← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:18582

Rechtbank Den Haag · 2026-07-06 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL26.24769
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
12.417 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Dublin Duitsland. Ongegrond. Persoonlijk onderhoud. Interstatelijk vertrouwensbeginsel. Asielaanvraag echtgenote. Artikel 17 Dublinverordening.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL26.24769 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], eiser, van Algerijnse nationaliteit, v-nummer: [v-nummer:], (gemachtigde: mr. J.J. de Vries), en de minister van Asiel en Migratie, de minister, (gemachtigde: mr. G.W. Wezelman). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen het niet in behandeling nemen van de aanvraag tot het verlenen van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd. De minister heeft de aanvraag met het bestreden besluit van 1 mei 2026 niet in behandeling genomen omdat Duitsland verantwoordelijk is voor de aanvraag. 1.1. De rechtbank heeft het beroep, gelijktijdig met het verzoek om een voorlopige voorziening , op 2 juli 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben de gemachtigde van eiser en de minister deelgenomen. Eiser is niet verschenen. De rechtbank heeft het onderzoek op de zitting gesloten. 1.2. Op het verzoek tot het treffen van een voorlopige voorziening wordt apart beslist. Beoordeling door de rechtbank 2. De rechtbank beoordeelt het niet in behandeling nemen van de asielaanvraag van eiser mede aan de hand van de beroepsgronden die eiser heeft aangevoerd. 3. De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Dat betekent dat eiser ongelijk krijgt en het niet in behandeling nemen van zijn aanvraag in stand blijft. Hierna legt de rechtbank uit hoe zij tot dit oordeel komt en welke gevolgen dit oordeel heeft. Totstandkoming van het besluit 4. De Europese Unie heeft gezamenlijke regelgeving over het in behandeling nemen van asielaanvragen. Met ingang van 12 juni 2026 gelden de regels die zijn neergelegd in Verordening (EU) 2024/1351 betreffende asiel- en migratiebeheer (AMB-verordening). 4.1. Welke lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling van een verzoek om internationale bescherming dat vóór 12 juni 2026 is geregistreerd, wordt bepaald volgens de in Verordening (EU) nr. 604/2013 (Dublinverordening) vastgelegde criteria. 4.2. Op grond van de Dublinverordening neemt de minister een asielaanvraag niet in behandeling als is vastgesteld dat een andere lidstaat verantwoordelijk is voor de behandeling daarvan. In dit geval heeft Nederland bij Duitsland op 24 maart 2026 een verzoek om terugname gedaan. Duitsland heeft dit verzoek op 25 maart 2026 op grond van artikel 18, eerste lid, aanhef en onder b, van de Dublinverordening aanvaard. P ersoonlijk onderhoud 5. Eiser stelt dat het besluit van de minister ondeugdelijk is, omdat eiser niet in de gelegenheid is gesteld te worden gehoord. Eiser betwist dat hij hiervoor uitnodigingen heeft ontvangen. 5.1. Om de verantwoordelijke lidstaat gemakkelijker te kunnen bepalen, voert de lidstaat die met het bepalen van de verantwoordelijk lidstaat is belast een persoonlijk onderhoud met de verzoeker. 5.2. Eiser heeft zich op 1 maart 2026 -volgens zijn gemachtigde samen met zijn echtgenote- in Ter Apel gemeld voor het doen van een verzoek om internationale bescherming. Uit Eurodac blijkt kort daarna dat eiser op 27 oktober 2023 al een verzoek om internationale bescherming in Duitsland heeft ingediend. Uit een in het dossier opgenomen loopbrief blijkt dat op 13 maart 2026 om 08.00 uur een afspraak is ingepland voor een persoonlijk onderhoud met eiser. Het bewijs van ontvangst is op 12 maart 2026 ondertekend. Op 13 maart 2026 wordt een rapport niet verschijnen voor gehoor opgemaakt. Eiser heeft de reden van zijn afwezigheid niet kenbaar gemaakt. Hierop wordt een nieuwe afspraak ingepland op 18 maart 2026 om 08.00 uur. Op 16 maart 2026 is een bewijs van ontvangst door eiser ondertekend. Op 18 maart 2026 wordt opnieuw een rapport niet verschijnen voor gehoor opgemaakt. Eiser heeft de reden van zijn afwezigheid wederom niet kenbaar gemaakt. 