst geloofwaardig en laat de geloofwaardigheid van zijn problemen met de PKK in het midden. Volgens de minister is het op voorhand duidelijk dat eisers verklaringen hierover onvoldoende zijn om een gegronde vrees voor vervolging vast te stellen. De minister acht eisers vrees voor vervolging wegens zijn etniciteit, politieke overtuiging en activiteiten en toegedichte afvalligheid niet aannemelijk. Verder is volgens de minister in Syrië sprake van een relatief lager niveau van willekeurig geweld en heeft eiser geen individuele omstandigheden aangevoerd die het risico op willekeurig geweld aanzienlijk verhogen. Ook heeft eiser niet aannemelijk gemaakt dat hij een reëel risico op ernstige schade loopt vanwege zijn rol als getuige in een zaak tegen vermeende oorlogsmisdadigers. De minister heeft ook een terugkeerbesluit vastgesteld met een vertrektermijn van vier weken. Volgens de minister heeft eiser niet onderbouwd dat eiser bij een terugkeer naar Syrië in een situatie van ‘extreme armoede’ en ‘gebrek aan basisvoorzieningen’ terecht zal komen. Tot slot is volgens de minister de ingebrekestelling van 11 september 2025 prematuur en krijgt eiser geen dwangsom uitgekeerd op basis van de ingebrekestelling van 3 november 2025, vanwege de Tijdelijke wet opschorting dwangsommen IND. Wat is het oordeel van de rechtbank? Beroep niet tijdig beslissen 4. Omdat het beroep oorspronkelijk was gericht tegen het niet tijdig nemen van een besluit, zal de rechtbank hier eerst een oordeel over geven. 5. Eiser heeft de minister tweemaal in gebreke gesteld: op 11 september 2025 en op 3 november 2025. 5.1. Uit het bestreden besluit blijkt dat tussen partijen niet in geschil is dat op 3 november 2025 de beslistermijn was verstreken en dat de ingebrekestelling van 3 november 2025 geldig was. Hierna zijn meer dan twee weken verstreken voordat eiser beroep heeft ingesteld tegen het niet tijdig beslissen. Op 20 februari 2026 heeft de minister alsnog op eisers aanvraag beslist. Omdat de minister inmiddels heeft beslist, is het belang van eiser bij de beoordeling van het beroep tegen het niet tijdig beslissen op zijn aanvraag komen te vervallen. Het beroep is daarom niet-ontvankelijk voor zover dit is gericht tegen het niet tijdig beslissen. 5.2. Omdat tussen partijen niet in geschil is dat de minister de beslistermijn heeft overschreden, ziet de rechtbank aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten van eiser voor het beroep tegen het niet tijdig beslissen. Afwijzing van de asielaanvraag De geloofwaardigheidsbeoordeling 6. Eiser voert – kort samengevat – aan dat de minister zijn asielrelaas te beperkt heeft samengevat en niet alle relevante asielmotieven in samenhang heeft beoordeeld. De minister heeft volgens eiser ook nagelaten uit te leggen waarom hij de geloofwaardigheid van de asielmotieven niet beoordeelt. Eiser voert aan dat de minister in vergelijkbare zaken wel de geloofwaardigheid beoordeelt. 7. Anders dan eiser stelt, heeft de minister zowel in het voornemen als het bestreden besluit uitgelegd waarom hij het asielmotief niet op geloofwaardigheid heeft beoordeeld. Volgens de minister is op voorhand duidelijk dat het asielmotief niet leidt tot een asielvergunning. Zoals de minister terecht heeft gesteld, is eisers asielrelaas beoordeeld op de risico-inschatting en zwaarwegendheid. Eiser heeft niet uitgelegd waarom hij door deze manier van toetsen wordt benadeeld. De rechtbank is het niet eens met eisers stelling tijdens de zitting, dat de minister bepaalde asielmotieven terzijde heeft geschoven. Uit de besluitvorming blijkt duidelijk dat de minister niet alleen eisers vrees voor de PKK heeft beoordeeld, maar ook zijn vrees voor het voormalig regime van Assad, HTS en IS vanwege zijn etniciteit, politieke overtuiging en activiteiten en toegedichte afvalligheid in verband met zijn werkzaamheden voor bepaalde organisaties. Verder heeft eiser zijn stelling dat de minister in vergelijkbare zaken wel de geloofwaardigheid beoordeelt niet onderbouwd. De minister beoordeelt bovendien elke asielaanvraag op zijn eigen merites en niet is in geschil dat de minister de geloofwaardigheid van een asielrelaas in het midden mag laten . De beroepsgrond slaagt niet. Het Vluchtelingenverdrag 8. Verder voert eiser aan dat de minister eisers gegronde vrees voor vervolging wegens een politieke overtuiging te beperkt heeft uitgelegd. De minister had eisers werkzaamheden in deze beoordeling moeten betrekken, zoals dat hij voor een organisatie heeft gewerkt die vermissingen en ontvoeringen documenteert. Daarbij had de minister ook zijn getuigenis tegen vermeende oorlogsmisdadigers en zijn deelname aan een podcast moeten betrekken en alles in onderlinge samenhang moeten beoordelen. Eiser voert verder aan dat zijn vrees wegens toegedichte afvalligheid nog steeds actueel is, omdat hij na het incident in 2014 opnieuw heeft gewerkt met buitenlandse organisaties en omdat hij is gevlucht naar Europa. 