ECLI:NL:RBDHA:2026:18548
Rechtbank Den Haag · 2026-07-06 · Proceskostenveroordeling
Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)
Verzoek pkv na intrekking beroep, afgewezen, geen proceshandelingen
Materiële kern
RECHTBANK DEN HAAG Zittingsplaats Groningen Bestuursrecht zaaknummer: NL26.35373 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [naam], verzoeker, geboren op [geboortedatum], van Algerijnse nationaliteit, V-nummer: [nummer], (gemachtigde: mr. T. Esen), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: L. Ploeger). Inleiding 1. Verzoeker heeft de rechtbank verzocht om de minister te veroordelen in de proceskosten. Hij heeft dit verzoek gedaan bij de intrekking van zijn beroep tegen de bewaringsmaatregel van 25 juni 2026. Verzoeker heeft zijn beroep ingetrokken, omdat de minister de maatregel op 1 juli 2026 heeft opgeheven en aan verzoeker schadevergoeding heeft aangeboden. 1.1. De rechtbank heeft het beroep op 3 juli 2026 op zitting behandeld. Eiser en zijn gemachtigde zijn met voorafgaande kennisgeving niet verschenen. De minister heeft zich laten vertegenwoordigen door zijn gemachtigde. Overwegingen 2. Als een beroep wordt ingetrokken omdat het bestuursorgaan geheel of gedeeltelijk aan de indiener van het beroepschrift is tegemoetgekomen, kan de bestuursrechter op verzoek van de indiener dat bestuursorgaan bij afzonderlijke uitspraak veroordelen in de proceskosten. De rechtbank komt alleen aan een proceskostenveroordeling toe als de intrekking van het beroep plaatsvond wegens (gedeeltelijke) tegemoetkoming door het bestuursorgaan aan de betrokkene. 3. De rechtbank is van oordeel dat de minister zich terecht op het standpunt stelt dat verzoeker geen recht heeft op vergoeding van zijn proceskosten. De maatregel van bewaring van 25 juni 2026 is door middel van een kennisgeving vanuit de minister aan de rechtbank ter toetsing voorgelegd, en niet door middel van een door verzoeker ingesteld beroep. Ook zijn er door verzoeker geen gronden ingediend. Dit maakt dat verzoeker geen proceshandelingen heeft verricht die op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb) in aanmerking komen voor vergoeding. Beslissing De rechtbank wijst het verzoek om proceskostenvergoeding af. Deze uitspraak is gedaan door mr. N.M. van Waterschoot, rechter, in aanwezigheid van mr. M.A. van der Meulen-Postma, griffier. De uitspraak is openbaar gemaakt en bekendgemaakt op: Rechtsmiddel Tegen deze uitspraak kan hoger beroep worden ingesteld bij de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State binnen één week na de dag van bekendmaking. Dit volgt uit artikel 8:75a van de Algemene wet bestuursrecht (Awb) en is nader uitgewerkt in het Besluit proceskosten bestuursrecht (Bpb).