ECLI:NL:RBDHA:2026:18659
Rechtbank Den Haag · 2026-06-10 · Eerste aanleg - enkelvoudig
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Palestijnse vluchteling/artikel 1D/UNRWA. Eiser legt aan zijn asielaanvraag ten grondslag dat hij van Palestijnse afkomst is en dat hij staatloos is. Eiser is in Damascus, Syrië geboren en heeft hier tot zijn vertrek in augustus 2023 gewoond, gestudeerd en gewerkt. Hij is daar erkend als Palestijnse vluchteling. De minister van Asiel en Migratie heeft de asielaanvraag van eiser afgewezen omdat hij van de vluchtelingenstatus is uitgesloten op grond van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag. Hij kreeg als Palestijnse vluchteling bescherming of bijstand van UNRWA in Syrië. Op grond van rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (ECLI:NL:RVS:2025:3671) moet de minister een actuele beoordeling maken van de vraag of UNRWA jegens eiser zal kunnen voldoen aan de verplichtingen die uit haar mandaat volgen als eiser naar het mandaatgebied moet terugkeren. Dat gaat verder dan de vraag of UNRWA eiser kan beschermen tegen behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). UNWRA moet levensomstandigheden kunnen bieden die stroken met de taak van de organisatie: om Palestijnse vluchtelingen te beschermen, maar ook om hun welzijn en ontwikkeling te dienen. UNRWA moet in ieder geval in staat zijn om te voorzien in de basisbehoeften van Palestijnse vluchtelingen, zoals voedsel, water, onderdak en de mogelijkheid om onderwijs te volgen. Humanitaire omstandigheden, ook omstandigheden die los staan van eisers individuele situatie, kunnen van belang zijn voor deze beoordeling. De minister moet zowel de eigen verklaringen van betrokkene als de actuele algemene informatie over de UNRWA en de positie van Palestijnse vluchtelingen in Syrië bij het besluit betrekken. In het besluit en ter zitting heeft de minister geen inzicht gegeven in de maatstaf die hij hanteert bij beantwoording van de vraag in hoeverre de UNRWA in staat is aan zijn mandaat te voldoen. Uit de door eiser aangehaalde beslisnota en het rapport van het European Union Asylum Agency (EUAA) volgt dat ook in de nieuwe situatie, net als voorheen onder het regime van Assad, er in beginsel van uit moet worden gegaan dat UNRWA niet aan zijn mandaat kan voldoen en dat de bescherming en bijstand moet worden geacht te zijn opgehouden. De minister is niet op deze rapporten ingegaan. Waarom de minister in dit geval niet het uitgangspunt in de beslisnota en van het EUAA hanteert blijft daarom onduidelijk. De minister heeft de humanitaire omstandigheden niet betrokken bij de vraag of UNRWA aan zijn mandaat kan voldoen. Het bestreden besluit is onzorgvuldig tot stand gekomen en onvoldoende gemotiveerd. Het beroep is gegrond en de minister moet een nieuw besluit nemen.
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Haarlem Bestuursrecht zaaknummer: NL26.14698 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser] , V-nummer: [v-nummer] , eiser (gemachtigde: mr. M.M. Volwerk), en de minister van Asiel en Migratie, verweerder (gemachtigde: mr. A. Sarmastzada). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de asielaanvraag van eiser. Eiser is het hier niet mee eens en heeft daarvoor argumenten gegeven. Deze argumenten noemt de rechtbank de beroepsgronden. Aan de hand van de beroepsgronden beoordeelt de rechtbank de afwijzing van de asielaanvraag. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag niet in stand kan blijven. Verweerder heeft namelijk onvoldoende duidelijk gemaakt dat de VN-organisatie het United Nations Relief and Works Agency (hierna: UNRWA) in Syrië aan eiser als Palestijnse vluchteling voldoende bescherming kan bieden. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiser heeft op 19 november 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 16 maart 2026 deze aanvraag in de algemene procedure afgewezen als ongegrond. 2.1. Eiser heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 2.2. De rechtbank heeft het beroep op 20 mei 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, A. Polo als tolk en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 3. Eiser legt aan zijn asielaanvraag het volgende ten grondslag. Eiser heeft verklaard te zijn geboren op [datum 2] 1999, van Palestijnse afkomst en staatloos te zijn. Eiser is in Damascus, Syrië geboren en heeft hier tot zijn vertrek in augustus 2023 gewoond, gestudeerd en gewerkt. Hij is daar erkend als Palestijnse vluchteling. Eiser vreest bij terugkeer beschuldigd te worden van sympathie voor het voormalige regime van Assad, omdat hij vanuit zijn functie als advocaat-stagiair overheidsinstanties bezocht. Ook vreest hij bij terugkeer voor de algemene situatie in Syrië en omdat de UNRWA niet meer actief is. Het bestreden besluit 4. Het asielrelaas van eiser bevat volgens verweerder het volgende asielmotief: 1. Identiteit, nationaliteit en herkomst. Verweerder vindt dit asielmotief geloofwaardig en merkt Syrië in overeenstemming met zijn werkinstructie WI 2020/19 aan als ‘Country of former habitual residence’. 