9. De rechtbank begrijpt uit eisers toelichting tijdens de zitting dat hij stelt een bepaald profiel te hebben gelet op zijn werkzaamheden en activiteiten en dat hij daarom door de voormalige en huidige machthebbers als verrader/afvallige wordt gezien. Zijn vrees voor de toenmalige machthebbers is nog steeds actueel, omdat HTS deze groeperingen volgens eiser heeft omarmd en heeft toegelaten tot de huidige regering. Daarmee zijn de voormalige machthebbers nog steeds machthebbers. 9.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiser zijn vrees voor vervolging omdat hij een bepaald profiel heeft, vanwege toegedichte afvalligheid en politieke activiteiten wegens zijn werkzaamheden voor bepaalde organisaties, niet aannemelijk heeft gemaakt. Niet is gebleken dat de minister eisers vrees voor vervolging wegens een politieke overtuiging te beperkt heeft uitgelegd of dat de minister eisers verklaringen niet in onderlinge samenhang heeft beoordeeld. De minister stelt terecht dat de meeste problemen van eiser zich hebben afgespeeld vóór zijn eerste vertrek uit Syrië in 2016 en dat eiser in 2017 naar Syrië is teruggekeerd en daar grotendeels probleemloos tot 2024 heeft verbleven. Hoewel eiser in 2012 na een demonstratie tegen het regime van Assad is gearresteerd en gemarteld, stelt de minister daarom terecht dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat een dergelijke situatie opnieuw zal plaatsvinden. Ook niet als er van uit moet worden gegaan dat de voormalige machthebbers nog steeds invloed/macht hebben. Eiser heeft daarbij ook niet aannemelijk gemaakt dat hij heeft te vrezen voor wraak door familieleden van de officier waartegen hij wil getuigen in een strafzaak. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat zij op de hoogte zijn van zijn voorgenomen getuigenis. Dat eiser over de marteling heeft verteld in een podcast, verandert het oordeel niet. Volgens eisers eigen verklaring heeft hij dat namelijk anoniem gedaan. Wat betreft de beschuldiging dat eiser een afvallige is vanwege zijn werkzaamheden voor een lokale raad, geldt eveneens dat er geen concrete aanwijzingen zijn dat een dergelijke situatie opnieuw zal plaatsvinden of dat eiser daardoor een gegronde vrees heeft voor vervolging. Niet is gebleken dat eiser na die beschuldiging problemen heeft ervaren met de toenmalige machthebbers, ook niet nadat hij toch weer voor organisaties ging werken die samenwerkten met buitenlandse organisaties. Eiser heeft ook niet onderbouwd dat hij bij een terugkeer naar Syrië nu wel problemen zal ervaren als toegedicht afvallige vanwege al zijn werkzaamheden en zijn vlucht naar Europa. Volgens de minister blijkt bovendien niet uit landeninformatie dat afvalligen in het algemeen een verhoogd risico lopen. Eiser heeft dit standpunt niet concreet weersproken. Eiser heeft daarnaast niet met bijvoorbeeld landeninformatie onderbouwd dat iemand als afvallig wordt gezien vanwege een vlucht naar Europa. Eiser heeft ook niet aannemelijk gemaakt dat hij zal worden vervolgd omdat hij zich voor de machtsovername nooit duidelijk tegen het vorige regime heeft uitgesproken, zoals hij tijdens de zitting heeft gesteld. De minister stelt terecht dat eiser in 2012 juist is opgepakt vanwege deelname aan een demonstratie tegen het regime van Assad. Een reëel risico op ernstige schade vanwege een situatie van willekeurig geweld 10. De minister heeft zich kort samengevat op het standpunt gesteld dat in [gebied] – het gebied waar eiser vandaan komt – sprake is van een relatief lage mate van willekeurig geweld. De minister baseert zijn standpunt (in het verweerschrift) onder andere op informatie in het Algemeen Ambtsbericht Syrië van januari 2026 en heeft tijdens de zitting gewezen op een Country of Origin Information (COI) rapport van 31 maart 2026. 