← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:18634

Rechtbank Den Haag · 2026-07-07 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL26.4934
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
22.865 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Opvolgende asielaanvraag. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven, omdat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom hij de gestelde seksuele gerichtheid van eiseres niet geloofwaardig vindt. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres vage, oppervlakkige en op punten tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over haar gestelde seksuele gerichtheid. De minister mocht voorbijgaan aan de conclusie van het iMMO over het vermogen van eiseres om te verklaren, omdat deze conclusie niet voldoende is onderbouwd. Beroep ongegrond.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL26.4934 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], V-nummer: [nummer], eiseres, (gemachtigde: mr. G.E.M. Later), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. B.H. Wezeman). Samenvatting 1. Deze uitspraak gaat over de afwijzing van de herhaalde asielaanvraag en de afwijzing van het verzoek om heroverweging van het besluit van 18 februari 2021 in de vorige asielprocedure van eiseres. Eiseres is het hier niet mee eens. Zij heeft daarom beroep ingesteld. De rechtbank beoordeelt het beroep mede aan de hand van de beroepsgronden. 1.1. De rechtbank komt in deze uitspraak tot het oordeel dat de afwijzing van de asielaanvraag in stand kan blijven, omdat de minister voldoende heeft gemotiveerd waarom hij de gestelde seksuele gerichtheid van eiseres niet geloofwaardig vindt. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres vage, oppervlakkige en op punten tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over haar gestelde seksuele gerichtheid. De minister mocht voorbijgaan aan de conclusie van het iMMO over het vermogen van eiseres om te verklaren, omdat deze conclusie niet voldoende is onderbouwd. Hieronder legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Procesverloop 2. Eiseres heeft op 19 juli 2023 een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd aangevraagd. De minister heeft deze aanvraag met het bestreden besluit van 21 januari 2026 in de verlengde procedure afgewezen als kennelijk ongegrond. 2.1. Eiseres heeft beroep ingesteld tegen het bestreden besluit. 3. De rechtbank heeft het beroep op 25 juni 2026 op zitting behandeld, samen met het verzoek om een voorlopige voorziening. Hieraan hebben deelgenomen: eiseres, de gemachtigde van eiseres, een tolk en de gemachtigde van de minister. Beoordeling door de rechtbank Het asielrelaas 4. Eiseres heeft op 19 juli 2023 een opvolgende asielaanvraag gedaan en de minister verzocht om heroverweging van het afwijzende besluit op haar eerste asielaanvraag van 6 juli 2018. Zij heeft hieraan (opnieuw) ten grondslag gelegd dat zij lesbisch is en daardoor bij terugkeer naar Sierra Leone heeft te vrezen voor vervolging. Zij heeft bij haar aanvraag een iMMO-rapport overgelegd van 1 november 2022. Daaruit blijkt volgens eiseres dat haar relaas in de eerste procedure ten onrechte niet geloofwaardig is geacht. De conclusie van het iMMO-rapport is namelijk dat bij eiseres ten tijde van de gehoren in de vorige procedure sprake was van psychische en lichamelijke problemen, die zeer waarschijnlijk hebben geïnterfereerd met het vermogen van eiseres om compleet, coherent en consistent te verklaren. Verder heeft eiseres uitnodigingen voor bijeenkomsten van het COa, informatie van Fier Friesland, brieven van 1 oktober 2024, 30 december 2025 en 23 juni 2026 van Sandro Kortekaas van LGBT+ Asylum Support, twee uitspraken en een inwilligend besluit van haar gestelde partner en diverse foto’s overgelegd. Het bestreden besluit 5. Het asielrelaas van eiseres bestaat volgens de minister uit de volgende relevante asielmotieven: 1. Identiteit, nationaliteit en herkomst; 2. Lesbische gerichtheid. 