← alle zaken
Zaak

ECLI:NL:RBDHA:2026:18545

Rechtbank Den Haag · 2026-06-18 · Eerste aanleg - enkelvoudig

Zaaknummer
NL26.10328
Rechtsgrond
Asiel-intrekking
onzeker
Uitkomst
Winnende partij
Herkomstland
Thema
COI-verwijzing
Verkorte motivering (art. 91 lid 2)
Tekstlengte
10.584 tekens
Verificatiestatus
ongecontroleerd
Kansberekening laden…

Inhoudsindicatie (redactie Rechtspraak)

Asiel - Syrië - onvoldoende gemotiveerd dat ontvangen bedreigingen niet geloofwaardig zouden zijn - niet betrokken wat opnieuw geuitte bedreiging aan adres van familie in 2025 betekent voor geloofwaardigheid en voor risico bij terugkeer - enkele feit dat eiser nog 2,5 maand in Syrië verbleef na ontvangen bedreiging is onvoldoende op oordeel geloofwaardigheid te dragen - beroep gegrond.

Materiële kern

RECHTBANK DEN HAAG Bestuursrecht zaaknummer: NL26.10328 uitspraak van de enkelvoudige kamer in de zaak tussen [eiser], eiser, v-nummer: [V-nummer], (gemachtigde: mr. K. Yousef), en de minister van Asiel en Migratie, (gemachtigde: mr. F. Witteman). Inleiding 1. In deze uitspraak beoordeelt de rechtbank het beroep van eiser tegen de afwijzing van zijn asielaanvraag. 1.1. Eiser heeft op 10 december 2023 een aanvraag om verlening van een verblijfsvergunning asiel voor bepaalde tijd ingediend. Verweerder heeft met het bestreden besluit van 23 februari 2026 deze aanvraag in de algemene asielprocedure afgewezen als ongegrond. Eiser heeft hiertegen beroep ingesteld bij de rechtbank. 1.2. Verweerder heeft op het beroep gereageerd met een verweerschrift. 1.3. De rechtbank heeft het beroep op 4 juni 2026 op zitting behandeld. Hieraan hebben deelgenomen: eiser, de gemachtigde van eiser, M. Suleman als tolk en de gemachtigde van verweerder. Beoordeling door de rechtbank Waar gaat deze zaak over? 2. Eiser is geboren op [geboortedatum] 1989 en heeft de Syrische nationaliteit. Eiser heeft aan zijn asielaanvraag ten grondslag gelegd dat hij Syrië in 2015 heeft verlaten vanwege de oorlog en vanwege bedreigingen die hij ontving van zijn oud studiegenoot, [naam]. Eiser heeft verklaard dat [naam] hem heeft bedreigd omdat hij eiser zag als aanhanger van Assad en omdat eiser christen is. Eiser heeft ook verklaard dat [naam] de macht heeft in de herkomstplaats van eiser en dat hij in 2025 met gewapende mannen eisers familie heeft bezocht en daarbij opnieuw heeft gedreigd eiser te vermoorden. Verder vreest eiser bij terugkeer naar Syrië slachtoffer te worden van geweld. Het bestreden besluit 3. Het asielrelaas van eiseres bestaat volgens verweerder uit twee asielmotieven: 1. identiteit, nationaliteit en herkomst; 2. problemen met [naam]. 3.1. Verweerder vindt de identiteit, nationaliteit en herkomst van eiser geloofwaardig. Verweerder vindt de problemen met [naam] niet geloofwaardig. Eiser heeft dit motief niet onderbouwd met objectieve documenten en zijn verklaringen vormen volgens verweerder geen samenhangend en aannemelijk geheel. Eiser heeft niet aannemelijk gemaakt dat [naam] hem nog wil vermoorden nadat er 10 jaar is verstreken sinds de bedreigingen. Ook heeft eiser volgens verweerder tegenstrijdig verklaard over de beweging waartoe [naam] behoort. Ten slotte heeft verweerder aan eiser tegengeworpen dat hij tweeënhalve maand in Syrië heeft verbleven nadat hij de bedreigingen van [naam] had ontvangen. Het incident met eisers familie vindt verweerder geloofwaardig, maar ook zijn familie heeft sinds het incident in 2025 niets meer gehoord van [naam]. Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat eiser niet te vrezen heeft voor vervolging vanwege zijn christelijke geloof of toegedichte politieke opinie, omdat eiser alleen voor [naam] vreest. In het algemeen ambtsbericht Syrië uit 2025 blijkt bovendien niet dat er structurele incidenten plaatsvinden tegen christenen. 