11. Volgens eiser kan het beleid van de minister over de algemene veiligheidssituatie in Syrië niet langer standhouden, gelet op het Algemeen Ambtsbericht Syrië januari 2026. Met name in en rond [gebied] is sprake van een verslechtering. Ten onrechte heeft de minister het algemeen ambtsbericht Syrië van januari 2026 niet betrokken. Tijdens de zitting heeft eiser gewezen op een rapport van UNHCR van mei 2026. 12. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister voldoende gemotiveerd dat sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld in Syrië. De minister heeft in het verweerschrift informatie uit het meest recente ambtsbericht van januari 2026 betrokken en heeft tijdens de zitting gesteld dat uit het COI rapport blijkt dat het geweld is afgenomen en er nauwelijks nog dodelijke incidenten plaatsvinden. De minister heeft terecht geconcludeerd dat het aantal geweldsincidenten in Syrië flink is gedaald en ook het aantal burgerdoden is afgenomen. Uit het ambtsbericht blijkt ook dat het aantal incidenten met ontplofbare oorlogsresten nauwelijks is toegenomen en dat er daarnaast maatregelen worden genomen om deze oorlogsresten te ruimen. Uit het ambtsbericht blijkt dat [gebied] grotendeels onder controle van de overgangsregering staat. In de verslagperiode fluctueerde het maandelijks aantal geweldsincidenten tussen 21 (juni 2025) en 50 (september 2025). In vergelijking met de voorgaande verslagperiode was sprake van een daling van het aantal geregistreerde geweldsincidenten. In 2025 vielen er in [gebied] minstens 43 burgerdoden van de minstens 3.666 burgerdoden in heel Syrië. Er zijn tussen 1 mei 2025 en 15 oktober 2025 negentien incidenten met ontplofbare oorlogsresten geregistreerd, waarbij twaalf doden en 21 gewonden vielen. Meerdere organisaties zijn betrokken bij het verwijderen van ontplofbare oorlogsresten. In de verslagperiode was sprake van ontheemding in [gebied] . Een relatief klein aantal binnenlands ontheemden keerden tussen november 2024 en december 2025 terug naar hun oorspronkelijke woonplaats in [gebied] . Uit het Algemeen Ambtsbericht van januari 2026 en de rapporten waar partijen op wijzen, blijkt dat tussen de overgangsregering en SDF sinds 30 januari 2026 een staakt-het-vuren van kracht is en dat ze een overeenkomst hebben gesloten. Er zijn sindsdien enkele geïsoleerde incidenten gedocumenteerd. Gelet op deze informatie, bestaat er geen aanleiding om aan te nemen dat de situatie in [gebied] is verslechterd sinds het staakt-het-vuren. 12.1. Wat betreft de humanitaire omstandigheden heeft de minister er terecht op gewezen dat het regime van Assad de hoofdveroorzaker van de slechte humanitaire omstandigheden is. Dat regime is inmiddels geen actor meer in het huidige gewapende conflict. De minister stelt zich terecht op het standpunt dat het ambtsbericht van januari 2026 geen reden geeft voor een andere conclusie op dit punt. Hoewel ook het handelen van de huidige actoren impact heeft op de humanitaire situatie, heeft de minister terecht geconcludeerd dat de slechte humanitaire situatie in hoofdzaak niet aan hen is te wijten. Eiser heeft geen landeninformatie ingebracht waaruit blijkt dat de huidige actoren de slechte humanitaire situatie in Syrië in het algemeen en in [gebied] in het bijzonder veroorzaken en/of in stand houden. 13. Het voorgaande betekent dat eiser individuele en persoonlijke omstandigheden moet aandragen om aannemelijk te maken dat hij bij een terugkeer naar [gebied] een verhoogd risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Eiser heeft er in dit kader op gewezen dat hij in het verleden problemen heeft gehad met PKK, HTS en IS vanwege zijn werkzaamheden en een beschuldiging van afvalligheid. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt heeft gesteld dat eiser geen individuele omstandigheden naar voren heeft gebracht die maken dat hij een verhoogd risico loopt om het slachtoffer te worden van willekeurig geweld. De minister stelt terecht dat de omstandigheden die eiser noemt zien op gericht geweld. Het terugkeerbesluit 14. Eiser voert aan dat hij bij een terugkeer naar [gebied] een reëel risico op ernstige schade loopt, gelet op de combinatie van instabiele, gevaarlijke algemene veiligheidssituatie en aanwezigheid van IS-cellen, slechte humanitaire omstandigheden in Syrië, de beschuldiging van afvalligheid door IS en HTS, zijn werkzaamheden en zijn voorgenomen getuigenis tegen de officier. Volgens eiser is de minister voorbij gegaan aan de bredere toetsing die artikel 3 EVRM vereist in het kader van terugkeer. 