6. De minister vindt het eerste asielmotief geloofwaardig. De minister vindt de gestelde lesbische gerichtheid niet geloofwaardig, omdat de verklaringen van eiseres geen samenhangend en aannemelijk geheel vormen. Allereerst heeft eiseres volgens de minister feitelijk niet anders verklaard dan in de vorige procedure en heeft zij niet meer diepgang gegeven in haar gedachten en gevoelens over haar lesbische gerichtheid. De minister vindt dat uit de conclusie van het iMMO-rapport onvoldoende blijkt waarom en hoe de psychische en lichamelijke problemen van eiseres zouden hebben geïnterfereerd met haar vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren. Daarnaast geeft het rapport onvoldoende informatie over de littekens van eiseres. Daarom kan het rapport niet tot een andere beoordeling leiden dan in de eerdere procedure. Verder zijn de verklaringen van eiseres op meerdere punten tegenstrijdig en verklaart eiseres vaag en oppervlakkig over haar gestelde relatie in Nederland. De overgelegde stukken maken volgens de minister niet dat de gestelde seksuele gerichtheid van eiseres alsnog geloofwaardig moet worden geacht. De toets door de rechtbank 7. In het arrest van 4 juni 2026 in de zaak Ebilum heeft het Hof van Justitie van de Europese Unie overwogen dat de terughoudende toets, zoals de Nederlandse rechter die nu in asielzaken verricht, niet verenigbaar is met het Europese recht. In lijn met deze rechtspraak toetst de rechtbank het besluit daarom nu vol. Het besluit in de eerdere asielprocedure van eiseres 8. De rechtbank Den Haag heeft in de eerdere asielprocedure van eiseres het beroep ongegrond heeft verklaard en geoordeeld dat de minister de seksuele gerichtheid van eiseres niet ten onrechte ongeloofwaardig heeft geacht. De rechtbank heeft in deze uitspraak onder andere het volgende overwogen: “De rechtbank is van oordeel dat verweerder niet ten onrechte stelt dat eiseres met haar verklaringen niet aannemelijk heeft gemaakt dat zij lesbisch is. Haar verklaringen over wat het voor haar betekende om te realiseren dat zij op vrouwen valt en daarmee anders is dan de meeste mensen om haar heen, zijn oppervlakkig.” (…) “Ook de verklaringen van eiseres over haar relatie met [naam] heeft verweerder niet ten onrechte als algemeen en oppervlakkig aangemerkt.” (…) “Met verweerder is de rechtbank verder van oordeel dat de stukken die eiseres heeft overgelegd -zoals foto’s met haar gestelde partner, van haar aanwezigheid bij de Gay Pride in Amsterdam en Leeuwarden en de verklaringen van het COC en het Wereldhuis- onvoldoende informatie van feitelijke aard bevatten om tot het conclusie te komen dat de gestelde seksuele gerichtheid toch geloofwaardig is.” (…) “Naar het oordeel van de rechtbank stelt verweerder niet ten onrechte dat de verklaringen van eiseres over de betrapping door haar stiefmoeder vaag zijn.” (…) “Verweerder heeft naar het oordeel van de rechtbank deugdelijk gemotiveerd dat niet aannemelijk is dat eiseres gedwongen is uitgehuwelijkt.” (…) “De rechtbank is verder van oordeel dat verweerder niet ten onrechte stelt dat eiseres onvoldoende gedetailleerde en bevreemdende verklaringen heeft afgelegd over de betrapping door haar echtgenoot. (…) Daar komt bij dat eiseres tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over wie haar heeft verteld wat er is gebeurd nadat haar echtgenoot haar vriendin betrapte, (…) waar ze heeft verbleven en hoe lang. De verklaringen van eiseres over [naam], het verblijf bij [naam] en de uitreis heeft verweerder niet aannemelijk kunnen vinden, omdat de verklaringen van eiseres vaag zijn, weinig details bevatten en op bepaalde punten tegenstrijdig zijn.” 9. Met deze uitspraak staat in rechte vast dat