3.2. Verweerder heeft zich verder op het standpunt gesteld dat eiser niet te vrezen heeft vanwege de algemene situatie in Syrië. Er is volgens verweerder geen sprake van een reëel risico op ernstige schade als gevolg van willekeurig geweld zoals bedoeld in artikel 15 van de Kwalificatierichtlijn. Uit het beleid van verweerder volgt dat er sprake is van een relatief lager niveau van willekeurig geweld. Geweldsuitbarstingen zijn incidenteel van aard en het aantal burgerslachtoffers als gevolg van willekeurig geweld is laag, zo blijkt uit het ambtsbericht van januari 2026. Nu er sprake is van een lager niveau van willekeurig geweld, moet eiser aan de hand van zijn individuele situatie en persoonlijke omstandigheden aannemelijk maken dat hij een reëel risico loopt om slachtoffer te worden van willekeurig geweld. Eiser heeft geen omstandigheden aangedragen die als risicoverhogend kunnen worden aangemerkt. Wat vindt eiser in beroep? 4. Eiser is het niet eens met de afwijzing van zijn asielaanvraag en voert aan dat verweerder onvoldoende heeft gemotiveerd dat de problemen met [naam] niet geloofwaardig zouden zijn. Verweerder heeft zich in de geloofwaardigheidsbeoordeling gebaseerd op aannames en heeft ten onrechte veel gewicht toegekend aan het niet kunnen benoemen van de specifieke naam van de beweging van [naam]. Ook heeft verweerder ten onrechte tegengeworpen dat eiser nog tweeënhalve maand in Syrië heeft verbleven, omdat eiser die periode nodig had om zijn vertrek te organiseren. Ten slotte heeft verweerder ten onrechte geconcludeerd dat het uitblijven van nieuwe incidenten met [naam] sinds 2025 maakt dat er geen risico meer is. 4.1. Verder voert eiser aan dat verweerder zijn vrees vanwege zijn geloof en zijn toegedichte politieke opinie onvoldoende heeft beoordeeld. In landeninformatie wordt melding gemaakt van geweld en bedreigingen tegen christenen. 4.2. Eiser voert ook aan dat verweerder zich ten onrechte op het standpunt heeft gesteld dat eiser niet te vrezen heeft vanwege de algemene veiligheidssituatie in Syrië. Verweerder heeft onvoldoende gemotiveerd dat sprake is van de laagste gradatie van willekeurig geweld en dat eiser geen slachtoffer zal worden van willekeurig geweld. Uit landeninformatie blijkt dat er in Syrië en de regio Hama, nog steeds sprake is van (willekeurig) geweld. Eiser wijst er daarbij op dat hij ook vanwege zijn persoonlijke omstandigheden een risico loopt op willekeurig geweld: hij is christen, hij is zichtbaar als terugkeerder en hij heeft een doodsbedreiging ontvangen van een gewapende actor die toegang heeft tot zijn verblijfplaats. Daarnaast is de humanitaire situatie extreem. Uit de veiligheidssituatie en humanitaire omstandigheden volgt ook een reëel risico op ernstige schade zoals bedoeld in artikel 3 van het EVRM. Wat is het oordeel van de rechtbank? 5. De rechtbank geeft eiser gelijk en zal dit oordeel hieronder uitleggen. Mocht verweerder vinden dat eisers problemen met [naam] niet geloofwaardig zijn? 6. Ter zitting heeft de gemachtigde van eiser bevestigd dat de vrees van eiser vanwege zijn geloof en vanwege de omstandigheid dat hem wordt toegedicht het regime van Assad te steunen beide samenhangen met de problemen met [naam]. De rechtbank zal hierna dus eerst beoordelen of verweerder de problemen met [naam] op goede gronden niet geloofwaardig heeft gevonden. 