15. De meervoudige kamer van deze rechtbank heeft op 23 februari 2026 geoordeeld dat de minister in het kader van het terugkeerbesluit moet beoordelen of een vreemdeling bij terugkeer naar Syrië een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Zoals in de uitspraak van 23 februari 2026 is uitgelegd, kan de minister hiervoor niet verwijzen naar zijn beoordeling van de mate van willekeurig geweld. 15.1. Daarbij is van belang dat het EHRM in het arrest Sufi en Elmi twee situaties onderscheidt: - In de eerste situatie worden de humanitaire omstandigheden niet veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor. - In de tweede situaties worden de humanitaire omstandigheden wel veroorzaakt door doelbewust handelen of nalaten van een overheid of niet-overheidsactor. In de eerste situatie geldt een zwaardere toets dan in de tweede situatie en ligt de lat voor eiser daarmee hoger. 15.2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister in de besluitvorming en het verweerschrift onvoldoende gemotiveerd waarom eiser bij terugkeer naar [gebied] geen reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Slechte humanitaire omstandigheden die het cumulatieve gevolg zijn van het jarenlange conflict in Syrië kunnen immers een rol spelen in die beoordeling. De minister heeft dan ook onvoldoende uitgelegd waarom in dit geval moet worden aangesloten bij de ‘zwaardere’ toets waarbij eiser aannemelijk moet maken dat hij bij een terugkeer niet in staat is ‘ to cater to his most basic needs, such as food, hygiene and shelter, his vulnerability to ill-treatment and the prospect of his situation improving within a reasonable time-frame ’. De minister heeft eiser tegengeworpen dat uit zijn verklaringen niet blijkt dat hij in de periode voor zijn eerste vertrek uit Syrië en in de periode tussen 2017 en 2024 in een situatie van extreme armoede verkeerde of niet in zijn basisbehoeftes kon voorzien. Maar de minister heeft eiser niet bevraagd over zijn situatie bij terugkeer. Daarbij heeft eiser tijdens de zitting verklaard dat zijn vrouw wel een woning huurt, maar dat ze die niet kunnen betalen. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister geen volledige en individuele beoordeling gemaakt van de vraag of eiser vanwege de slechte humanitaire omstandigheden in Syrië bij terugkeer een reëel risico loopt om in een situatie terecht te komen die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Daarom is het beroep gegrond. Conclusie en gevolgen 16. Het beroep is gegrond. De rechtbank vernietigt het bestreden besluit, omdat er sprake is van een motiveringsgebrek. De minister moet binnen zes weken een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. 16.1. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. De minister moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding wordt op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 2.802,- . Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het niet tijdig beslissen, niet-ontvankelijk; - verklaart het beroep, voor zover gericht tegen het bestreden besluit, gegrond; - vernietigt het bestreden besluit van 20 februari 2026; - draagt de minister op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak; - veroordeelt de minister tot betaling van € 2.802,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. C.W. Griffioen, rechter, in aanwezigheid van mr. L.L. Hol, griffier. De beslissing is uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Uitspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State van 17 augustus 2022, ECLI:NL:RVS:2022:2333. Zie pagina 3 van de correcties en aanvullingen op het nader gehoor, 17 februari 2026. Eiser wees tijdens de zitting op pagina 111 van het Algemeen Ambtsbericht Syrië van januari 2026. CEDOCA. International Protection Considerations with Regard to Asylum-Seekers from the Syrian Arab Republic. ECLI:NL:RBDHA:2026:3611 Het Europees Hof voor de Rechten van de Mens. Arrest van het Europees Hof voor de Rechten van de Mens van 28 juni 2011, ECLI:CE:ECHR:2011:0628JUD000831907 ( Sufi en Elmi tegen het Verenigd Koninkrijk ). 1 punt voor het indienen van een beroepschrift niet tijdig beslissen met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor van 0.5. 1 punt voor het indienen van het inhoudelijke beroepschrift, 0,5 punt voor repliek/dupliek en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.