eiseres haar gestelde seksuele gerichtheid in de eerdere asielprocedure niet door middel van haar verklaringen en overgelegde documenten aannemelijk heeft gemaakt. Het iMMO-rapport en het vermogen van eiseres om te verklaren 10. Eiseres voert aan dat uit het overgelegde iMMO-rapport blijkt dat de psychische en lichamelijke problemen van eiseres hebben geïnterfereerd met haar vermogen om compleet, coherent en consistent te verklaren. De minister heeft het iMMO-rapport ten onrechte naast zich neergelegd door te verwijzen naar een uitspraak van de Afdeling in een andere zaak. Er ligt een uitgebreid iMMO-rapport, waarin eiseres meer vertelt dan ze in haar eerste procedure kon. Ze is ook al geruime tijd in behandeling bij Fier, waardoor ze ook meer kan vertellen dan in de eerste procedure. De minister heeft volgens eiseres ook niks gedaan met de informatie van Fier. 11. De rechtbank stelt voorop dat het iMMO-rapport een deskundigenrapport is. Wanneer een vreemdeling een iMMO-rapport inbrengt dat zorgvuldig tot stand is gekomen en dat naar inhoud inzichtelijk en concludent is, moet de minister de conclusie uit het rapport betrekken bij zijn beoordeling. 11.1. Het iMMO onderzoekt of lichamelijke bevindingen, zoals littekens of verwondingen, en psychische klachten passen bij de door de vreemdeling gestelde gebeurtenissen. Het iMMO stelt een rapport op aan de hand van een vaste vraagstelling, bestaande uit een A1-, A2- en B-vraag. De A1- en A2-vraag betreffen de mate waarin lichamelijke respectievelijk psychische klachten kunnen zijn voortgekomen uit het gestelde asielrelaas, aan de hand van de gradaties uit het Istanbul Protocol. De B-vraag gaat over het vermogen van de betrokken vreemdeling om te verklaren. Het iMMO onderzoekt onder de B-vraag of de lichamelijke en/of psychische klachten het vermogen van de vreemdeling om te verklaren ten tijde van het asielgehoor hebben beïnvloed. 12. De beroepsgrond slaagt niet. De rechtbank stelt vast dat de minister in de besluitvorming is ingegaan op de conclusies uit het iMMO-rapport met betrekking tot de A- en de B-vraag. De minister heeft naar het oordeel van de rechtbank over de conclusie met betrekking tot de B-vraag kunnen verwijzen naar de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025. De minister heeft zich terecht op het standpunt gesteld dat in de conclusie van het iMMO-rapport niet inzichtelijk is gemaakt waarom en in hoeverre de klachten van eiseres zouden hebben geleid tot een interferentie met haar vermogen om compleet, coherent en consistent over haar asielrelaas te verklaren. De enkele (werk-)diagnose PTSS is daarvoor niet voldoende. Hierdoor heeft eiseres met het iMMO-rapport niet onderbouwd dat haar medische problematiek heeft geïnterfereerd met haar vermogen om te verklaren. De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank daarom terecht op het standpunt gesteld dat voorbijgegaan kan worden aan de conclusie van het iMMO op de B-vraag. De minister hoefde in de lichamelijke en psychische klachten van eiseres, zoals omschreven in het iMMO-rapport, ook geen aanleiding te zien om tot een andere beoordeling van de verklaringen van eiseres tijdens de eerdere asielprocedure te komen. 13. De overgelegde informatie van Fier leidt niet tot een ander oordeel over het vermogen van eiseres om te verklaren. De rechtbank stelt vast dat de minister in de vorige procedure al informatie van Fier, waaruit blijkt dat eiseres klachten heeft die duiden op PTSS, bij de besluitvorming heeft betrokken. Uit de in de onderhavige procedure overgelegde informatie blijkt niet dat de psychische klachten van eiseres van invloed zijn (geweest) op haar vermogen om te verklaren. De stukken kunnen daarom niet leiden tot vernietiging van het besluit. Het referentiekader 14. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte geen rekening heeft gehouden met haar referentiekader en met wat er gelet daarop van haar verwacht kan worden. Niet iedereen kan uitgebreid vertellen over wat er gebeurd is of over een relatie. Op de zitting heeft de gemachtigde van eiseres toegelicht dat zij vindt dat de minister met name onvoldoende rekening heeft gehouden met de psychische problematiek en het opleidingsniveau van eiseres. 15. De beroepsgrond slaagt niet. Naar het oordeel van de rechtbank is niet gebleken dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader van eiseres. De minister heeft er daarbij op kunnen wijzen dat al in de eerdere procedure bekend was dat eiseres PTSS heeft en dat daarmee ook in de onderhavige procedure rekening is gehouden. Daarnaast is in het besluit van 18 februari 2021 ten aanzien van het referentiekader van eiseres al bij de beoordeling betrokken dat eiseres enkel de lagere school heeft afgerond. Eiseres heeft verder niet onderbouwd of concreet gemaakt wat de minister met het oog op haar referentiekader in de besluitvorming anders had moeten doen. De enkele stelling dat de minister onvoldoende rekening heeft gehouden met het referentiekader kan daarom niet leiden tot vernietiging van het besluit. De geloofwaardigheid van de gestelde seksuele gerichtheid van eiseres De geconstateerde tegenstrijdigheden 16. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte heeft overwogen dat zij tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over het accepteren van haar gerichtheid. Eiseres verwijst ter onderbouwing naar de correcties en aanvullingen van 4 september 2019. Daaruit blijkt volgens haar dat haar verklaringen op dit punt helemaal niet tegenstrijdig zijn. De minister vermeldt volgens eiseres verder ten onrechte een tegenstrijdigheid met betrekking tot [naam]. Uit het iMMO-rapport blijkt dat eiseres inmiddels meer kan vertellen. [naam] was kennelijk de belangrijkste persoon in het huis en het is begrijpelijk dat eiseres daar nu meer over kan vertellen dan in de eerdere procedure. 17. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat eiseres tegenstrijdige verklaringen heeft afgelegd over het accepteren van haar gestelde gerichtheid. Eiseres heeft namelijk tijdens de eerste procedure verklaard dat zij tien jaar oud was toen zij zich realiseerde dat ze lesbisch was en haar gerichtheid accepteerde , terwijl zij bij de onderhavige aanvraag heeft verklaard dat zij zich pas rond de leeftijd van dertien, veertien of vijftien jaar realiseerde dat zij lesbisch was. De verwijzing van eiseres naar de correcties en aanvullingen van 4 september 2019 leidt niet tot een ander oordeel. De aangehaalde passage ziet immers op de aard en ontwikkeling van de relatie van eiseres met haar vriendin en niet op de realisatie of acceptatie van haar gerichtheid. 17.1. De rechtbank is verder van oordeel dat de minister de verklaringen van eiseres over [naam] terecht tegenstrijdig heeft geacht. De minister heeft daarbij kunnen wijzen op verschillen in de verklaringen bij iMMO en tijdens het gehoor opvolgende aanvraag over of [naam] degene was die eiseres na de mishandeling verpleegde. De enkele stelling dat uit het iMMO-rapport blijkt dat eiseres meer kan vertellen dan tijdens de eerste procedure, neemt deze tegenstrijdigheid niet weg. 17.2. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister gelet op het voorgaande de verklaringen van eiseres terecht ongeloofwaardig geacht. De rechtbank stelt daarbij vast dat eiseres de overige tegenwerpingen van de minister met betrekking tot haar verklaringen niet heeft betwist. De gestelde relatie 18. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte niets heeft gedaan met de overgelegde uitspraken en het inwilligende besluit in de zaak van de gestelde vriendin van eiseres. De minister acht het ten onrechte niet relevant dat eiseres in de uitspraken wordt genoemd als de vriendin. Nergens blijkt uit dat de relatie in die zaak niet geloofwaardig is geacht. 