4.1. Eiser is volgens verweerder van vluchtelingenstatus uitgesloten op grond van artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag. Hij kreeg immers als Palestijnse vluchteling bescherming of bijstand van UNRWA in Syrië. 4.2. Dat die bescherming of bijstand is opgehouden en dat eiser om die reden toch onder de vluchtelingenstatus valt, volgt verweerder niet. Hij wijst er daarbij op dat eiser tot 2015 steun heeft ontvangen van UNRWA en zich tot zijn vertrek in 2023 in Syrië heeft kunnen handhaven. Eiser heeft tot zijn vertrek gebruik kunnen maken van huisvesting via UNRWA. Eisers familie maakt daar nog steeds gebruik van. Verweerder gaat er daarom van uit dat eiser daar bij terugkeer opnieuw gebruik van kan maken. Verweerder wijst er verder op dat UNRWA actief is in Syrië en dat Palestijnse vluchtelingen zich tot de organisatie kunnen wenden. Dat de bijstand van UNRWA is terug geschaald doet daar niet aan af. Hoewel de humanitaire hulp in de periode 2013-2016 ernstig werd beperkt, keerden daarna veel Palestijnse vluchtelingen in kamp [kamp naam] terug, waar ook medewerkers van UNRWA aanwezig waren. 4.3. Verweerder acht niet aannemelijk dat eiser bij terugkeer naar Syrië een reëel risico loopt op ernstige schade. Eiser heeft geen enkele concrete indicatie gegeven dat hij vanwege zijn voormalige werkzaamheden als advocaat-stagiaire problemen zou krijgen bij terugkeer. Ook spelen er bij eiser geen individuele omstandigheden die maken dat hij slachtoffer zal worden van willekeurig geweld in Syrië, dat nu van een lager niveau is. 4.4. Daarom heeft verweerder eisers aanvraag afgewezen en hem aangezegd binnen vier weken naar Syrië te vertrekken. Is de bescherming of bijstand van UNRWA opgehouden? 5. Eiser voert aan dat verweerder bij de vraag of de bescherming en bijstand van UNRWA is opgehouden een te beperkte toets heeft aangelegd. Uit rechtspraak en verweerders eigen werkinstructie volgt dat verweerder de vraag moet beantwoorden of UNRWA in staat is om aan zijn mandaat te voldoen. Dat eiser toegang zou hebben tot huisvesting is onvoldoende. Bovendien kon hij daar geen gebruik meer van maken vanwege de oorlog en omdat hij moest vluchten uit angst om aangehouden te worden. Daarnaast noemt de beslisnota bij verweerders landenbeleid over Syrië als uitgangspunt dat UNRWA onvoldoende functioneert in Syrië. Ook wijst eiser er met verwijzing naar landeninformatie op dat de situatie van Palestijnse vluchtelingen in Syrië erg slecht is. Eiser concludeert dat UNRWA niet aan zijn mandaat kan voldoen en dat hij daarmee onder de ‘insluitingsgrond’ valt. 5.1. Verweerder heeft in beroep het standpunt in het bestreden besluit gehandhaafd en verwezen naar de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Arnhem van 19 mei 2026. 5.2. De rechtbank stelt vast dat niet in geschil is dat eiser valt onder artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag. Op grond daarvan wordt eiser uitgesloten van vluchtelingenstatus omdat hij al wordt beschermd door of bijstand krijgt van UNRWA. Dat is alleen anders als die bescherming of bijstand is opgehouden. Dan wordt eiser toch ‘ingesloten’ en moet hij beschermd worden als vluchteling. De rechtbank moet dus beoordelen of de bescherming of bijstand is opgehouden (insluitingsgrond). De door verweerder genoemde uitspraak van 19 mei 2026 is daarbij niet relevant, aangezien daar de rechtsvraag speelde of de eiser in die zaak bescherming of bijstand ontving en onder artikel 1D van het Vluchtelingenverdrag viel (de uitsluitingsgrond). 5.3. Uit rechtspraak van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State (hierna: de Afdeling), de hoogste bestuursrechter in vreemdelingenzaken, komt het volgende kader voor het beoordelen van de insluitingsgrond naar voren. Verweerder moet een actuele beoordeling maken van de vraag of UNRWA jegens eiser zal kunnen voldoen aan de verplichtingen die uit haar mandaat volgen als eiser naar het mandaatgebied moet terugkeren. Dat gaat verder dan de vraag of UNRWA eiser kan beschermen tegen behandeling in strijd met artikel 3 van het Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden (EVRM). UNWRA moet levensomstandigheden kunnen bieden die stroken met de taak van de organisatie: om Palestijnse vluchtelingen te beschermen, maar ook om hun welzijn en ontwikkeling te dienen. UNRWA moet in ieder geval in staat zijn om te voorzien in de basisbehoeften van Palestijnse vluchtelingen, zoals voedsel, water, onderdak en de mogelijkheid om onderwijs te volgen. Humanitaire omstandigheden, ook omstandigheden die los staan van eisers individuele situatie, kunnen van belang zijn voor deze beoordeling. Verweerder moet zowel de eigen verklaringen van betrokkene als de actuele algemene informatie over de UNRWA en de positie van Palestijnse vluchtelingen in Syrië bij haar besluit betrekken. 