ECLI:NL:RBDHA:2026:18676
Rechtbank Den Haag · 2026-07-07 · Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Minister wees asielaanvraag af, maar kende eiser later afgeleid verblijfsrecht toe op grond van art. 20 VWEU, Chavez-Vilchez. Eiser heeft vervolgens het beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag ingetrokken en verzocht om de minister te veroordelen in de proceskosten. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van tegemoetkomen door de minister. Uit het beleid van de minister vloeit voort dat hij ambtshalve moet toetsen of sprake is van een Chavez-Vilchez verblijfsrecht. Er is naar het oordeel van de rechtbank echter geen rechtsregel die de minister ertoe verplicht om na afwijzing van een verblijfsvergunning asiel, in diezelfde procedure ambtshalve te toetsen of de vreemdeling in aanmerking komt voor een Chavez-Vilchez verblijfsrecht. Gelet hierop bestaat geen aanleiding de minister te veroordeling in de proceskosten.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL26.7812 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser, geboren op [geboortedatum],van Syrische nationaliteit,V-nummer: [nummer], (gemachtigde: mr. D. de Vries), en de minister van Asiel en Migratie, de minister. Procesverloop 1. Op 9 februari 2026 heeft de minister de asielaanvraag van eiser afgewezen als ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld. 1.1. Bij besluit van 2 juni 2026 heeft de minister aan eiser een afgeleid verblijfsrecht toegekend op grond van artikel 20 van het VWEU. 1.2. Eiser heeft vervolgens het beroep tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag ingetrokken en verzocht om de minister te veroordelen in de proceskosten. 1.3. De rechtbank doet zonder zitting uitspraak op het verzoek om een proceskostenveroordeling. Beoordeling door de rechtbank 2. Eiser voert aan dat de minister in het besluit waarin zijn asielaanvraag is afgewezen, gelijktijdig het afgeleide verblijfsrecht op grond van artikel 20 van het VWEU had kunnen toekennen. Om die reden verzoekt eiser om een veroordeling in de proceskosten. 2.1. De minister heeft de rechtbank verzocht het verzoek af te wijzen. De minister stelt dat ten tijde van het nemen van het bestreden besluit, de uitkomst van de ambtshalve beoordeling van het afgeleide verblijfsrecht nog niet bekend was. Volgens de minister is er daarom geen sprake van een onjuistheid in het besluit. De minister wijst er daarnaast op dat de beoordeling van een afgeleid verblijfsrecht op grond van artikel 20 VWEU een afzonderlijke procedure betreft, die losstaat van de beoordeling van de asielaanvraag. Dat eiser nadien een afgeleid verblijfsrecht heeft verkregen en ervoor kiest het beroep in te trekken, kan volgens de minister niet leiden tot een proceskostenveroordeling. 2.2. De rechtbank overweegt als volgt. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. De rechtbank moet dus beoordelen of de minister geheel of gedeeltelijk aan verzoeker is tegemoetgekomen. 2.3. Uit vaste jurisprudentie van de Afdeling volgt dat van tegemoetkomen in de zin van artikel 8:75a van de Awb alleen sprake is in het volgende geval. Het bestuursorgaan heeft een, binnen de grenzen van het geding in het bestreden besluit, ingenomen standpunt herzien. Daarbij heeft het bestuursorgaan het door de indiener van het beroepschrift gewenste besluit alsnog genomen op gronden die een erkenning van de onrechtmatigheid van het oorspronkelijke besluit impliceren. Intrekking of wijziging van het besluit door nieuwe feiten of veranderde omstandigheden, of daarna verkregen, buiten de onderzoekslast van het bestuursorgaan vallende informatie houdt geen tegemoetkomen in voormelde zin in en vormt geen grond voor een kostenveroordeling. 2.4. De rechtbank oordeelt dat geen sprake is van tegemoetkoming als bedoeld in 6.1. door de minister. De minister heeft in een afzonderlijke procedure en na het besluit van 9 februari 2026 geconcludeerd dat eiser een afgeleid verblijfsrecht heeft. Uit het beleid van de minister vloeit voort dat hij ambtshalve moet toetsen of sprake is van een Chavez-Vilchez verblijfsrecht. Er is naar het oordeel van de rechtbank echter geen rechtsregel die de minister ertoe verplicht om na afwijzing van een verblijfsvergunning asiel, in diezelfde procedure ambtshalve te toetsen of de vreemdeling in aanmerking komt voor een Chavez-Vilchez verblijfsrecht. Dit betekent dat het besluit van 9 februari 2026 niet onrechtmatig was omdat de uitkomst van de ambtshalve toets daarin niet was opgenomen. 2.5. Gelet op het voorgaande bestaat geen aanleiding om de minister te veroordelen in de proceskosten. Conclusie en gevolgen 3. De rechtbank wijst het verzoek om een vergoeding van de kosten af. Beslissing De rechtbank wijst het verzoek om de minister te veroordelen in de proceskosten af. Deze uitspraak is gedaan door mr. A. Sibma, rechter, in aanwezigheid van mr. M. Veenstra - van der Veen, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. Openbaar gemaakt en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Het Verdrag betreffende de werking van de Europese Unie. Op grond van artikel 8:57 Algemene wet bestuursrecht. Dit volgt uit artikel 8:75a van de Awb en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb). Zie bijvoorbeeld de uitspraken van de Afdeling van 18 juli 2012, ECLI:NL:RVS:2012:BX1816 en 28 januari 2021, ECLI:NL:RVS:2021:180. Zie het beleid in Vc B.10/2.6.1. En zie daarnaast ook IB 2023/31 Richtsnoeren inhoudelijke toetsing naar aanleiding van arrest Chavez-Vilchez - Immigratie- en Naturalisatiedienst, onder 15.1.