ECLI:NL:RBDHA:2026:18662
Rechtbank Den Haag · 2026-05-26 · Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Asiel Turkije/Alawiet en Koerd. Eiser heeft de Turkse nationaliteit en heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij Alawiet en Koerd is en gediscrimineerd wordt. Eiser vreest ook dat hij bij terugkeer zijn dienstplicht moet vervullen. Eiser stelt dat hij vanwege zijn achtergrond in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat. De minister gelooft de discriminatie, maar vindt dit niet zwaarwegend genoeg. De minister vindt dat hij bij terugkeer geen gevaar loopt als hij alsnog de dienstplicht moet vervullen. De rechtbank is van oordeel dat het besluit van de minister juist is. De rechtbank volgt de minister in zijn standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege de dienstplicht een gegronde vrees voor vervolging heeft of dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. De minister heeft dit gebaseerd op het meest recente Algemeen Ambtsbericht van Turkije van februari 2025, terwijl eiser zijn stellingen onderbouwt met oudere informatie. Uit het recente Algemeen Ambtsbericht Turkije van februari 2025 blijkt dat er gedurende de verslagperiode geen informatie beschikbaar was over anti-Koerdisch geweld tegen Koerdische dienstplichtigen, de eventuele inzet van Koerdische dienstplichtigen tegen de PKK in Zuidoost-Turkije en dienstweigeraars die buitenproportioneel werden bestraft vanwege hun etniciteit, religie, politieke gezinde of seksuele oriëntatie en genderidentiteit. Uit die landeninformatie blijkt niet, anders dan voorheen in 2022, dat sprake is van mishandelingen van Koerdische of Alawitische dienstplichtigen. De door eiser overgelegde informatie van Vluchtelingenwerk Nederland van 8 oktober 2025, leidt niet tot een nader oordeel omdat die informatie is gebaseerd op oude landeninformatie van 2020 tot 2022. De enkele stelling van eiser dat de Turkse autoriteiten de incidenten niet meer zouden registreren, hoeft nog niet uit te sluiten dat er in het geheel landeninformatie ontbreekt waaruit eventuele incidenten naar voren kunnen komen. Eiser heeft geen recente andere landeninformatie overgelegd waaruit het tegendeel blijkt. Op de minister rust geen (extra) onderzoeksplicht, anders dan de minister al heeft gedaan door het Algemeen Ambtsbericht van Turkije van februari 2025 bij zijn beoordeling te betrekken. Het beroep is ongegrond.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.6571 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , eiser, V-nummer: [v-nummer] , (gemachtigde: mr. V.M. Oliana), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder, (gemachtigde: mr. G.L. Wischhoff). Samenvatting 1. Eiser heeft de Turkse nationaliteit en heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij Alawiet en Koerd is en gediscrimineerd wordt. Eiser vreest ook dat hij bij terugkeer zijn dienstplicht moet vervullen. Eiser stelt dat hij vanwege zijn achtergrond in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat. Verweerder gelooft de discriminatie, maar vindt dit niet zwaarwegend genoeg. Verweerder vindt dat hij bij terugkeer geen gevaar loopt als hij alsnog de dienstplicht moet vervullen. 1.1 De rechtbank is van oordeel dat het besluit van verweerder juist is. De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege de dienstplicht een gegronde vrees voor vervolging heeft of dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. Verweerder heeft dit gebaseerd op het meest recente Algemeen Ambtsbericht van Turkije van februari 2025, terwijl eiser zijn stellingen onderbouwt met oudere informatie. Het beroep is ongegrond. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Bij besluit van 29 januari 2026 (het bestreden besluit) heeft verweerder de aanvraag van eiser tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. Ook is er een terugkeerbesluit waarin staat dat eiser binnen vier weken naar Turkije moet vertrekken. 2.1 Eiser heeft tegen het bestreden besluit beroep ingesteld. 2.2 De rechtbank heeft het beroep op 4 mei 2026 op zitting behandeld. Verschenen zijn de gemachtigde van eiser, T. Cetinkaya als tolk en de gemachtigde van verweerder. De asielaanvraag 3. Eiser is op 20 augustus 2024 Nederland ingereisd en heeft op 19 september 2024 een asielaanvraag ingediend. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij Alawiet en Koerd is en dat hij daardoor is gediscrimineerd. Verder heeft eiser aangegeven dat hij is gevlucht na de aardbeving op 6 februari 2023 omdat hij geen hulp kreeg vanuit de overheid. Vooral gebieden waar Koerden en Alawieten woonachtig zijn, kregen geen hulp. De hulp kwam pas na tien of elf dagen en de hulp werd tegengehouden door de gouverneur of Afad. Hierdoor is een vriend, een neef van zijn vader en een nicht van zijn moeder overleden. Ook vreest eiser dat hij in de negatieve belangstelling van de autoriteiten staat en bij terugkeer gevangen wordt genomen of vermoord wordt tijdens de dienstplicht. Het bestreden besluit 3.1 Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder twee relevante motieven: 1. Identiteit, nationaliteit en herkomst; 2. Discriminatie wegens het zijn van Alawiet en Koerd. 3.2 Verweerder heeft beide asielmotieven geloofwaardig geacht. Verweerder vindt het aannemelijk dat hij bij terugkeer naar Turkije (weer) te maken kan krijgen met enige vorm van discriminatie vanwege zijn Koerdische afkomst en vanwege het zijn van Alawiet. Verweerder vindt dit echter niet zwaarwegend genoeg. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij door de discriminatie zo ernstig wordt beperkt in zijn bestaansmogelijkheden dat hij onmogelijk op maatschappelijk en sociaal gebied kan functioneren. Eiser heeft, zo blijkt uit zijn verklaringen, wel toegang gehad tot onderwijs, zorg, werk en huisvesting. Hij heeft een paspoort kunnen aanvragen en hij heeft geen problemen met de autoriteiten gehad. Ten aanzien van de dienstplicht heeft verweerder overwogen dat hij niet aan de voorwaarden voldoet zoals genoemd in C2.3.2.7 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij wordt ingezet in een internationaal gewapend conflict waarbij hij oorlogsmisdrijven moet plegen of daarbij moet ondersteunen, dat zijn dienstplichtontduiking zal leiden tot onevenredige of discriminatoire bestraffing en dat hij zwaarwegende en onoverkomelijke gewetensbezwaren heeft omtrent de dienstplicht. Verweerder heeft daarbij betrokken dat: - hij op geen enkele manier heeft onderbouwd dat hij is opgeroepen voor de militaire dienst; - hij in het aanmeldgehoor heeft verklaard dat hij tot 2029 uitstel van de militaire dienst heeft; - de plaats waar hij gelegerd wordt volgens het Algemeen Ambtsbericht Turkije februari 2025 willekeurig is; - dienstplichtigen in beginsel niet ingezet worden in conflictgebieden of bij anti-terreuroperaties; - het mogelijk is om zich aan de dienstplicht te onttrekken door deze af te kopen; - het een aanname van eiser is dat hij door de manifestaties in de negatieve aandacht is komen te staan. Eiser heeft geen problemen ondervonden en hield zich bewust op de achtergrond, hij heeft geen politieke identiteit en is geen lid van een partij; - dienstplichtontduikers krijgen een maximale straf van zes tot drie jaar als ze zich niet melden voor de dienstplicht. Dit is vergelijkbaar met de straffen in Nederland (maximaal twee jaar); - er op dit moment geen sprake is van dienstweigering of desertie omdat eiser niet is opgeroepen voor militaire dienst. - uit het landgebondenbeleid volgt dat er geen gegronde vrees wordt aangenomen voor Koerdische dienstplichtigen die vrezen te worden ingezet tegen hun eigen volk en familie. 3.3 Ten aanzien van de aardbeving overweegt verweerder dat eiser verklaart dat hij al in februari 2023 na de aardbeving in Turkije besloten heeft dat hij asiel wilde aanvragen. Hij heeft echter pas in augustus 2024 Turkije verlaten en pas in september 2024 in Nederland asiel aangevraagd. Dit is niet zo spoedig mogelijk. 3.4 De afwijzing vindt verweerder niet in strijd met artikel 8 van het EVRM . Daarbij heeft verweerder betrokken dat eisers moeder vanaf 2018 in Nederland woont, maar dat hij niet recentelijk met zijn moeder heeft samengewoond en dat hij niet financieel afhankelijk is van haar. Eiser is alleen afhankelijk van zijn moeder voor de was en koken. De dienstplicht 4. Eiser voert aan dat hij bij terugkeer zijn militaire dienst nog moet verrichten. Eiser heeft een vertaalde vrijstelling van zijn militaire dienst overgelegd waaruit kan worden opgemaakt dat hij tot 26 juli 2026 is vrijgesteld van de dienstplicht, mits hij aan de voorwaarden voldoet. Eiser voert aan dat hij bij terugkeer niet meer voldoet aan de voorwaarden van de vrijstelling en dat hij alsnog zijn dienstplicht moet verrichten. Verweerder stelt ten onrechte dat hij zijn dienstplicht kan afkopen. Uit het Algemeen Ambtsbericht van februari 2025 volgt dat bij het formeel afkopen van de dienstplicht nog altijd één maand militaire basistraining resteert, waarbij de dienstplichtige dient deel te nemen aan de routines van het soldatenbestaan, waaronder het dragen van een militair