5.3. Uit de overgelegde stukken blijkt genoegzaam dat de minister de insteek had om met eiser een persoonlijk onderhoud te voeren en hiervoor twee momenten heeft ingeruimd. In een op 8 april 2026 uitgebracht voornemen is eiser bericht dat Duitsland verantwoordelijk is voor zijn asielaanvraag en Duitsland op 26 maart 2026 positief heeft gereageerd op het verzoek hem terug te nemen. Eiser is er op gewezen dat hij op 13 en 18 maart 2026 niet op zijn afspraak voor het aanmeldgehoor is gekomen en in de gelegenheid gesteld om in een zienswijze meer informatie te geven. Op 20 april 2026 is door de gemachtigde van eiser een zienswijze gegeven, waarna op 1 mei 2026 het bestreden besluit is genomen. 5.4. De rechtbank is van oordeel dat eiser met voornoemde uitnodigingen voldoende gelegenheid is geboden voor een persoonlijk onderhoud. Uit de door de minister overgelegde stukken blijkt dat deze uitnodigingen eiser hebben bereikt. Eiser is daarnaast nog de gelegenheid geboden een zienswijze te geven. Deze beroepsgrond faalt. Interstatelijk vertrouwensbeginsel 6. Eiser heeft in zijn zienswijze betoogd dat de minister ten onrechte stelt dat ten aanzien van Duitsland kan worden uitgegaan van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. In beroep heeft eiser dit herhaald. 6.1. Deze rechtbank, zittingsplaats Groningen, is bij uitspraak van 9 april 2026 al ingegaan op soortgelijke gronden als die in onderhavige procedure zijn aangevoerd. De rechtbank ziet in hetgeen eiser heeft aangevoerd geen aanleiding anders te oordelen dan in deze uitspraak is gedaan. Eiser dient de vrees voor refoulement in Duitsland aan te kaarten. Asielaanvraag echtgenote 7. De gemachtigde van eiser heeft naar voren gebracht dat de aanvraag van de echtgenote van eiser, die hij eveneens als advocaat bijstaat, op grond van artikel 30c, eerste lid, aanhef en onder b, van de Vw 2000 buiten behandeling is gesteld. In het besluit is bepaald dat zij dient terug te keren naar Algerije. Het hiertegen ingestelde beroep, met zaaknummer NL26.24562, is nog niet op een zitting gepland. In de zienswijze, waar eiser in zijn gronden expliciet naar verwijst, is bepleit dat beide zaken op dezelfde grondslag beoordeeld dienen te worden en dat dat in casu artikel 30c Vw 2000 is. 7.1. De rechtbank stelt voorop dat eiser op meerdere momenten in de gelegenheid is gesteld om meer inzicht te bieden in zijn situatie. Niet alleen op 13 en 18 maart 2026, maar ook via een op 15 mei 2026 verzonden uitnodiging voor deze zitting. Ook van deze laatste mogelijkheid is geen gebruik gemaakt, hoewel de gemachtigde van eiser op 2 juni 2026 nog heeft bericht contact te onderhouden met eiser. 7.2. Eiser heeft daarmee geen inzicht geboden in het spoor dat hij en zijn gestelde partner hebben bewandeld. Uit het dossier van eiser wordt de rechtbank duidelijk dat hij in 2023 in Duitsland asiel heeft gevraagd. Of dat ook voor de gestelde partner geldt is onbekend en ook niet gesteld. Dit kan het verschil in afdoeningswijze verklaren. In het pleidooi zoals dat nu is aangevoerd ziet de rechtbank onvoldoende grond om te oordelen dat beide zaken met artikel 30c zouden moeten worden afgedaan. Daarbij zij opgemerkt dat een afdoening met artikel 30c ook zou betekenen dat de aanvraag van eiser buiten behandeling zou zijn gesteld. Hem zou dan zijn medegedeeld dat hij naar Algerije moet vertrekken. Artikel 17 Dublinverordening 8. Eiser heeft in de gronden van beroep van 9 mei 2026 naar voren gebracht dat de minister artikel 17 van de Dublinverordening onjuist heeft toegepast omdat eiser in de gelegenheid dient te worden gesteld om bij zijn gehoor zijn bijzondere individuele omstandigheden, het ontbreken van een sociaal netwerk in Duitsland en de reëele vrees voor refoulement naar Algerije na overdracht aan Duitsland toe te lichten. 