19. De rechtbank stelt voorop dat de verklaringen van eiseres over haar relatie in de vorige asielprocedure reeds algemeen en oppervlakkig zijn geacht. De minister heeft in de overgelegde uitspraken en het feit dat de asielaanvraag van de gestelde vriendin van eiseres is ingewilligd, geen aanleiding hoeven zien voor een ander oordeel. Dat de aanvraag van de gestelde vriendin van eiseres is ingewilligd, maakt immers niet dat de minister de gerichtheid van eiseres ook aannemelijk moest vinden. De rechtbank vindt daarbij van belang dat de minister erop heeft gewezen dat in de procedure van de gestelde vriendin geen vragen zijn gesteld over de relatie en dat de relatie nergens geloofwaardig is geacht. De overgelegde foto’s en rapporten van LGBT+ Asylum Support 20. Eiseres voert aan dat de minister de overgelegde foto’s, de verklaringen en de rapporten van LGBT+ Asylum Support onvoldoende bij de beoordeling heeft betrokken. De heer Kortekaas van LGBT+ Asylum Support wordt volgens eiseres door de minister en door rechtbanken als deskundige beschouwd. 21. De rechtbank stelt vast dat tussen partijen in geschil is of de rapporten van LGBT+ Asylum Support moeten worden aangemerkt als deskundigenrapport. De minister heeft de rapporten van dhr. Kortekaas in het bestreden besluit aangemerkt als verklaringen van een derde en deze als zodanig betrokken bij de beoordeling. 21.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft de minister zich terecht op het standpunt gesteld dat de rapporten van dhr. Kortekaas over eiseres niet kunnen worden aangemerkt als deskundigenrapport. Niet is gebleken dat LGBT+ Asylum Support of dhr. Kortekaas deskundig zijn op het gebied van het vaststellen van iemands seksuele gerichtheid. De inhoud van de rapporten betreft met name een eigen beoordeling van de geloofwaardigheid van de verklaringen van eiseres en kunnen daarom worden beschouwd als een standpunt van een derde, waaraan de minister beperkte waarde aan kon hechten. 22. Naar het oordeel van de rechtbank hoefde de minister in de inhoud van de rapporten van LGBT+ Asylum Support verder geen aanleiding te zien om de gestelde seksuele gerichtheid van eiseres alsnog geloofwaardig te achten. De opmerking in de brief van 1 oktober 2024 dat eiseres de zitting bij de rechtbank in het beroep van haar gestelde partner heeft bijgewoond en de conclusie ‘verwijzend naar bijgevoegde foto, vanuit waarnemingen en gedrag daarbij overduidelijk een koppel’ maakt niet dat de gestelde gerichtheid van eiseres alsnog aannemelijk moet worden geacht. Deze conclusie is namelijk niet nader onderbouwd. De minister heeft zich verder terecht op het standpunt gesteld dat, ook in geval van identiteitsgroei, de uitkomst van de eerdere procedure het uitgangspunt is. Hierbij is terecht getoetst of eiseres beter kon verklaren ten opzichte van de eerdere procedure en is de minister terecht tot de conclusie gekomen dat de verklaringen nog steeds summier en oppervlakkig zijn. 23. De minister heeft zich naar het oordeel van de rechtbank tot slot terecht op het standpunt gesteld dat eiseres met de overgelegde foto’s en brieven van het COa haar gestelde seksuele gerichtheid niet alsnog aannemelijk heeft gemaakt. De minister heeft terecht overwogen dat de overgelegde documenten niet van doorslaggevende waarde zijn. De verklaringen en foto’s zeggen op zichzelf niets over de seksuele gerichtheid van eiseres en wegen daarom niet op tegen de ontoereikende verklaringen die zij heeft afgelegd. Artikel 8 van het EVRM 24. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte niet heeft getoetst aan artikel 8 van het EVRM. Eiseres heeft in Nederland namelijk gezinsleven met haar partner en zij heeft ook privéleven opgebouwd. 