6.1. Naar het oordeel van de rechtbank heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd dat de bedreigingen die eiser heeft ontvangen en de problemen die eiser heeft ervaren met [naam] niet geloofwaardig zijn. Zoals ook is gebleken uit de toelichting ter zitting, heeft verweerder zijn conclusie met name gebaseerd op de omstandigheid dat er tien jaar is verstreken sinds de bedreigingen zijn geuit. Eiser heeft echter verklaard dat [naam] heeft gedreigd hem te vermoorden zodra Syrië zou zijn bevrijd van het regime Assad. Het voornoemde tijdsverloop past in deze verklaring. Bovendien heeft verweerder wel aangenomen dat [naam] de familie van eiser na de val van het regime van Assad, dus tien jaar na de bedreiging, heeft bezocht en opnieuw heeft gedreigd eiser te zullen vermoorden. Tegen deze achtergrond heeft verweerder onvoldoende gemotiveerd toegelicht waarom het enkele tijdsverloop zou maken dat de bedreiging, en de intentie die uit te voeren nadat Syrië zou zijn bevrijd, niet geloofwaardig moet worden geacht. Verweerder heeft ook nagelaten te beoordelen wat het incident met de familie van eiser en de daarbij opnieuw geuite bedreiging betekent voor het risico dat eiser zou lopen bij terugkeer naar Syrië. Verder overweegt de rechtbank dat verweerder ter zitting heeft bevestigd veel gewicht toe te hebben gekend aan de omstandigheid dat eiser nog tweeënhalve maand in Syrië heeft verbleven na het ontvangen van de bedreiging. Dit enkele en korte verblijf is echter onvoldoende om de conclusie van verweerder over de geloofwaardigheid van het asielmotief te kunnen dragen. Bovendien heeft verweerder eisers toelichting op dit punt niet betrokken. 6.2. Conclusie van het voorgaande is dat het bestreden besluit een motiveringsgebrek bevat. 7. Gelet op de voorgaande overwegingen is het beroep al gegrond en zal de rechtbank het bestreden besluit vernietigen. De rechtbank komt daarom niet toe aan de beoordeling van de beroepsgronden gericht tegen de standpunten van verweerder over de algemene veiligheidssituatie in Syrië. Conclusie en gevolgen 8. Het beroep is gegrond. Dit betekent dat de rechtbank het bestreden besluit vernietigt. Verweerder moet een nieuw besluit nemen met inachtneming van deze uitspraak. 9. Omdat het beroep tegen het bestreden besluit gegrond is, krijgt eiser een vergoeding van zijn proceskosten. Deze kosten worden op grond van het Besluit proceskosten bestuursrecht vastgesteld op € 1.868,-. Beslissing De rechtbank: verklaart het beroep gegrond; vernietigt het bestreden besluit van 23 februari 2026; draagt verweerder op een nieuw besluit te nemen met inachtneming van deze uitspraak; veroordeelt verweerder in de proceskosten van eiser tot een bedrag van € 1.868,-. Deze uitspraak is gedaan door mr. J. Smeets, rechter, in aanwezigheid van mr. M.E. Jans, griffier. Uitgesproken in het openbaar en bekendgemaakt op: Informatie over hoger beroep Een partij die het niet eens is met deze uitspraak, kan een hogerberoepschrift sturen naar de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State waarin wordt uitgelegd waarom deze partij het niet eens is met de uitspraak. Het hogerberoepschrift moet worden ingediend binnen 1 week na de dag waarop deze uitspraak is verzonden. Kan de indiener de behandeling van het hoger beroep niet afwachten, omdat de zaak spoed heeft, dan kan de indiener de voorzieningenrechter van de Afdeling bestuursrechtspraak van de Raad van State vragen om een voorlopige voorziening (een tijdelijke maatregel) te treffen. Op grond van artikel 31, eerste lid, van de Vreemdelingenwet 2000 (Vw). Op basis van artikel 31, zesde lid, onder c, van de Vw. Richtlijn 2011/95/EU van het Europees Parlement en de Raad van 13 december 2011 inzake normen voor de erkenning van onderdanen van derde landen of staatlozen als personen die internationale bescherming genieten, voor een uniforme status voor vluchtelingen of voor personen die in aanmerking komen voor subsidiaire bescherming, en voor de inhoud van de verleende bescherming (herschikking). Zie paragraaf C7/33.4.2 van de Vreemdelingencirculaire 2000 (Vc). 1 punt voor het indienen van het beroepschrift en 1 punt voor het verschijnen ter zitting met een waarde per punt van € 934,- en een wegingsfactor 1.