8.1. Op grond van artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening wordt bekeken of er bijzondere, individuele omstandigheden zijn aangevoerd die aanleiding geven om de asielaanvraag van eisers toch in Nederland te behandelen. Paragraaf C2/5 van de Vreemdelingencirculaire bepaalt dat de minister terughoudend gebruik maakt van de bevoegdheid om het verzoek om internationale bescherming in Nederland te behandelen op grond van artikel 17, eerste en tweede lid, van de Dublinverordening, ook al is Nederland op grond van de in de verordening neergelegde criteria daartoe niet verplicht. 8.2. De uitoefening van de in artikel 17, eerste lid, van de Dublinverordening neergelegde bevoegdheid is aan de minister overgelaten. Besluiten die vallen onder de Dublinverordening moeten daarom door de rechter terughoudend worden getoetst. 8.3. De minister heeft er in het bestreden besluit op gewezen dat eiser meermaals niet is verschenen op het aanmeldgehoor, waardoor hij geen inhoudelijke bezwaren tegen de overdracht naar voren heeft gebracht. Dit komt volgens de minister voor zijn rekening en risico. Daarbij is er op gewezen dat de afspraken in een taal staan die eiser kan lezen (Arabisch) en bovendien is getekend voor ontvangst. Verder is gewezen op de beoordeling van het interstatelijk vertrouwensbeginsel. 8.4. Gelet op hetgeen hiervoor al is overwogen ziet de rechtbank geen grond voor het oordeel dat de minister niet tot dit standpunt kon komen. Zitting 2 juli 2026 9. De gemachtigde van eiser heeft op de zitting naar voren gebracht te hebben vernomen dat de echtgenote van eiser per 19 mei 2026 gedwongen is opgenomen in een psychiatrisch ziekenhuis. Hij heeft er daarbij op gewezen dat hij in haar dossier op 2 juni 2026 hierover een bericht heeft gestuurd. 9.1. De minister heeft in de op zitting gegeven reactie -zakelijk weergegeven- naar voren gebracht dat er door eiser weinig tot geen informatie wordt gegeven. Zo ziet hij niets terug over de gestelde behandeling. De minister ziet geen aanleiding om te concluderen dat Nederland de verantwoordelijkheid zou moeten accepteren voor de behandeling van de aanvraag van eiser. De minister noemt daarbij dat zonder enige onderbouwing niet kan worden geconcludeerd dat sprake is van onevenredige hardheid. Hij verzoekt daarom het beroep ongegrond te verklaren. 9.2. De rechtbank stelt vast dat -zoals de minister ook stelt- elke informatie van eiser over de situatie ontbreekt. Zo is niet bekend in welk psychiatrisch ziekenhuis de gestelde echtgenote (ruim zes weken geleden) zou zijn opgenomen, wat haar actuele (gezondheids)situatie (na de mededeling van ruim vier weken geleden) is en wat dat (thans) betekent voor eiser. Ook is bijvoorbeeld niet gebleken dat is verzocht om op grond van artikel 64 van de Vw uitstel van vertrek te vragen. Het standpunt van de minister is daarom navolgbaar. 9.3. De rechtbank ziet ook geen aanleiding om het onderzoek te heropenen en eiser in de gelegenheid te stellen nadere informatie in te brengen. Eiser is die gelegenheid meermalen geboden en heeft daar zonder opgaaf van redenen geen gebruik van gemaakt. 10. Het beroep is ongegrond. Eiser krijgt geen vergoeding van zijn proceskosten. Beslissing De rechtbank verklaart het beroep ongegrond. Deze uitspraak is gedaan door mr. A.W. Wassink, rechter, in aanwezigheid van mr. S. Strating, griffier, en openbaar gemaakt door middel van gepseudonimiseerde publicatie op rechtspraak.nl. De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is bekendgemaakt. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Dit verzoek staat geregistreerd onder zaaknummer: NL26.24770. Rectificatie van Verordening (EU) 2024/1351, 2025/90929, 25 november 2025. Artikel 84 lid 2 van de AMB-verordening (overgangsmaatregelen). Dit staat ook in artikel 30, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000. Artikel 5, eerste lid, van de Dublinverordening. ECLI:NL:RBDHA:2026:8411. Vgl. ABRvS 13 januari 2025, ECLI:NL:RVS:2025:52. Vgl. ABRvS 12 februari 2016, ECLI:NL:RVS:2016:438. Vergelijkbaar met artikel 35 van de AMB-verordening. In WBV 2026/8 (Stcrt. 2026, nr. 17856) is dit verder ingeperkt. Artikel 35 is niet genoemd in art. 43 AMB-Verordening (die de draagwijdte van een rechtsmiddel beperkt). ABRvS 21 mei 2015, ECLI:NL:RVS:2015:1666