25. De beroepsgrond slaagt niet. De minister hoeft bij een opvolgende asielaanvraag niet ambtshalve te toetsen of eiseres in aanmerking komt voor verblijf op grond van artikel 8 van het EVRM. Als eiseres van mening is dat zij recht heeft op een verblijfsvergunning op grond van opgebouwd gezinsleven dan wel privéleven, staat het eiseres vrij om een daartoe strekkende aanvraag in te dienen. Schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn 26. Eiseres voert aan dat de minister ten onrechte geen vergoeding heeft toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn van de procedure. 27. De rechtbank overweegt als volgt. De vraag of de redelijke termijn is overschreden, wordt beantwoord aan de hand van de omstandigheden van het geval. Als uitgangspunt geldt dat in zaken die uit twee rechterlijke instanties bestaan een totale lengte van de procedure van vier jaar redelijk is. Daarbij mag de behandeling van het beroep twee jaar en de behandeling van het hoger beroep ook twee jaar duren. In asielzaken, waarin een voornemenprocedure wordt gevolgd en geen bezwaarschriftprocedure, vangt de redelijke termijn aan bij het indienen van het beroepschrift. 27.1. Naar het oordeel van de rechtbank was, gelet op het voorgaande, op het moment van het nemen van het bestreden besluit geen sprake van overschrijding van de redelijke termijn en hoefde de minister niet in te gaan op het verzoek van eiseres om een vergoeding in dat kader. De minister heeft er in zoverre tijdens de zitting terecht op gewezen dat eiseres een ingebrekestelling had kunnen versturen en beroep had kunnen instellen wegens het niet tijdig beslissen door de minister. 27.2. Voor zover eiseres met de beroepsgrond heeft beoogd de rechtbank te verzoeken om een vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn toe te kennen, wijst de rechtbank dit verzoek af. Eiseres heeft op 28 januari 2026 beroep ingesteld. De redelijke termijn is op de datum van de uitspraak van de rechtbank, 7 juli 2026, nog niet verstreken. Conclusie 28. Het beroep is ongegrond. Dat betekent dat de afwijzing van de asielaanvraag van eiseres in stand blijft. Eiseres krijgt geen vergoeding van haar proceskosten. Eiseres krijgt ook geen vergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn, omdat de redelijke termijn niet is overschreden. Beslissing De rechtbank: - verklaart het beroep ongegrond; - wijst het verzoek om schadevergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. R. Tesfai, rechter, in aanwezigheid van mr. M.C. Drenten - Boon, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. Openbaar gemaakt en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Deze datum staat hierboven. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Als bedoeld in artikel 28 van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Zaaknummer NL26.4935. Rapport van forensisch medisch onderzoek van het Instituut voor Mensenrechten en Medisch Onderzoek. Zaaknummer C-440/25. Zaaknummer NL21.4119. Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State. ECLI:NL:RVS:2025:1472. Zie r.o. 11.1 van de uitspraak van de Afdeling van 2 april 2025. Zie p. 19 van het nader gehoor van 5 februari 2019. Zie p. 7 en 14 van het gehoor opvolgende aanvraag. Zie p. 21 van het gehoor opvolgende aanvraag en p. 2 van het iMMO-rapport. Vergelijk de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats Roermond, van 24 juli 2025, ECLI:NL:RBLIM:2025:7321. Vergelijk de uitspraak van deze rechtbank, zittingsplaats -’s Hertogenbosch, van 15 mei 2025, ECLI:NL:RBDHA:2025:11752. Verdrag tot bescherming van de rechten van de mens en de fundamentele vrijheden. Zie artikel 3.6a, eerste lid, van het Vreemdelingenbesluit 2000. Zie de uitspraken van de Afdeling van 5 juni 2024, ECLI:NL:RVS:2024:2276, onder 2 en 3 en van 8 december 2025, ECLI:NL:RVS:2025:5913 onder 4.1. Vergelijk de uitspraak van de Afdeling van 29 januari 2014, ECLI:NL:RVS:2014:188, r.o. 4.4.1.