5.4. In het bestreden besluit en ter zitting heeft verweerder geen inzicht gegeven in de maatstaf die hij hanteert bij beantwoording van de vraag in hoeverre de UNRWA in staat is aan zijn mandaat te voldoen. Dat had hij wel moeten doen, temeer nu eiser hem al op de onder 5.3 genoemde rechtspraak had gewezen in zijn zienswijze. Daar komt bij dat eiser in zijn zienswijze ook al had gewezen op de in beroep aangehaalde beslisnota en een rapport van het European Union Asylum Agency (hierna: EUAA). Uit deze rapporten volgt dat ook in de nieuwe situatie, net als voorheen onder het regime van Assad, er in beginsel van uit moet worden gegaan dat UNRWA niet aan zijn mandaat kan voldoen en dat de bescherming en bijstand moet worden geacht te zijn opgehouden. Verweerder is niet op deze rapporten ingegaan. Waarom verweerder in dit geval niet het uitgangspunt in de beslisnota en van het EUAA hanteert blijft daarom onduidelijk. 5.5 Verweerder heeft ook niet op een andere manier duidelijk gemaakt dat UNRWA aan zijn mandaat kan voldoen. Dat UNRWA in Syrië actief is en dat Palestijnse vluchtelingen zich tot de organisatie kunnen wenden, is gelet op het voorgaande te algemeen. De constatering dat eiser toegang zou hebben tot huisvesting, volstaat uiteraard ook niet. Dat eiser zich gedurende een bepaalde tijd heeft kunnen handhaven zegt op zichzelf niets over de mogelijkheid van UNRWA om aan haar mandaat te kunnen voldoen. De verwijzing naar informatie over kamp [kamp naam] op pagina 2 van het besluit heldert dit ook niet op, alleen al omdat verweerder de bron van deze informatie niet heeft vermeld. Daarnaast ziet de rechtbank niet in hoe de aanwezigheid van Palestijnse vluchtelingen en UNRWA medewerkers in een bepaald kamp iets zegt over de algemene capaciteit van UNRWA om aan zijn mandaat in Syrië te voldoen. Bovendien heeft eiser in zijn zienswijze en in beroep landeninformatie ingebracht waaruit volgt dat er in Syrië voor Palestijnse vluchtelingen in humanitair opzicht een zorgelijke situatie bestaat. Verweerder heeft deze humanitaire omstandigheden niet betrokken bij de vraag of UNRWA aan zijn mandaat kan voldoen. De beroepsgrond slaagt. Conclusie en gevolgen 6. Verweerder heeft de aanvraag ten onrechte afgewezen als kennelijk ongegrond. Het beroep is gegrond omdat het bestreden besluit onzorgvuldig tot stand is gekomen en onvoldoende gemotiveerd is. Dat is in strijd met de Algemene wet bestuursrecht. De rechtbank vernietigt daarom het bestreden besluit. De rechtbank bepaalt dat verweerder een nieuw besluit moet nemen en daarbij rekening houdt met deze uitspraak. De rechtbank geeft verweerder hiervoor zes weken. 6.1. Omdat het beroep gegrond is krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Verweerder moet deze vergoeding betalen. Deze vergoeding bedraagt € 1.868,- omdat de gemachtigde van eiser een beroepschrift heeft ingediend en aan de zitting heeft deelgenomen. Verder zijn er geen kosten gemaakt die vergoed kunnen worden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep gegrond; - vernietigt het bestreden besluit van 16 maart 2026; - draagt verweerder op binnen zes weken na de dag van verzending van deze uitspraak een nieuw besluit te nemen op de aanvraag, waarbij rekening wordt gehouden met deze uitspraak; - veroordeelt verweerder tot betaling van € 1.868,- aan proceskosten aan eiser. Deze uitspraak is gedaan door mr. B.V.A. Corstens, rechter, in aanwezigheid van mr. R. Pronk, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. In de zin van het Verdrag betreffende de Status van Vluchtelingen van 1951. Verdrag betreffende de Status van Vluchtelingen van 1951. Nota van het Directoraat-Generaal Migratie aan verweerder bij het Landenbeleid Syrië van 16 maart 2026, p. 2 en 4. ECLI:NL:RBDHA:2026:12595. Zie onder andere de uitspraken van de Afdeling van 6 augustus 2025, ECLI:NL:RVS:2025:3671, onder 3.7 en 4.2 – 4.7 en van 14 juli 2021, ECLI:NL:RVS:2021:1550, onder 8. EUAA, Country Guidance: Syria, 2 december 2025, p. 47-48. Artikelen 3:2 en 7:12. Met toepassing van artikel 8:72, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Met toepassing van artikel 8:72, vierde lid, van de Algemene wet bestuursrecht. Zie artikel 1, aanhef en onder a, van het Besluit proceskosten bestuursrecht en de bijlage bij het Besluit proceskosten bestuursrecht.