uniform, het opvolgen van bevelen, marcheren en het verrichten van schietoefeningen. Verder voert eiser aan dat verweerder ten onrechte niet heeft aangenomen dat hij tijdens de militaire dienstplicht vanwege zijn etniciteit en geloof een reëel risico loopt op een behandeling die in strijd is met artikel 3 van het EVRM. Uit het Algemeen Ambtsbericht Turkije van maart 2022 volgt dat dienstplichtontduikers en deserteurs onevenredig worden bestraft indien zij een bepaalde etniciteit of religie hebben. Eiser heeft hierbij verwezen naar een uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 7 juni 2022 waarin de asielaanvraag daadwerkelijk is ingewilligd. Onder verwijzing naar landeninformatie van Vluchtelingenwerk Nederland van 8 oktober 2025, stelt eiser dat mensenrechtengroepen verdachte sterfgevallen in het leger, met name onder dienstplichtigen met Alawitische en Koerdische achtergrond, vermelden. De Turkse autoriteiten hebben naar deze gevallen geen onderzoek gestart of hierover data vrijgegeven. Recente informatie over dergelijke schandalen is dus niet beschikbaar. Het is de Turkse autoriteiten kennelijk gelegen om dergelijke schandalen in de doofpot te stoppen, aldus eiser. Verweerder laat in het bestreden besluit na om te motiveren waaruit volgt dat er thans binnen de Turkse strijdkrachten geen sprake meer is, dan wel verminderd sprake is van anti-Koerdische sentimenten. Verweerder heeft hierin volgens eiser een onderzoeksplicht. 4.1 De rechtbank volgt verweerder in zijn standpunt dat eiser niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij vanwege de dienstplicht een gegronde vrees voor vervolging heeft of dat hij bij terugkeer een reëel risico loopt op ernstige schade. Uit het recente Algemeen Ambtsbericht Turkije van februari 2025 blijkt dat er gedurende de verslagperiode geen informatie beschikbaar was over anti-Koerdisch geweld tegen Koerdische dienstplichtigen, de eventuele inzet van Koerdische dienstplichtigen tegen de PKK in Zuidoost-Turkije en dienstweigeraars die buitenproportioneel werden bestraft vanwege hun etniciteit, religie, politieke gezinde of seksuele oriëntatie en genderidentiteit. Uit die landeninformatie blijkt niet, anders dan voorheen in 2022, dat sprake is van mishandelingen van Koerdische of Alawitische dienstplichtigen. De door eiser overgelegde informatie van Vluchtelingenwerk Nederland van 8 oktober 2025, leidt niet tot een nader oordeel omdat die informatie is gebaseerd op oude landeninformatie van 2020 tot 2022. De enkele stelling van eiser dat de Turkse autoriteiten de incidenten niet meer zouden registreren, hoeft nog niet uit te sluiten dat er in het geheel landeninformatie ontbreekt waaruit eventuele incidenten naar voren kunnen komen. Eiser heeft geen recente andere landeninformatie overgelegd waaruit het tegendeel blijkt. Op verweerder rust geen (extra) onderzoeksplicht, anders dan verweerder al heeft gedaan door het Algemeen Ambtsbericht van Turkije van februari 2025 bij zijn beoordeling te betrekken. Eisers beroep op de uitspraak van deze rechtbank en zittingsplaats van 7 juni 2022 leidt niet tot een ander oordeel. In die uitspraak heeft de rechtbank de vreemdeling gevolgd in zijn stelling dat verweerder nader onderzoek moet doen naar de vraag of hij, als Alawiet, een 3 EVRM-risico zou lopen als hij zijn dienstplicht zou vervullen, maar dat oordeel was gebaseerd op landeninformatie uit 2021 en 2022. Verweerder heeft zich ook op het standpunt kunnen stellen dat, zoals blijkt uit het Algemeen Ambtsbericht Turkije van februari 2025, de dienstplicht in Turkije afgekocht kan worden. Eiser heeft niet onderbouwd dat hij de afkoop niet kan betalen. Ook is niet gebleken dat dienstplichtigen bij de basistraining te maken krijgen met ernstige discriminatie of mishandeling. 4.2 Gelet op het bovenstaande en omdat verweerder niet betwist dat eiser dienstplichtig is, vindt de rechtbank het niet van belang om een oordeel te geven op de vraag of de door eiser overgelegde vrijstelling authentiek is of niet en welke gevolgen daaraan verbonden zijn. 4.3 De beroepsgronden van eiser slagen niet. Conclusie en gevolgen 5. Verweerder heeft de aanvraag terecht afgewezen als ongegrond. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat eiser geen gelijk krijgt. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. L.M. Kos, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Pronk, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Pagina 91 en 92 van het Algemeen Ambtsbericht Turkije februari 2025. Pagina 69 van het Algemeen Ambtsbericht Turkije maart 2022.